Vader vermoordt zijn zwangere dochter

Opgrimbie 1922

Vandaag gaan we naar Opgrimbie, in 1922.

Louis Vrancken baat daar een kleine winkel uit, van het genre waar je als mens in Opgrimbie in die tijd alles vindt wat je dagelijks nodig hebt. ’s Zaterdags kan je je bij Louis Vrancken ook laten scheren.

Eén van zijn vaste klanten is zijn buurman, Alfons Conings. Op zaterdagavond 7 januari, stapt Alfons rond half tien het huisje van Vrancken binnen. Hij laat er zich scheren en koopt wat tabak. Dan blijft hij nog een tiental minuten babbelen, en voordat hij naar huis gaat koopt hij ook nog een fles bier. Voor zijn dochter Anna, zegt hij. Alfons Conings is de laatste klant van die dag, en rond 10 uur gaat Vrancken slapen.

Anderhalf uur later, rond half twaalf, schiet Vrancken wakker. Conings staat aan de achterdeur te roepen en te kloppen. Vrancken laat zijn verwarde buurman binnen. Jammerend haalt Conings 280 frank tevoorschijn, en legt het geld op tafel. “Ik heb Anna doodgeslagen” zegt Conings. Hij legt uit dat hij ruzie gemaakt heeft met zijn dochter, en dat hij haar met een strijkijzer en een houweel heeft doodgeslagen. Conings geeft Vrancken nog de sleutel van zijn huis en gaat dan weg, terwijl hij zegt dat hij zich in Tongeren bij het gerecht gaat aangeven.

Aangedaan loopt Vrancken na het vertrek van Conings naar het huis van een andere buurman, Joseph Dexters, die tegenover Conings woont. Dexters gaat samen met Vrancken naar het huis van Conings, maar zij besluiten dat het beter is het huis niet binnen te gaan. In plaats daarvan verwittigen zij de burgemeester en de veldwachter.

Het is middernacht als de veldwachter, de burgemeester, Vrancken en Dexters het huis van de familie Conings binnengaan en daar in de keuken op het lijk van de 19-jarige Anna stoten.

Het is twee uur ’s nachts als burgemeester Dexters van Opgrimbie in Rekem bij de rijkswachtbrigade is om daar te melden dat hij Anna Conings vermoord heeft aangetroffen in het huis van haar vader.

Twee rijkswachters vergezellen de burgemeester terug naar Opgrimbie. In de woning van Alfons Conings treffen zij het lijk van zijn dochter Anna aan.

Het huisje bestaat uit drie ruimtes: de gang achter de voordeur, vanwaar een deur langs rechts naar de keuken leidt. Vanuit de keuken kan je langs een trapje van drie treden naar de kleine, hoger gelegen slaapkamer. Meer kamers zijn er in het huisje van Conings niet. Het dode meisje ligt op de keukenvloer, met haar gezicht naar de vloer. Zij draagt een slaapkleed en kousen. Op de vloer ligt een bloedplas en op de muren zitten bloedspatten. Langs het dode meisje ligt een houweel.

Op de slaapkamer staan twee bedden. Op het bed van Anna liggen een blouse en andere meisjesklederen. In het bed van haar vader zien de rijkswachters bloedvlekken op het laken. Op de vloer naast zijn bed staat een strijkijzer.

Buiten het dode meisje is er niemand in huis.

De rijkswachters besluiten de buren te ondervragen en beginnen hun onderzoek bij Louis Vrancken. De 40-jarige winkelier en barbier vertelt de rijkswachters dat Alfons Conings zich die avond heeft laten scheren, dat hij hem tabak en een fles bier verkocht heeft, dat hij kort voor middernacht door dezelfde Conings wakker geroepen werd, en dat Conings vertrokken is om zich in Tongeren te gaan aangeven nadat hij hem 280 frank en de sleutel van zijn huis gegeven had.

Vrancken weet nog te zeggen dat er geregeld woordwisselingen waren tussen Conings en zijn dochter. Er werd gezegd dat het om die reden is dat Anna een week eerder naar Holland getrokken was. Pas sinds de vrijdag voor haar dood was zij weer thuis.

Dan ondervragen de rijkswachters Leopold Ferron, de oom van Anna. Ferron is 35 jaar oud en arbeider. Hij vertelt dat Anna hem de zondag daarvoor is komen zeggen dat zij in Holland wilde gaan wonen. Zij had immers schrik van haar vader en vreesde dat er malheuren zouden gebeuren. Vijf dagen later, op vrijdag heeft zijn stiefzoon Jan Vonken op vraag van Alfons Conings een brief naar zijn dochter gebracht. In die brief vroeg hij Anna vergiffenis en vroeg hij haar weer naar huis te komen. Anna is dan met haar neef mee naar huis gekomen en heeft in de nacht van vrijdag op zaterdag in de woning van haar oom geslapen.

Ondertussen heeft dokter Humblé van Rekem de dood van het meisje vastgesteld. Terug in Rekem bellen de rijkswachters het parket in Tongeren om de procureur op de hoogte te brengen van het gebeurde.

Die nacht belt Alfons Conings om vijf uur aan bij de gevangenis in Tongeren. Daar wordt hij niet binnengelaten. De bewakers sturen hem door naar de rechtbank, waar hij zich bij het parket kon aangeven. Het is half acht als Conings aan de woning van de procureur aanbelt. Die neemt hem mee naar het politiekantoor. Om half negen wordt hij ondervraagd door een medewerker van het parket:

“Op nieuwjaarsdag ben ik om 4 uur namiddag mijn werkkoepon gaan halen. In het terugkeren ben ik aan het venster van mijn woning blijven staan luisteren. Ik hoorde dat mijn dochter Anna schuldige liefdesbetrekkingen had met haar liefste, Jan Paulussen van Opgrimbie.

Dat kon ik niet verkroppen, en ik ben gaan drinken. Ik ben dan dronken teruggekeerd. Ik herinner mij niet of ik die dag ruzie met haar heb gehad.

’s Anderdaags, de tweede nieuwjaarsdag, ben ik weer gaan drinken. Bij het vallen van de avond ben ik thuisgekomen. Ik heb dan aan de vrouw van Leopold Ferron gevraagd of Anna thuis was, waarop die antwoorde “Zij gaat vertrekken met haar klederen. Ik heb daarop gezegd dat, indien ik nog iets van haar vond, ik het aan stukken zou scheuren.

Binnengekomen vond ik het nieuwe kleed van Anna, en ik heb het aan stukken gescheurd. Ik heb dat gedaan omdat zij de gewoonte had van weg te lopen als ik dronken was, en ook uit woede omdat dat met haar liefste in mijn huis voorgevallen was. Als vader kan ik zulke zaken in mijn huis niet toelaten.

’s Anderendaags vernam ik van mijn zoon Theodor dat Anna naar Meers in Holland was, om daar bij haar zuster te gaan wonen en om werk te zoeken als dienstmeid.

Ik heb haar dan een brief geschreven, waarin ik haar vroeg om terug te keeren, haar belovende dat zulks niet meer zou voorvallen, en alles langs de beide kanten te vergeven en vergeten. Ik gaf toe dat alles mijn fout was. Ik beloofde haar een nieuw kleed te kopen in de plaats van dat dat ik aan stukken gescheurd had. Ik vroeg haar om antwoord en liet haar deze brief bezorgen door de zestienjarigen Jan Voncken van Opgrimbie. Hij heeft de brief naar Meers gebracht, en is zonder antwoord teruggekeerd.

Op Driekoningen, de zesde, is mijn dochter met Jan Paulussen en haar broer Theodoor naar Opgrimbie gekomen, bij de ouders van Jan Voncken. Die is mij daarvan komen verwittigen. Een uur later is Anna met haar broer en Jan Paulussen naar huis gekomen. Ik heb haar toen in aanwezigheid van die personen weer gevraagd mij te vergeven. Daarop heeft zij mij gezegd dat alles vergeven was. Dan heb ik haar 100 frank voor haar aan stukken gescheurd kleed gegeven. Zij heeft die niet aangenomen, maar mij gevraagd die som in de kast te leggen, wat ik dan ook gedaan heb.

Ik heb toen aan Jan Paulussen en aan mijn dochter gezegd dat ze mogen trouwen en dat ze bij mij kunnen inwonen. We zouden de slaapkamer met een gordijn in tweeën kunnen delen. Daar hebben zij niet op geantwoord.

Dan zijn zij gedrieën weggegaan, naar het huis van Leopold Ferron.

Gisteren, zaterdag, is Anna terug naar huis gekomen terwijl ik op mijn werk was. Toen ik ’s middags rond vier uur thuiskwam en de deur opende, betrapte ik Anna met Paulussen. Hij zat met zijn handen onder haar rokken. Ik heb daar niets van gezegd. Ik ben thuis gebleven, heb gegeten en ik heb toen niet meer met Anna gesproken.

Intussen zijn mijn zoon Theodoor en Paulussen weggegaan om te gaan werken. Ik ben dan een rol tabak gaan kopen bij Louis Vrancken. In het buitengaan vroeg mijn dochter mij om haar een fles bier mee te brengen, wat ik gedaan heb. Ik ben rond 10 uur ’s avonds thuisgekomen en heb mij nog wat gewarmd aan de kachel, zonder een woord met haar te wisselen.

Rond 11 uur heb ik haar gezegd dat het tijd was om te gaan slapen. Ik ben naar bed gegaan en een half uur later is zij komen slapen.

Wij slapen in dezelfde kamer, in aparte bedden. Ik heb haar dan berispt over haar relaties met mannen en over haar liefdesbrieven die ik gevonden had. Zij wilde dat ik haar met rust liet. Haar misprijzend antwoord heeft mij woedend gemaakt. Ik ben uit mijn bed gesprongen, ik heb het strijkijzer van de plank aan de voet van mijn bed genomen, en ik heb er haar mee op het hoofd geslagen. Zij is recht gesprongen om zich te verweren. Worstelend zijn wij samen de trap naar de keuken afgerold. Daar heb ik in het donker de houweel genomen die tegen de deur stond, en woedend heb ik er haar mee op het hoofd geslagen.

Zij is dan gevallen, en toen ik weer kalm was heb ik haar opgenomen. Toen heb ik gemerkt dat zij dood was.

Ik ben dan als een gek naar het huis van Louis Vrancken gelopen. Ik heb hem gezegd dat ik mijn dochter doodgeslagen had en ik heb hem mijn geld en de sleutel van mijn huis gegeven. Dan heb ik hem gezegd dat ik mij gevangen ging geven en ik ben vertrokken.

Ik ben te voet naar Tongeren gegaan, ik heb gans de nacht gestapt en ben rond vijf uur aan de gevangenis gaan aanbellen, waar men mij geweigerd heeft. Toen het licht werd, rond half acht, ben ik mij bij de procureur des konings gaan aanbieden, die mij naar het politiebureau heeft gebracht.”

Als zijn ondervrager wil weten of hij zelf betrekkingen gehad heeft met zijn dochter, ontkent Alfons dat stellig. De agent De die hem ondervraagd heeft legt beslag op het hemd, de vest en de gilet van Conings, die met bloed besmeurd zijn en laat hem in de Tongerse gevangenis opsluiten.

Later die ochtend vraagt de procureur aan de onderzoeksrechter de verdachte aan te houden. Dezelfde dag gaan onderzoeksrechter Constant Van Langenaken en substituut-procureur Léon Hauben naar Opgrimbie om de plaats van de moord te onderzoeken en om zoveel mogelijk getuigen te ondervragen.

In Opgrimbie worden zij opgewacht door de bevelhebber van de rijkswachtbrigade van Rekem.

Eerst bezoekt het gezelschap de plaats van het misdrijf. Het slachtoffer ligt nog in een plas bloed op de keukenvloer. Haar hoofd is bedekt met wonden. Langs het lijk ligt een houweel met bloedvlekken. Ook op de muren zijn bloedvlekken te zien. In de kleerkast wordt het gescheurde kleed gevonden.

Op verzoek van de onderzoeksrechter onderzoekt dokter Ghinéau van Tongeren het lijk.

Daarna laat de onderzoeksrechter de woning sluiten. De deur en de venster worden verzegeld en de veldwachter van Opgrimbie krijgt opdracht de woning te bewaken.

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter in het gemeentehuis van Opgrimbie Theodoor Conings, de broer van Anna, en Jan Paulussen, haar lief.

Theodor Conings is 25 jaar oud, en hij werkt als mijnwerker in de mijn van Waterschei in Genk. Hij vertelt dat hij zaterdagmorgen rond half acht thuisgekomen is van zijn nachtwerk in Waterschei. Zijn vader is rond half vijf in de namiddag thuisgekomen van zijn werk in Eisden, waar hij als metselaar aan de slag is. Op dat moment lag Theodoor nog in bed. Rond zes uur is hij opgestaan om zijn avondmaal te eten. Zijn vader en Anna hadden toen al gegeten. Dan is hij weer naar de mijn vertrokken, zonder dat hij getuige geweest was van enige ruzie of woordenwisseling.

Pas toen hij zondagmorgen rond half acht weer thuiskwam, kreeg hij te horen wat er tijdens zijn afwezigheid gebeurd was. Over de feiten kan hij dus niets zeggen, maar hij kan wel vertellen over de sfeer in huis:

“Ons huishouden bestaat slechts uit mijn vader, mijn zuster en ik. Ik heb nog twee andere zusters, die in Holland wonen. De ene is getrouwd, de andere is dienstmeid.

Mijn vader verstond zich over het algemeen goed met Anna. Ik heb hen nooit horen ruzie maken, maar ik ben zelden thuis. In de zomer van 1920, toen ik in het leger was, hebben zij ruzie gehad. Anna vertelde mij dat vader haar klederen had willen verbranden. Ik weet niet waarover die ruzie ging.

Vader dronk veel. Als hij dronken is, is hij opvliegend.

Verleden dinsdagmorgen heb ik de klederen van Anna verscheurd in de kast gevonden. Ik heb ze haar getoond en daarop begon zij te wenen. Ik heb aan vader gevraagd waarom hij dat gedaan had, maar hij wilde daar niets over zeggen.

Anna is die dinsdag uit ons huis vertrokken en naar Vrancken of Ferron gegaan. De volgende dag is zij naar onze zus Maria in Meers in Nederland gegaan. Maria is getrouwd met Hubert Meuris.

Vorige donderdag heeft vader een brief geschreven voor Anna, waarin hij haar vroeg terug naar huis te komen. De volgende dag, vrijdag, is zij terug naar Opgrimbie gekomen. Zij is naar Ferron gegaan, en daar heeft zij de nacht van vrijdag op zaterdag doorgebracht.

Nadat zij mij die vrijdagavond bij Ferron de brief van vader had laten lezen, zijn wij samen met Jan Paulussen naar ons huis gegaan. Vader was toen thuis.

Vader heeft Anna goed onthaald en hij heeft haar vergiffenis gevraagd. Hij heeft ook vergiffenis gevraagd aan Paulussen, maar ik weet niet wat vader hem misdaan had. Dan is vader beginnen wenen. Ik ben dan vertrokken met Anna en Paulussen. Anna is toen in het huis van Ferron gaan slapen.

Zelf ben ik van bij Ferron naar mijn werk gegaan. Toen ik gisterenmorgen thuiskwam was ons huis gesloten, en ik ben naar Ferron gegaan. Anna was daar ook, en zij is mee naar huis gegaan om de kachel aan te steken en om eten te maken. Vader was toen al naar zijn werk. Ik heb geslapen van 1 tot 6 en toen ik opstond was vader terug van zijn werk.

Ik weet niet of Paulussen toen daar was, of dat hij naderhand binnengekomen is. Wij hebben met ons vieren samengezeten tot ik naar mijn werk moest vertrekken. Dat was rond 9 uur. Paulussen is samen met mij vertrokken, en hij is naar huis gegaan.

Vader en ik slapen in het bed dat links van de slaapkamerdeur staat. Anna sliep in het bed dat rechts staat. Ik heb nooit gemerkt dat vader zich aan Anna wilde vergrijpen. Zij heeft mij daar nooit over gesproken.”

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter Jan Paulussen. Paulussen en Anna hadden trouwplannen. Hij is 24 jaar, hij is dus 5 jaar ouder dan Anna en hij woont ook in Opgrimbie.

“ Toen ik gisterennamiddag rond half 3 naar Conings ging, trof ik Anna daar aan. Haar broer Theodoor lag toen nog in bed. Hij is rond half 6 opgestaan.

Ondertussen was haar vader rond half 4 binnengekomen. Ik zat toen naast Anna, langs de kachel. Haar vader heeft ons niet de minste opmerking gemaakt. Ik ben daar gebleven tot 9 uur. Dan ben ik met Theodoor vertrokken. Hij is naar zijn werk gegaan, en ik ben naar huis gegaan. Er is die namiddag en die avond geen ruzie gemaakt. Er is gisteren overigens ook niets onzedigs gebeurd tussen Anna en mij.

In het verleden heb ik twee keer met Anna gevrijd. De eerste keer was op 23 oktober 1921, toen wij terugkeerden van de kermis in Lanklaar. Anna heeft mij nooit gezegd dat zij dacht zwanger te zijn. Ik heb nooit gemerkt dat haar vader zou getracht hebben zich aan haar te vergrijpen. Zij heeft mij daar ook nooit iets van gezegd.

Ik heb nooit gehoord dat Anna en haar vader ruzie hadden. Maar ongeveer een jaar geleden heeft zij mij wel gezegd dat zij ruzie met hem had. Zij heeft mij niet gezegd waarover die ruzie ging, maar het is toen dat zij naar haar zuster in Nederland gegaan is.

Volgens mij was de relatie van Anna met haar vader goed. Hij wist dat ik met haar verkeerde en hij had mij al gezegd dat ik met haar mocht trouwen.

Haar vader was dikwijls dronken. Dan was hij zeer opvliegend. Gisterenavond was hij absoluut niet dronken.

Een week geleden, op zondag, was ik met Anna bij Louis Vrancken. Haar vader is daar toen dronken binnengekomen en hij heeft haar verweten. Hij zegde onder andere “Gij zijt een loeder!” Dat woord versta ik niet en ik weet niet waarom hij dat zegde. Anna en ik hebben dan het huis van Vrancken verlaten, en zij is de nacht gaan doorbrengen bij haar tante, de echtgenote Ferron. Zij heeft mij gezegd dat haar vader de volgende dag haar klederen verscheurd heeft.

Vorige dinsdag is Anna naar haar zuster in Meers gegaan en vrijdagavond is zij teruggekomen. Ik heb haar toen bij haar tante gezien en zij heeft mij gezegd dat zij een brief van haar vader gekregen had, waarin die haar vroeg terug naar huis te komen.

Ik kan mij niet voorstellen waarom Alfons Conings zijn dochter vermoord heeft.

Vrijdagavond heeft Conings aan Anna en aan mij vergiffenis gevraagd. Ik denk dat hij dat deed omdat hij haar kleren verscheurd had.”

Terug in Tongeren ondervraagt de onderzoeksrechter Alfons Conings. Conings bekent opnieuw dat hij zijn dochter vermoord heeft. Over de reden daarvoor zegt hij:

“Een drietal weken geleden ben ik gaan vermoeden dat Anna zwanger was, maar ik heb haar daar niet over aangesproken. Ik ben ervan overtuigd dat zij zwanger is van Jan Paulussen. Ik ben er zeker van dat zij met elkaar vrijden. Ik heb dat begrepen toen ik hen afluisterde toen zij buiten mijn huis stonden te praten. Dat is gebeurd op het einde van september of het begin van oktober 1921. Mijn dochter zegde toen onder meer dat haar maandstonden uitbleven.

Op nieuwjaarsdag stond ik buiten mijn huis toen ik binnen de tafel en stoelen hoorde verschuiven. Daar heb ik uit afgeleid dat zij binnen aan het vrijen waren.

Ik heb de kleren van Anna aan stukken gescheurd omdat de vrouw van Ferron mij gezegd had dat Anna met haar kleren wilde vertrekken.”

Voorts verduidelijkt hij dat Anna in haar bed lag toen hij haar de eerste slag met het strijkijzer gaf. Hij ontkent ten stelligste dat hij zich ooit aan zijn dochter zou vergrepen hebben.

De volgende dag, 9 januari, gaan de onderzoeksrechter en zijn griffier, vergezeld door substituut-procureur Leon Hauben, terug naar Opgrimbie. Daar geeft de onderzoeksrechter aan landmeter Voets van Tongeren de opdracht om schetsen te maken van de plaats van het misdrijf.

Dan gaat het gezelschap naar het gemeentehuis, waar zij Marie Voncken, Leopold Ferron, Marie Nelissen, Louis Voncken, Marie Dexters en Catharine Dexters ondervragen.

Marie Voncken is de 37-jarige echtgenote van Hubert Warson. Zij is huishoudster en zij is de zus van de overleden echtgenote van Alfons Conings, en dus de tante van zijn kinderen:

“Ik weet niets over de betichtingen tegen Alfons Conings. Pas gisterenmorgen, rond 7 uur, toen ik met mijn man naar de mis ging, heb ik over de moord gehoord.”

Voorts zegt zij dat zij sinds de dood van haar zus nog weinig contact heeft met Alfons Conings en zijn kinderen.

Leopold Ferron is een 55-jarige grondwerker. Hij is getrouwd met Marie Nelissen, die de weduwe is van Willem Voncken, de overleden broer van de echtgenote van Alfons Conings. Hij woont in de buurt van Conings. Hij bevestigt wat hij eerder aan de rijkswachters van Rekem verklaarde, en voegt daar bij:

“In september of oktober 1920 heb ik gezien dat Alfons Conings een paar schoenen van Anna en een koekenpan uit zijn huis de straat op wierp. Anna liep daarop het huis uit, naar mijn tuin, waar ik aardappelen uitdeed. Zij zegde niets, maar zij weende. Ik heb haar gevraagd waarom zij uit het huis vluchtte. Eerst antwoordde zij daar niet op, maar toen ik aandrong en vroeg of het niet was omdat haar vader een echtgenote zou moeten hebben, bevestigde zij dat. Zij voegde daaraan toe dat zij moest vluchten als zij niet toeliet dat hij zich aan haar vergreep. Ik heb haar toen aangeraden haar vader te verlaten en werk te zoeken als dienstmeid. Twee of drie dagen later is zij naar Maastricht vertrokken, naar haar oom. Na drie of vier dagen is zij naar haar vader teruggekeerd. Zij heeft mij daar later niet meer over gesproken, maar iedereen in de gemeente wist dat Alfons Conings zich aan zijn dochter vergreep.

Verleden zondag, rond half elf ’s avonds, heeft Anna mij gezegd dat zij schrik had van haar vader. Kort daarna is haar vader bij mij binnengekomen. Anna was er met Jan Paulussen. Alfons is naar haar toe gegaan en zegde “Voor mij op, naar mijn huis, hier is de sleutel, en gij gaat mij de deur opendoen!” Anna is naar buiten gegaan en haar vader is haar gevolgd. Toen Jan Paulussen haar wilde vergezellen heeft Coninx gezegd “Dat is mijn meisje en niet het uwe, en gij blijft hier!”

Anna is weggelopen en ik heb haar pas een uur later teruggezien, toen zij in mijn huis kwam vragen of ik wist waar haar vader was. Ik heb haar gezegd dat ik haar vader naar zijn huis gebracht had.

Rond 12 uur zijn Anna en Jan Paulussen bij mij teruggekomen. Paulussen kwam zijn fiets halen, die in huis stond. Zij zijn toen samen vertrokken. Anna zegde dat zij in het huis van Jan Paulussen ging slapen.

’s Anderdaags, 2 januari, rond acht uur ’s morgens, is Anna alleen naar mijn huis gekomen. Zij heeft mij gezegd dat zij de nacht doorgebracht had in het huis van Jan Paulussen en dat zij naar Holland ging om werk te zoeken als dienstmeid. Kort daarna heeft zij mijn huis verlaten en ’s anderdaags is zij naar Holland vertrokken.

Dinsdag 3 januari is Alfons Conings in mijn huis geweest toen ik afwezig was. Sedert verleden maandag heb ik hem niet meer gezien, behalve toen hij vrijdag rond 6 uur ’s morgens de brief gebracht heeft die hij aan zijn dochter geschreven had om haar te vragen terug te komen.

Anna is vrijdagavond uit Nederland teruggekomen. Zij is eerst bij ons binnengekomen. Mijn stiefzoon Jan Voncken is Alfons gaan verwittigen. Hij antwoorde dat Anna en haar broer en Jan Paulussen tot bij hem moesten komen en dat Anna daarna weer bij ons kon komen slapen.

Gisterenavond en vanmorgen heeft Jan Paulussen mij gezegd dat hij niet wist dat Anna zwanger was en dat hij niet wist dat Conings zich aan haar vergreep. Hij voegde er aan toe dat als hij dat vermoed had, hij Anna verplicht zou hebben bij haar vader weg te gaan.”

Marie Nelissen is de echtgenote van Leopold Ferron, en de weduwe van Willem Voncken. Marie is 44 jaar en huishoudster. Zij is niet van plan de weduwnaar van haar overleden zus te sparen. Maar eerst verbetert zij de verklaringen van haar man:

“Anna is niet vorige maandag bij ons geweest, maar wel dinsdag. Zij had ons zondagavond gezegd dat zij in het huis van Jan Paulussen ging slapen. Dinsdag is zij bij ons geweest en toen heeft zij mij gezegd dat zij de nacht van zondag op maandag bij Paulussen had doorgebracht en die van maandag op dinsdag bij Louis Vrancken. Zij is pas woensdag naar Nederland vertrokken, en niet dinsdag zoals mijn man per vergissing verklaard heeft.

Vorige maandag is Alfons ’s morgens bij ons geweest en hij heeft gevraagd waar Anna was. Ik heb hem geantwoord dat zij zondagavond bij ons vertrokken was en dat zij zegde dat zij wegging. Hij antwoordde daarop: “Ik zal het u maar zeggen: zij is zo vol als een eikel.” Dinsdag heb ik Anna gevraagd of zij zwanger was. Zij heeft dat ontkend, en gezegd dat haar vader dat zegde als hij dronken was.

Vrijdagavond heb ik haar dezelfde vraag gesteld, en haar gezegd dat haar zwangerschap zichtbaar was. Toen heeft zij mij bekend dat het waar was. Ik heb haar niet gevraagd van wie zij zwanger was. Ik dacht dat het van Paulussen was en daarom heb ik haar aangeraden zo snel mogelijk te trouwen. Zij heeft mij geantwoord dat zij zouden trouwen zodra zij een huis zouden hebben.

Anna heeft mij maar één keer gezegd dat haar vader zich aan haar wilde vergrijpen. Dat is bijna anderhalf jaar geleden, toen mijn man en ik in onze tuin aardappelen uitdeden. Alfons heeft mij daar nooit iets over gezegd. Anna was bang voor haar vader. Verschillende keren is zij thuis komen slapen.

Conings was een onbeschofte kerel. Vorige maandag zag hij bij ons een ketel zonder hengel en zegde toen: “Hoer, kom mijn ketel maar halen.” Toen hij mij vorige maandag zegde “Anna is zo vol als een eikel”, voegde hij daaraan toe “Och, zij heeft dat ding toch niet alleen om uit te pissen!”

De 40-jarige winkelier Louis Vrancken is een dag eerder al door de rijkswachters ondervraagd. Hij blijft bij wat hij toen verklaard heeft, maar hij is bereid om alles te vertellen wat hij over Anna en haar vader weet:

“Een jaar geleden is Anna Conings naar Nederland gegaan, naar Maastricht waar haar oom Jacob Vrancken woont. De vrouw van Vrancken heeft mij gezegd dat Anna toen ruzie had met haar vader. Uit wat de vrouw vertelde maakte ik op dat Conings zich aan zijn dochter wilde vergrijpen. Anna heeft mij daar zelf nooit over gesproken.

Anna Conings verkeerde sinds ongeveer anderhalf jaar met Jan Paulussen. Haar vader wist dat en was daar tevreden mee.

Zolang ik Conings ken, is hij een dronkaard. De mensen in de gemeente meden hem omdat hij, als hij dronken was, tot alles in staat was. Ik heb nooit gemerkt dat hij de vrouwen naliep of hen lastigviel.

Veel mensen in de gemeente menen dat Alfons Conings betrekkingen had met zijn dochter Anna. Toen het nieuws over de moord hier gisteren rondging, werd dikwijls gezegd dat dat zo wel moest aflopen.”

Marie en Catherina Dexters zijn vriendinnen van Anna. Zij zijn 25 en 29 jaar oud en wonen met hun ouders tegenover de familie Conings. Zij vertellen de onderzoeksrechter wat zij weten over Anna en haar vader. Marie komt als eerste aan het woord:

“Ik wist niet dat Anna zwanger was. Vorig jaar in februari vertelde Anna dat zij weer ruzie had met haar vader. Haar vader meende dat zij betrekkingen had met Jan Paulussen, zoals hij haar verplichtte met hem betrekkingen te hebben. Wij hebben daar niet op geantwoord en wij hebben dat aan niemand verteld, zelfs niet aan onze ouders, omdat wij bang waren voor Alfons Conings. Hij was dikwijls dronken en werd aanzien als een gevaarlijke kerel.

Toen ik vernam dat Anna vermoord is, dacht ik dat het daarmee te maken heeft. De mensen zijn hier in het algemeen niet verwonderd over wat er gebeurd is.”

Catherina herhaalt wat haar zus gezegd heeft, en voegt er aan toe:

“Ik heb Anna Conings altijd als een fatsoenlijk meisje beschouwd. Ik heb nooit iets over haar gedrag horen zeggen. Ik heb haar ook nooit vuile praat horen vertellen. Ik beschouw haar als een slachtoffer van haar vader.”

Op dinsdag 10 januari reizen de onderzoeksrechter, zijn griffier en substituut-procureur Hauben weer naar Opgrimbie. Daar geeft de onderzoeksrechter opdracht aan dokter Ghinéau van Tongeren en dokter Humblé van Rekem om in het gemeentehuis een lijkschouwing uit te voeren op het lijk van Anna Conings. Daarna wordt het lijk gekist en de kist wordt verzegeld en vrijgegeven om begraven te worden.

Daarna ondervraagt Jacob Voncken, diens echtgenote Catherina Nelissen, en Elisa Conings, een zus van Anna.

Jacob Voncken is een broer van de overleden moeder van Anna. Hij is 44 jaar, steenbakker, en woont aan de Tongerse Steenweg in Maastricht. Hij vertelt wat er anderhalf jaar eerder gebeurd is, toen Anna bij hem haar toevlucht kwam zoeken:

“Toen Anna Conings in augustus 1920 enkele dagen bij ons doorgebracht heeft, heeft mijn vrouw mij verteld dat Anna haar gezegd had dat haar vader probeerde betrekkingen met haar te hebben. Ik heb haar daarover aangesproken, en zij heeft mij dat bevestigd. Bijzonderheden heeft zij mij niet gegeven, en ik heb ook niet naar gevraagd. Dan heb ik Conings bij mij in huis geroepen. Ferron was toen ook aan het werk op de brikkenoven. Mijn vrouw en Ferron waren erbij toen ik tegen Conings zegde dat ik gehoord had dat zijn dochter ook zijn vrouw moest zijn. Hij heeft mij toen niet geantwoord. Sinds toen heb ik niet meer met Anna of haar vader gesproken.

Alfons is altijd een dronkaard geweest, van jongs af aan. Als hij gedronken had was hij driftig. Toen hij met mijn zuster getrouwd was, zijn mijn moeder en ik en mijn broers dikwijls moeten tussenkomen om zijn vrouw en kinderen in leven te houden terwijl hij zijn loon opdronk.

Ik beschouwde Anna als een fatsoenlijk meisje en ik heb nooit iets over haar gedrag of haar eerlijkheid horen zeggen. Maar ik ben al 12 jaar uit Opgrimbie weg en ik heb zo goed als geen contact meer met Alfons Conings en zijn familie. Ik aanzie Anna als een slachtoffer van haar vader. Ik hoop dat hij nooit meer terug in Opgrimbie zal komen.”

Catherina Nelissen is de 41-jarige echtgenote van Jacob Voncken. Zij is ook afkomstig van Opgrimbie. Zij bevestigt de getuigenis van haar man.

Elisa Conings is de derde persoon die op 10 januari ondervraagd wordt. Zij is de 23-jarige zus van Anna en woont in Beek in Nederland, waar zij als dienstmeid aan het werk is. Zij heeft hetzelfde meegemaakt als Anna:

In augustus 1920, toen Anna enkele dagen bij Jacob Voncken verbleef, was ik dienstmeid in Amby. Daar heeft zij mij toen bezocht. Zij heeft mij toen gezegd dat zij gevlucht was omdat zij ruzie had met vader, en dat die probeerde zich aan haar te vergrijpen. Zij verzekerde mij dat hij daar niet in gelukt was, hoewel hij dreigde haar dood te slaan als zij hem afwees.

Ongeveer twee en een half jaar geleden ben ik omwille van gelijkaardige feiten thuis weggegaan. Op een zondagvoormiddag was ik alleen met hem in huis. Toen ik naar de slaapkamer ging, volgde hij mij. Hij heeft mij vastgegrepen en op het bed geworpen. Hij heeft getracht mij te verkrachten, maar omdat ik mij verzette en schreeuwde heeft hij mij losgelaten. Eerder, en sedertdien ook nog, heeft hij mij verschillende keren gevraagd hem te laten begaan. Ik heb nooit toegegeven.

Enkele weken nadat vader mij op het bed geduwd had, ben ik vertrokken. Met Anna heb ik toen niet gesproken over wat er gebeurd was, en ik denk niet dat zij ervan wist.”

Gewapend met de getuigenissen over de gebeurtenissen van augustus 1920 ondervraagt de onderzoeksrechter Conings weer op woensdag 11 januari. Die houdt vol dat hij nooit getracht heeft om betrekkingen te hebben met zijn dochter:

“In 1920 was mijn zoon in het leger. Op het einde van juli, twee of drie dagen voor kermis in Opgrimbie, die plaats heeft op zondag na Sint-Christoffel, is hij voor 10 dagen in verlof gekomen. In die tijd sliep ik in het kleine bed en Anna in het grote. Ik heb overigens altijd in dat bed geslapen, met mijn vrouw toen zij nog leefde en nadien met mijn zoon. Toen hij thuiskwam stelde hij voor het grote bed voor ons tweeën te nemen en Anna in het kleine bed te laten slapen. Zo is dat drie of vier nachten gegaan, tot en met kermiszondag.

Op kermismaandag was ik erg dronken toen mijn zoon mij ’s avonds thuisbracht. Ik ben toen met het hoofd op de tafel in de keuken in slaap gevallen. ’s Nachts ben ik wakker geworden en ik ben naar de slaapkamer gegaan. Uit gewoonte, en terwijl ik nog dronken was, wilde ik in het kleine bed gaan liggen, waar Anna toen in sliep. Anna is dan beginnen te schreeuwen en zij is uit het bed gesprongen. Dan ben ik in het andere bed gaan liggen, bij mijn zoon.

De volgende zaterdag vond ik Anna niet meer thuis toen ik ’s avonds van mijn werk kwam. Mijn zoon was die dag ook vertrokken, omdat zijn verlof voorbij was. Die avond zegde de vrouw van Ferron mij dat Anna waarschijnlijk naar mijn dochter in Meers gegaan was. Ik werkte toen in Maastricht, bij mijn schoonbroer Jacob Voncken. ’s Woensdag of ’s donderdags heb ik aan zijn vrouw gevraagd of Anna daar in huis was. De volgende morgen heb ik daar met Anna gesproken. Zij heeft mij niets verweten en ook niet gezegd waarom zij vertrokken was. Ik heb haar toen gevraagd bij mij terug te komen. Toen ik ’s zaterdags terugkwam van mijn werk, zegde de vrouw van Ferron mij dat Anna in Meers was, bij mijn dochter daar.

Dezelfde avond ben ik haar daar gaan vinden. Ik heb er met Anna, met haar zus en met de man van haar zus gesproken. Anna heeft gezegd dat zij de volgende dag, zondagavond, weer naar huis zou komen. Dat heeft zij ook gedaan.

Eén van de dagen waarop Anna bij Voncken was, heeft Jacob Voncken mij verweten dat ik met Anna wilde aanhouden. Ik heb geantwoord “Kobe, zwijg daar maar van, dat is gelogen.”

Het is niet waar dat ik  geprobeerd heb betrekkingen te hebben met mijn dochter Elisa. Zij heeft mijn huis verlaten in augustus 1919 om als meid in Maastricht te gaan werken. Sedertdien woont zij niet meer bij ons. De enige reden voor haar vertrek, is dat er bij ons geen werk was voor twee meisjes.”

Op vraag van de onderzoeksrechter spreken twee rijkswachters van Rekem op 13 januari in Opgrimbie met verschillende personen over het gedrag van Anna. De mensen die ondervraagd worden zijn het er over eens dat er op het gedrag van het meisje niets aan te merken viel. Vuile praat vertelde zij niet en jongens nalopen deed zij ook niet. Het was in Opgrimbie bekend dat zij een relatie had met Jan Paulussen en dat de twee trouwplannen hadden.

Eén van de ondervraagden is Josephine Mechels, de 40-jarige echtgenote van Mathieu Wampers. Zij voegt aan haar verklaring over Anna enkele woorden toe over Elisa:

“Ik weet dat Elisa Conings veel met Duitse militairen liep gedurende de oorlog. Na de oorlog hebben Belgische militairen haar de haren afgesneden. Maar van Anna weet ik niet het minste slecht te zeggen.”

Nicolaas Jessen is de 63-jarige pastoor van Opgrimbie. Hij zegt het zo:

“Het gedrag van Anna Conings is altijd redelijk goed geweest. Ik heb nooit kwaad horen spreken over het meisje. Het is altijd een braaf en oppassend meisje geweest. Maar haar zuster Elisa heeft zich gedurende de oorlog zeer slecht gedragen. Na de oorlog is dat wel beter geworden. Ik denk dat hun vader Alfons Conings zijn dochters bedorven heeft en hen veel slechts geleerd heeft.”

Tot nu toe heeft de onderzoeksrechter de bekentenis van Alfons Conings over de doodslag op zijn dochter Anna. Over de reden blijft hij vaag: hij heeft blijkbaar zijn zelfcontrole verloren toen hij met haar een gesprek probeerde aan te gaan over de vraag of zij al dan niet zwanger was.

Maar er is ook de stellige bewering van Anna’s zus Elisa, dat haar vader enkele jaren eerder vruchteloos trachtte haar in zijn bed te krijgen. Verschillende mensen in de onmiddellijke omgeving van het huishouden Conings getuigen dat Anna hen over soortgelijke voorvallen verteld heeft, waarbij Anna aangegeven zou hebben dat de pogingen van haar vader in haar geval niet vruchteloos gebleven zijn. Bovendien is uit de lijkschouwing gebleken dat Anna sinds vijf en een halve maand zwanger was.

Een week later, op 21 januari, ondervraagt de onderzoeksrechter in zijn kantoor in Tongeren Anna’s broer Theodoor en Jan Paulussen.

Theodoor Conings blijkt verrassend weinig te weten van wat er thuis omging:

“Ik heb nooit gemerkt dat Anna zwanger was. Een week voor haar dood heeft Louis Vrancken mij verteld dat hij dat had horen zeggen. Op zaterdag 7 januari was ik ’s avonds thuis met vader, Anna en Jan Paulussen. Toen heb ik een gelegenheid gezocht om haar alleen te spreken. Ik heb haar toen gevraagd of het waar was. Zij begon toen te wenen en zij ontkende zwanger te zijn.

Elisa heeft mij nooit gezegd dat vader probeerde betrekkingen met haar te hebben. Ik heb daar nooit iets van gehoord. Anna heeft mij daar ook nooit over gesproken. Ik denk wel dat Anna bang was van vader.

Ik heb nooit met Anna in één bed geslapen. Ik sliep met vader in het kleine bed. Ook als ik nachtdienst had, sliep ik ’s middags in het kleine bed.

Het is niet waar dat ik voorgesteld heb met vader in het grote bed te slapen. Toen ik in 1920 een tiental dagen verlof uit het leger had, heb ik gedurende 5 of 6 dagen in Winterslag gewerkt en daar geslapen.

Ik weet niet of mijn vader eens bij vergissing ’s nachts bij het bed waarin Anna sliep geweest is. Zij heeft mij daar nooit over gesproken.

Elisa heeft mij op 10 januari, nadat zij door u ondervraagd was, verteld dat vader vroeger met haar betrekkingen had willen hebben, en dat zij daarom thuis weggegaan is.”

Jan Paulussen houdt vol dat hij en Anna niet vaker dan twee keer gevreeën hebben, en voor het eerst op 23 oktober 1921.

Nog een week later, op 28 januari, ondervraagt de onderzoeksrechter in zijn kantoor in Tongeren Hubert Meuris, de echtgenoot van Marie Conings, de oudste zus van Anna, pastoor Jessen van Opgrimbie, burgemeester Dexters, Maria Crijns en Louis Vrancken.

Hubert Meuris is de schoonzoon van Alfons Conings. Hij is getrouwd met zijn oudste dochter Marie en het gezin woont bij Elslo in Nederland. Hij spreekt opvallend genuanceerd over zijn schoonvader:

Op maandag 2 januari, toen ik in de namiddag van mijn werk thuiskwam, zegde mijn vrouw mij dat zij bezoek gehad had van haar broer Theodoor. Die had verteld dat vader Conings erg lastig was en dat Anna dikwijls bij de buren zat. Op 3 of 4 januari is Anna rond ’s middags bij ons binnengekomen. Ik heb haar niet gevraagd waarom zij thuis weggegaan was, en zij heeft dat ook niet gezegd. Toen ik op 6 januari thuiskwam van mijn werk zegde mijn vrouw dat Anna weer naar huis was. Jan Voncken had haar een brief van haar vader gebracht.

In de zomer van 1920 heeft Anna het ouderlijk huis ook verlaten. Zij bleef toen enkele dagen bij Jacob Voncken in Maastricht. Zij is toen ook enkele dagen bij ons geweest voordat zij terug naar Opgrimbie ging.

Anna Conings heeft mij nooit gezegd dat haar vader haar lastigviel. Ook van Elisa heb ik zoiets nooit gehoord.

Mijn vrouw zegde wel dat haar vader dikwijls teveel dronk en dat hij dan opvliegend was. Om de zes weken bezocht hij ons. Soms gebeurde het dat wij samen naar een herberg gingen en een glas bier dronken. Meer dronken wij dan niet. Ik bezocht hem even vaak in Opgrimbie. Dan dronken wij samen een fles bier in zijn huis. Ik ben sinds vijf jaren getrouwd, en al die tijd heb ik hem niet dronken of opvliegend gezien. Hij was altijd fatsoenlijk.”

Pastoor Jessen bevestigt dat Alfons Conings in Opgrimbie bekend staat als een moeilijke man en dat Anna een braaf kind was. Hij kan niet bevestigen dat Conings zijn dochters lastigviel. Burgemeester Constant Dexters sluit zich aan bij de verklaring van de pastoor.

Anna Crijns is de moeder van Maria en Catherina Dexters, de vriendinnen van Anna. Zij houdt zich op de vlakte en zegt niets te weten over het gedrag van Alfons tegenover zijn dochters of over het gedrag van Anna. Ook Louis Vrancken weet niets meer te vertellen dan wat hij eerder al verklaard heeft.

Op 1 februari ondervraagt de onderzoeksrechter Leopold Ferron. Hij zegt dat Anna hem gezegd heeft dat haar vader haar lastigviel en dat zij hem afwees sinds zij met Jan Paulussen verkeerde.

Op 4 maart spreekt de onderzoeksrechter weer met Alfons Conings. Die houdt vol dat hij nooit betrekkingen gehad heeft met Anna.

Maria Conings wordt op 14 maart ondervraagd door de rechter-commissaris in Maastricht. Dat levert geen nieuwe informatie op.

Op 12 april verwijst de Raadkamer bij de Rechtbank te Tongeren Alfons Conings naar de procureur-generaal in Luik. Op 24 mei verwijst de Kamer van Inbeschuldigingstelling in Luik Alfons Conings naar het Hof van Assisen.

Op 3 juli 1922 wordt de zaak in Tongeren behandeld. Dezelfde dag verklaart de jury Alfons schuldig aan de moord op zijn dochter. Het hof veroordeelt hem tot 15 jaar dwangarbeid.