Moord in Zutendaal 1989

Vandaag gaan wij meer dan een eeuw terug in de tijd. In december 1889 wordt de gemeente Zutendaal opgeschrikt door een moord.

In het oosten van de gemeente, vlakbij de grens met Opgrimbie, woonden de kinderen van het echtpaar Aerden-Goossens in de woning die zij van hun moeder geërfd hadden. Hun moeder heette Agatha Goossens. Na het overlijden van haar man had zij in de heide bij de grens met Opgrimbie een stuk grond gekocht van de gemeente. Daarop had zij een lemen woning laten bouwen. Na haar overlijden hadden haar drie kinderen, Pieter, Margaretha en Lambert de woning van hun moeder in drie gedeeld. Als je voor het huis stond, lag links het deel van Pieter Aerden. Hij is in 1889 49 jaar en bewoont zijn deel van het huis met zijn echtgenote en hun kinderen. Zijn echtgenote is de 44-jarige Christina Hamaekers. Zij hebben vier kinderen. Het middendeel van het huis is aan Margaretha Aerden toegewezen. Zij is getrouwd met Hubert Crijns en op het moment van de feiten is zij 45 jaar. Hubert Crijns is in 1889 39 jaar. Zijn huwelijk met Margaretha Aerden is zijn tweede huwelijk. Hij is de weduwnaar van Anne Catherine Daniëls. Hij heeft vier kinderen. Het rechtse deel van het huis is van Lambert Aerden. Lambert is ongehuwd en is meestal bij zijn zus Margaretha te vinden.

De families Aerden en Crijns moeten de kost verdienen op de arme heidegrond en hebben het niet breed. Alle beetjes helpen om de eindjes aan elkaar te knopen. Een van de dingen die zij doen, is bijen oppassen. In de zomer en de herfst, als veel andere bloemen uitgebloeid zijn, bloeit de heide. Imkers uit de verre omgeving brengen hun bijen aan het einde van de zomer naar Zutendaal om ze daar op de heide stuifmeel te laten verzamelen. Daarvoor plaatsen ze tientallen bijenkorven bij de woningen van heidebewoners. Voor het oppassen van de bijen krijgen de mensen die op de heide wonen 10 centiemen voor iedere bijenkorf die zij onder hun hoede hebben.

Bijen die het goed doen, die veel honing verzameld hebben en talrijk zijn, hebben de neiging nieuwe bijenkoninginnen groot te brengen, en zich dan in twee groepen te verdelen. De helft van de bijen blijft dan in de korf, en de andere helft vliegt samen met de nieuwe koningin uit, op zoek naar een andere plaats om zich te vestigen. Zo een groep van duizenden uitvliegende bijen noemt men een zwerm. Imkers moeten hun bijen steeds in het oog houden, om als een zwerm uitvliegt, die zo snel mogelijk weer in een korf op te vangen. De mensen op de heide die er in slagen een zwerm te korven, krijgen van de imker waarvan zij de bijen oppassen 50 centiemen voor iedere ingekorfde zwerm.

Zowel Pieter Aerden als zijn schoonbroer Hubert Crijns passen bijen op. Pieter Aerden past op de bijen van Adam Schellings uit het Nederlandse Eysden. Hubert Crijns past op de bijen die Jerome Liebens uit Val-Meer bij hem geplaatst heeft.

Pieter en zijn schoonbroer leven in onenigheid omwille van een meningsverschil over de deling van het huis en de grond van hun moeder en schoonmoeder. De deling is nog niet definitief bij de notaris geregeld en beide mannen vinden dat de andere daarvoor verantwoordelijk is. Daar komt nog bij dat zij in augustus van dat jaar ruzie gekregen hebben over drie zwermen bijen. Die bijen zijn uitgevlogen op een dag dat Hubert niet thuis was, en Pieter heeft die uitgevlogen zwermen in twee korven opgevangen. Pieter beschouwt de bijen in de twee korven als de zijne, terwijl Hubert van oordeel is dat minstens één daarvan aan hem toebehoort, omdat die bijen uitgevlogen zijn uit één van de korven waar hij op let. De spanning tussen de twee schoonbroers wordt in de herfst van 1889 steeds groter. Ook Lambert, de broer van Pieter, wordt dat gewaar. Hij heeft een geweer, dat in normale omstandigheden gebruikt wordt om te schieten bij de schutterij van Wiemesmeer. Omdat hij vreest dat de spanningen zouden kunnen uitbarsten, brengt hij zijn geweer naar de woning van zijn baas, Weytjens, die een kleine twee kilometer verder, op het grondgebied van Opgrimbie woont.

In de namiddag van dinsdag 3 december 1889 loopt het mis. Die namiddag wordt bij de rijkswachtbrigade in As een briefje van de burgemeester van Zutendaal afgegeven. In het met potlood geschreven briefje vraagt hij de commandant van de brigade om zo snel mogelijk naar Heiwyck in Zutendaal te komen, waar Pieter Aerden die namiddag doodgeschoten is.

Het is vijf uur als twee rijkswachters ter plaatse zijn. De burgemeester van Zutendaal vertelt hen Hubert Crijns die namiddag rond 2 uur zijn schoonbroer Pieter Aerden doodgeschoten heeft.

Ter plaatse treffen de rijkswachters Henri Aerden, de 19-jarige zoon van het slachtoffer. Hij verklaart:

 “Vandaag, rond 2 uur in de namiddag, zijn de heer Adam Schellings en zijn zoon hun bijen komen halen die zij op 5 augustus op onze grond geplaatst hadden. Toen zij weer op weg naar huis waren, is Crijns hen tegemoet gekomen. Hij dreigde hen dood te schieten als ze niet terugkeerden met de bijen. Schellings en zijn zoon zijn dan samen met Crijns teruggekomen. Vader zag hen terugkomen, en ging hen samen met mij tegemoet.

Toen vader bij Schellings kwam, vroeg hij hem waarom hij terugkeerde. Schellings antwoordde dat Crijns hem verplicht had rechtsomkeer te maken met zijn bijen.

Daarop heeft vader tegen Crijns gezegd “Indien gij wilt schieten, schiet dan maar.” Crijns heeft daarop zijn geweer in de richting van mijn vader gehouden en hem door het hart geschoten. Vader is dadelijk gevallen.

Schellings en zijn zoon hebben de bijen weer afgeladen en zijn vertrokken. Crijns is naar zijn huis gegaan. Onderweg is hij moeder tegengekomen, die het schot gehoord had en die gezien had dat vader neergevallen was. Crijns zegde haar dat zij nu kon gaan bedelen of gaan stelen. Toen moeder bij vader kwam, was hij al dood.”

Nadat zij de verklaring van de zoon van het slachtoffer hebben opgenomen, gaan de rijkswachters Crijns in zijn woning arresteren. Crijns geeft toe dat hij zijn schoonbroer van op een afstand van circa 6 meter doodgeschoten heeft. Hij verklaart dat hij al lange tijd ruzie had met zijn schoonbroer en hij verwijt de rijkswachters dat er geen gevolg gegeven is aan de klacht die hij op 5 augustus indiende bij de rijkswacht in As. Die klacht had te maken met de bijen die Crijns en Aerden op de heide uitzetten. Dan laten de rijkswachters hem vertellen wat er die dag gebeurd is:

“Vandaag kwamen Adam Schellings en zijn zoon uit Eijsden in Holland de twee bijenkorven ophalen waarover ik deze zomer een proces heb ingespannen tegen Pieter Aerden. Die zaak is nog niet uitgesproken. De kwestie gaat over twee korven, waarin Aerden drie zwermen had opgevangen. Die zwermen behoren mij toe, en niet aan Aerden. Ik heb Aerden verboden ze mee te nemen, maar hij wilde ze mij niet laten en hij deed de korven door Schellings opladen. Rond 1 uur ben ik naar de woning van Jan Weytjens gegaan. Die ligt op een 20-tal minuten van waar wij wonen. Ik ben daar het geweer van mijn schoonbroer Lambert Aerden gaan halen. Die werkt daar. Ik kwam terug langs de weg die Schellings moest volgen om weer naar huis te gaan. Een paar maanden geleden heb ik dat geweer met één kogel geladen om op kraanvogels te schieten. Bij Weytjens was alleen het dochtertje Maria in huis. Ik vroeg haar of het geweer nog geladen was, maar dat kon zij mij niet zeggen. Het geweer stond in de hoek van de schouw. Ik nam het op, keek of het nog geladen was, en nam het mee in de richting van mijn huis. Op ongeveer 150 meter van mijn huis kwam ik Schellings tegen. Hij had de twee bijenkorven op een kar geladen. Ik zegde tegen Schellings dat hij die korven onmiddellijk moest terugzetten. Schellings keerde dadelijk terug maar Pieter Aerden verzette zich daartegen. Hij wilde dat zij de korven meenamen. Ik zegde hem dat ik hem overhoop zou schieten als hij de korven niet terug op de plaats liet zetten waar ze opgenomen waren. Mijn schoonbroer bleef naderbij komen en daagde mij uit dat ik niet durfde te schieten. Toen hij nog een aantal meters van mij af was heb ik het geweer opgeheven en ik heb geschoten. Hij heeft toen nog enige stappen gezet en viel dan neer. Op dat moment wist ik niet of hij dood was. Ik ben dan naar mijn huis gegaan. Dan ben ik naar de burgemeester gegaan om hem te zeggen dat ik op mijn schoonbroer geschoten had. Ik beken dat ik vrijwillig op hem geschoten heb, uit boosheid over de bijenkwestie, iets waarover wij voortdurend ruzie hadden.”

In de woning van Crijns nemen de rijkswachters ook het geweer in beslag, waarmee hij Pieter Aerden doodgeschoten heeft.

Samen met de burgemeester onderzoeken de twee rijkswachters het lijk. Zij menen te zien dat de kogel het hart van Aerden geraakt heeft. Daarna laten zij het lijk naar de woning van de familie Aerden brengen.

Daar ondervragen de rijkswachters Christina Hamaekers, de weduwe van Pieter Aerden. Zij verklaart:

“ Vandaag zijn Schellings en zijn zoon hun bijen komen ophalen. Zij hebben die in augustus bij ons geplaatst. Voordat zij de bijen opgeladen hebben, is Schellings bij Crijns langsgegaan om hem zijn deel te betalen. Crijns beweerde dat de bijen hem alleen toebehoorden. Schellings is dan terug bij mij gekomen, zeggend dat de bijen van hem waren, en hij heeft ze op zijn kar geladen. Rond 2 uur is hij er mee vertrokken. Enkele ogenblikken later kwamen zij al terug. Mijn man zag door het venster dat zij terugkeerden en is hen tegemoet gegaan. Mijn zoon Henri volgde hem. Dan heb ik een geweerschot gehoord en door het venster zag ik hoe mijn man neerviel. Ik ben naar hem toe gelopen, maar toen ik bij hem kwam, was hij al overleden. Dan heeft Crijns op mij geroepen: “ Nu kunt gij gaan bedelen of gaan stelen”, en is hij met zijn geweer zijn huis in gegaan.”

Dan willen de rijkswachters weten wat burgemeester Cops van Zutendaal over de zaak kan zeggen:

“Deze namiddag, rond 3 uur, is Crijns mij komen zeggen dat hij een uur eerder op zijn schoonbroer Pieter Aerden geschoten had, en dat hij niet wist of hij nog leefde. De reden waarom hij geschoten heeft is een kwestie over bijen, waarover de rijkswachters van As al een proces-verbaal opgemaakt hebben. Samen met mijnheer pastoor ben ik ter plaatse gegaan. Aerden was al dood. Ik heb dan dadelijk de gendarmerie in As verwittigd.”

De rijkswachters nemen Crijns mee naar de gendarmerie in As.

Pas de volgende morgen, op woensdag 4 december, sturen de rijkswachters van As een telegram naar Tongeren, om het parket op de hoogte te brengen van wat er in Zutendaal gebeurd is.

Zodra hij het telegram ontvangen heeft, vraagt de procureur aan onderzoeksrechter  Arsène Coart om ter plaatse te gaan uitzoeken wat er gebeurd is. De onderzoeksrechter reist eerst naar As. In de rijkswachtkazerne daar, ondervraagt hij Crijns:

 “Ik beken vrijwillig op mijn schoonbroer geschoten te hebben, met een geweer waarvan ik wist dat het met een kogel geladen was. Ik heb dat gedaan omdat mijn schoonbroer Pieter Aerden drie zwermen bijen gestolen had, die toebehoren aan Jerôme Liebens, kleermaker in Val-Meer. Liebens had sinds de maand juli bij mij 40 à 60 korven bijen staan. Ik moest die bijen verzorgen en opletten als ze zwermen. Dan moest ik de zwermen in korven vangen. Voor dat werk kreeg ik 10 centiemen per korf. Voor iedere zwerm die ik in een korf zette kreeg ik 50 centiemen. Op 17 september, de feestdag van Sint-Lambertus, worden de bijen door hun eigenaars opgehaald.

Mijn schoonbroer Pieter Aerden had ongeveer 70 korven die hij oppaste. Die zijn van Adam Schellings van Eysden in Nederland. Mijn bijen hebben gezwermd. Eén zwerm heeft zich aan een struik geplaatst. Twee anderen hebben zich op de heide op de grond gezet. Mijn vrouw heeft dat gezien. Toch is mijn schoonbroer daarop bijgekomen. Hij heeft de eerste zwerm in een korf gedaan, en de twee andere zwermen samen in één korf. Mijn vrouw heeft hem toen gezegd dat niet te doen, en dat er proces-verbaal tegen hem zou opgesteld worden. Hij heeft die bijen toch meegenomen en ze bij zijn korven gezet. Ik heb dat gemeld bij de rijkswacht in As, voorlopig zonder resultaat. Toen Schellings in september zijn bijen is komen ophalen, heb ik hem gezegd dat die twee korven mij toebehoren. Hij heeft ze toen laten staan, maar hij zegde ook dat hij Aerden in deze zaak steunde en dat hij van oordeel was dat de bijen van hem waren. Gisteren is hij dan die twee korven komen halen. Schellings was vergezeld door zijn zoon. Hij is eerst bij Pieter Aerden en dan bij mij geweest. Wij hebben samen ieder twee druppels gedronken, die hij betaald heeft. Dan zegde hij mij dat hij de bijen kwam ophalen. Ik antwoordde dat hij dat kon doen, maar dat het de zijne niet waren. Daarop is hij vertrokken. Ik ben dan ook vertrokken. Ik ben naar Weytjens gegaan, om daar het geweer, dat daar geladen stond, te halen. Ik wilde hem beletten de bijen mee te nemen. Ik ben dan met het geweer naar de bijenhal gegaan.

Dan ben ik Schellings en zijn zoon tegengekomen, die de twee korven op hun hondenkar geladen hadden om ze mee naar huis te nemen. Ik heb Schellings gezegd de bijen terug te zetten waar hij ze had opgenomen. Nadat ik aangedrongen had, zegde hij dat hij ze zou terugzetten. Daarop heeft Schellings zijn kar gedraaid en is samen met mij in de richting van mijn huis gegaan. Op ongeveer 150 meter van mijn huis kwam mijn schoonbroer ons tegen. Hij was nog op 100 meter van ons toen hij riep dat Schellings de bijen moest meenemen. Ik vroeg hem of hij dat nog eens durfde te zeggen, en toen hij dat inderdaad deed heb ik het geweer gericht. Toen hij riep “Schiet maar als gij durft!”, heb ik geschoten. Ik stond toen 5 of 6 meter van hem af. Ik heb het geweer toen naar huis gedragen en ben dan de zaak gaan aangeven bij de burgemeester.

Ik leef sinds 5 of 6 maanden in onenigheid met mijn schoonbroer, omdat hij door mijn veld vaart op plaatsen waar hij dat niet mag. Omwille van die kwestie van de bijen was ik bijzonder kwaad. Mijn schoonbroer heeft mij 5 jaren lang geplaagd, op allerlei manieren, zelfs door mij bij de rijkswachtcommandant te beschuldigen van diefstal.”

Na de ondervraging houdt de onderzoeksrechter Crijns aan. De rijkswachters van As nemen hem formeel in hechtenis en brengen hem naar de gevangenis in Tongeren.

Dan gaat de onderzoeksrechter naar Zutendaal, waar hij zich de woning van Crijns laat aanwijzen. Daar stelt hij vast dat de woningen van Pieter en Lambert Aerden en van Hubert Crijns eigenlijk delen van hetzelfde huis zijn. Crijns woont in het midden, tussen het gezin van Pieter en Lambert Aerden, die alleen woont. De hoeve Weytjens ligt circa 1.750 meter van de woning van Aerden. Landmeter Pascal Sweek krijgt opdracht een plan van de omgeving op te maken.

In opdracht van de onderzoeksrechter voeren de geneesheren Vanormelingen van Tongeren en Landmeters van Genk een lijkschouwng uit.

Op donderdag 5 december ondervraagt de onderzoeksrechter in zijn kantoor in Tongeren verschillende getuigen, waaronder Lambert Aerden en de pastoor van Zutendaal.

Lambert Aerden verklaart:

Sedert vier of vijf jaren leven Crijns en mijn broer in onenigheid. Dat heeft te maken met de deling van moeders goed. Zij zijn over die deling zelfs bij de vrederechter in Bilzen geweest! Crijns maakte mijn broer dikwijls uit voor schelm. Zijn vrouw heeft dat vandaag nog tegen de weduwe van mijn broer gezegd. Crijns zegde niet wat mijn broer gestolen zou hebben. Verschillende keren was ik erbij al zij ruzie hadden. Die ruzie ging bijna altijd over de grond. Ik trek mij die zaak niet aan en ik weet niet wie gelijk of ongelijk had. In augustus zag ik op een dag, toen ik uit het bos kwam, dat er drie bijenzwermen waren: een aan een boom en twee samen op de heide. Ik weet niet van welke korven die kwamen. Mijn broer heeft ze in twee korven verzameld omdat dat op dat ogenblik noodzakelijk was. Hierover ontstond dadelijk twist tussen Crijns en zijn vrouw en mijn broer. Crijns en zijn vrouw beweerden dat de zwermen van hun bijen voortkwam. Mijn broer beweerde dat twee zwermen uit zijn korven gevlogen waren, en een uit een korf van Crijns. Hierover is dikwijls gediscussieerd, maar dreigementen heb ik niet gehoord. De derde december was ik bij Weytjens op Heiwyck.

De kinderen Hamaekers zijn mij komen roepen. Zij zegden dat mijn broer iets gekregen had, maar zij wisten niet wat. Weytjens en ik zijn samen komen zien en zo heb ik mijn broer dood aangetroffen. Ik ben niet verwonderd over hetgeen er gebeurd is. De haat van Crijns voor mijn broer was erg. Mijn broer van zijn kant, liet Crijns lopen en sprak niet tegen hem.”

Alphonse Van Roy was destijds pastoor van Zutendaal. Hij is 38 jaar oud en verklaart:

“Van horen zeggen weet ik dat er soms onenigheid was tussen de families Crijns en Aerden. Het ging om prullerij. Op 3 december was ik ’s middags bij de burgemeester toen Hubert Crijns daar plots binnenliep en riep “Burgemeester, ik moet u hebben.” En tegen mij “ En de pastoor ook. Er is een ongeluk gebeurd op Heiwyck.” Wij vroegen wat er gebeurd was, waarop hij antwoordde “Dat komt met die bijen. Ik heb mijn schoonbroer doodgeschoten.” Ik ben dan naar de woning van Aerden gelopen, en heb hem levenloos aangetroffen op de weg. Zijn vrouw stond toen bij hem.”

Op 13 december ondervraagt de onderzoeksrechter in zijn bureau in Tongeren de eigenaars van de bijen. Eerst spreekt hij met Jerôme Liebens, de 41-jarige kleermaker uit Val-Meer, die 40 korven bij Crijns in bewaring gegeven heeft:

“Volgens gebruik ben ik dit jaar met een veertigtal korven naar de Kempen gegaan. Ik heb ze bij Hubert Crijns gebracht. Volgens mij waren er drie korven bij die moesten zwermen. Daarvoor had ik vier lege korven meegenomen.

De derde augustus heb ik de bijen gebracht. Maandag 5 augustus is Crijns mij komen zeggen dat de drie korven gezwermd hadden in zijn afwezigheid, maar dat zijn vrouw het gezien had. De volgende dag ben ik bij Crijns geweest. Ik heb mijn korven gecontroleerd en vastgesteld dat er drie gezwermd hadden. Pieter Aerden heeft mij toen binnengeroepen en hij vroeg mij wat ik gezien had. Ik antwoordde dat drie korven gezwermd hadden en dat Crijns en zijn vrouw mij gezegd hadden dat hij ze had afgedaan en ze niet wilde teruggeven. Hij antwoordde mij “ Wat ik heb, dat houd ik.” Ik antwoordde hem dat ik de wet wilde laten toepassen.

Crijns is dan naar de gendarmerie in As gegaan. Intussen is Leonard Kallen, de bijenman van Eysden in Nederland, met zijn bijen aangekomen. Ik heb hem gevraagd mijn korven te controleren. Hij heeft dat gedaan en heeft ook vastgesteld dat drie korven gezwermd hadden. Op mijn verzoek heeft hij ook de korven van Schellings gecontroleerd. Daarbij heeft hij vastgesteld dat geen van die korven gezwermd had. Dan is Crijns teruggekomen, zeggend dat de gendarmen proces-verbaal zouden opmaken. Toen ik in september naar de bijen ging kijken, zegde Crijns dat het proces-verbaal opgemaakt was.

Op 20 september ben ik mijn bijen gaan terughalen. Terwijl ik ze oplaadde vroeg Pieter Aerden mij “Wat gaan wij nu doen met de zwermen?” Hij stelde voor dat er één voor mij was en twee voor Schellings. De drie zwermen zaten in twee korven. Ik antwoordde hem dat ik het door de wet wilde laten regelen. Wij hebben dan mijn bijen opgeladen en de twee betwiste korven daar gelaten. Sedertdien heb ik niets meer van de zaak gehoord en er met niemand over gesproken.

Men betaalt voor de bijen 10 centiemen plaatsgeld en 50 centiemen per zwerm.”

Dan mag Adam Schellings, de 52-jarige werkman uit Eysden die zijn bijen bij Pieter Aerden had gezet, vertellen wat hij over de zaak weet:

Volgens een lang gebruik heb ik dit jaar mijn bijen – het gaat om 70 korven – bij Pieter Aerden in Zutendaal geplaatst, toen daar de heide bloeide. Ik had het gevoel dat enkele korven zouden kunnen gaan zwermen, en daarom had ik drie lege korven meegenomen en die bij Aerden achtergelaten. Enkele dagen na het plaatsen kreeg ik bezoek van Aerden, die mij zegde dat twee korven gezwermd hadden. Terzelfder tijd was er ook een derde zwerm, die van de andere bijenman scheen te zijn en die zich bij een van mijn zwermen schenen gevoegd te hebben. Hij verzocht mij ter plaatse te komen om die zaak op te lossen. Ik antwoordde dat ik het zwermen niet gezien had en dat ik er dus niets over kon zeggen. Ik zegde dat hij het maar moest regelen met de andere belanghebbende. Daarop zegde hij dat de vrouw van Crijns alles wilde hebben.

Na veertien dagen of drie weken ben ik weer naar de bijen gaan kijken. Ik heb de zwermen waarover kwestie was in twee korven langs de mijne zien staan. Crijns heb ik hierover niet gesproken. Ik heb hem niet gezien. Aerden zegde mij toen op stellige wijze dat niemand iets aan die zwermen te zeggen had en dat het de onze waren. Ik antwoordde dat hij het maar moest weten.

Op 24 november kreeg ik een postkaart van Aerden. Daarop heb ik mijn dochter een brief laten schrijven. Van het weghalen van de 70 bijenkorven in september weet ik niets. Mijn zoon Martinus en mijn broer Jan hebben dat gedaan. Voor het bewaken en verzorgen van de bijen betaal ik Aerden 10 centiemen per korf. Per zwerm had ik hem 50 centiemen beloofd.

Op 3 december ben ik met mijn zoon Martinus naar Zutendaal gegaan om de twee korven op te halen. Ter plekke ben ik eerst bij Aerden binnengegaan. Hij bevestigde dat het mijn korven waren. Toen ik zegde dat ik tot bij Crijns zou gaan, zegde hij dat dat niet nodig was, en dat Crijns daar niets aan te zeggen had. Ik ben dan toch naar Crijns gegaan en zegde hem wat ik kwam doen. Crijns beweerde dat die bijen mij niet toebehoorden. Toen ik zegde dat Aerden vond dat ze wel van mij waren, haalde hij de schouders op. Dan heb ik de zaak nog eens bij Aerden besproken, en ondertussen dronken wij koffie. Door het venster zag ik toen dat Crijns zijn huis uit liep, naar de weg van As naar Lanaken. Dat is de weg waarlangs wij gekomen waren en waarlangs wij moesten terugkeren. Toen de bijen geladen waren, hebben wij afscheid genomen van Aerden, die aan zijn huis bleef. Op de weg gekomen, op ongeveer 150 passen, zagen wij opeens Crijns uit het bos komen met een geweer. Toen hij op enige passen van ons was richtte hij het geweer en riep naar mijn zoon dat hij terug moest met de bijen, of dat hij zou schieten. Daarop maakten wij rechtsomkeer in de richting van het huis. Toen zagen wij Aerden van het land naar de weg lopen terwijl hij riep “Vaart maar terug, het zijn onze bijen!”
Crijns zegde daarop “Wat zegt gij daar?” en schoot dadelijk op Aerden. Aerden viel op de grond en Crijns liep in de richting van zijn woning. De zoon van Aerden is toen bijgekomen. Mijn zoon en ik hebben de bijen teruggezet. Toen heb ik de vrouw Aerden naar haar man zien lopen. Wij zijn dan terug naar huis gegaan. Aerden, mijn zoon en ik droegen geen wapen.”

Om zeker ook een wettig verkregen getuigenis van Adam Schellings in het dossier te hebben vraagt de onderzoeksrechter in Tongeren zijn collega, de rechter-commissaris in Maastricht, om Adam Schellings ook te ondervragen en hem een verslag van de ondervraging te bezorgen. Die ondervraging vindt plaats op 4 januari. Schellings vertelt aan de Nederlandse magistraat in grote lijnen hetzelfde als wat hij eerder aan de Belgische onderzoeksrechter verklaarde.

Op 11 januari is de onderzoeksrechter weer in Zutendaal. Hij ondervraagt er Hendrik Aerden, de zoon van Pieter, en de echtgenote van Crijns. Hendrik vertelt:

“Ik en Martinus Schellings laadden de twee bijenkorven op de hondenkar toen ik zag dat mijn oom Crijns zijn huis verliet. Toen vader en zoon Schellings vertrokken waren, zag moeder door het venster de bijenman terugkomen en zegde dat tegen vader. Hij antwoordde “Ik zal eens gaan zien wat dat is, of er iets aan de bijen of aan hen gebeurd is.”

Kort daarna ben ik uit nieuwsgierigheid ook naar buiten gegaan. Vader riep dan “Schellings, wat is er?”, Adam Schellings antwoordde dat Crijns gedreigd had hem dood te schieten en hem gedwongen had de bijen terug te brengen. Vader vroeg “Waar is Crijns?” Hij stond bij de dennen, waardoor wij hem niet konden zien. Schellings wees toen naar Crijns en zegde “Daar staat hij.” Crijns kwam toen twee of drie stappen vooruit, en vader zegde “ Dan schiet maar als gij durft.” Crijns zegde “Daar dan, daar hebt gij het.”, hij legde aan en schoot. Crijns is dan recht naar huis gegaan. Vader had geen stok of enig ander wapen. Ik ook niet.”

De echtgenote van Hubert Crijns is Margaretha Aerden. Zij is de zus van het slachtoffer. De onderzoeksrechter ondervraagt haar over de verhouding tussen haar man en haar broer:

“Er scheelde wat wegens de deling van ons goed, waarover mijn broer zich weigerachtig toonde, maar er was geen echte vijandschap tussen ons. Over die deling zijn wij drie keer bij de vrederechter in Bilzen geweest, voor het laatst in de zomer. De vrederechter heeft ons naar een landmeter gestuurd. Mijn man is toen bij Olaerts in Genk geweest. Die zegde dat hij de meting zou doen zodra hij daarover een brief van ons allen kreeg. Dat is er niet van gekomen. Ik weet niet waarom. En toen de zaak van het zwermen van de bijen is voorgevallen, is de vijandschap uitgebarsten en is er geen kwestie meer geweest van de opmeting. Al ons goed, nog ongedeeld, was belast met een rente aan de gemeente Zutendaal. Het deel van de rente die op mijn deel betrekking had, hebben wij afgelost. Mijn broer en zijn vrouw lieten mij niet gerust. Ik bedoel dat zij mij niet over hun deel lieten gaan, alhoewel er niets verdeeld was en er nog geen limieten tussen de delen waren vastgesteld.”

In een brief van 24 januari 1890 aan de onderzoeksrechter legt burgemeester Cops van Zutendaal uit hoe het zit met de grond van de familie Aerden:

“De eigendom van de families Aerden en Crijns werd op 26 maart 1874 van de gemeente Zutendaal gekocht door Agatha Goossens, de weduwe van Arnold Aerden. Na de dood van Agatha Goossens werd de eigendom verdeeld tussen haar drie kinderen Pieter, Lambert en Margaretha Aerden, zonder dat er daarover een akte werd opgesteld. De koopprijs van 400 frank was toen nog niet betaald. In 1883, voor haar huwelijk met Hubert Crijns, betaalde Margaretha haar aandeel van 133,34 frank. Pieter legde in 1889 75 frank af op zijn aandeel. Lambert heeft noch zijn aandeel van de koopprijs, noch intrest daarop betaald.”

Op 15 februari ondervraagt de onderzoeksrechter Jan Weytjens. Crijns had het geweer waarmee het fatale schot gelost werd, uit zijn woning gehaald:

“Tot 25 november 1889 werkte Lambert Aerden soms bij mij. ’s Avonds, na het werk, ging hij naar huis. Hij woont langs Crijns. ’s Zondags en op andere dagen waarop hij niet bij ons was, at hij bij de familie Crijns. Op 25 november heb ik hem in volle dienst genomen. Sindsdien ging hij enkel op zaterdagavond naar huis en op maandagmorgen kwam hij weer werken. Op 2 december had hij een geweer bij. Ik heb hem niet gevraagd waarom hij dat geweer meebracht, en hij heeft er niets over gezegd. Hij heeft ook niet gezegd dat het geladen was. Niemand van mijn gezin heeft dat geweer in handen gehad.

De volgende dag was ik rond één uur met mijn vrouw op zolder. Lambert Aerden werkte in de beestenstal en mijn dochter Marie was in de keuken bezig. Toen is Marie bij ons gekomen en zegde dat Crijns het huis was ingekomen, het geweer genomen had en er mee naar buiten gegaan was. Zij had hem gevraagd wat hij ging doen, waarop hij antwoordde “Ik ga een broodschelm van de wereld af helpen.” Wij dachten dat hij een hond of een haas ging doodschieten. Kort daarna zijn de meisjes van Hamaekers mij en Lambert komen roepen. Zij zegden dat Crijns Pieter Aerden doodgeschoten had. Wij zijn ter plaatse gegaan, en na enkele ogenblikken bij het lijk gestaan te hebben, zijn wij de woning van Crijns binnengegaan. Ik vroeg hem “Wat hebt gij nu aangevangen?”

Hij antwoorde “Nu is het in een keer gedaan.” Lambert zegde “Maar nu zullen zij u ook vinden”, sprekende van de justitie. Uit zijn antwoord op mijn vraag bleek dat hij een einde gemaakt had aan het geschil over de bijen. Hij had daar dikwijls over gesproken. Hij hoopte op een goede uitslag van de klacht die hij in augustus had ingediend bij de rijkswacht in As. Hij verweet Pieter Aerden een schelm te zijn, omdat hij die zwermen gehouden had. Volgens mij is dat de reden waarvoor hij Aerden doodgeschoten heeft. Ik heb de vrouw Crijns toen niets horen zeggen. Zij was bezig met haar werk. Crijns was haastig van aard, maar rechtvaardig in zijn handel en wandel.”

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter Lambert Aerden. Lambert is 40 jaar, en werkt als knecht op de boerderij van Weytjens:

 “Als ik niet bij Weytjens werkte, liep ik in en uit bij Crijns. Hij heeft het geweer in de maand oktober geladen met één kogel in de rechter loop. De linkse loop was sinds lang kapot. Hij had het geweer geladen om op de kraanvogels te schieten, die toen passeerden. Crijns had die kogel zelf gemaakt. Mijn broer maakte dat soort kogels ook. Hij goot ze in potaarde. Het gebeurde dat mijn broer in het gehucht Wiemesmeer bij de schutterij op de vogel schoot. Hij gebruikte dan meestal mijn geweer, met de rechter loop. Hij had zelf een geweer met een enkele loop. Maar dat ketste dikwijls en daarom gebruikte hij liever het mijne. Ik leen mijn geweer uit aan wie het wil voor vogelschieten.

Mijn broer had het geweer geladen maar ik heb het hem niet zien gebruiken. Daardoor wist ik dat het nog geladen was toen ik het bij Weytjens bracht. Ik heb het bij Weytjens in een hoek gezet, bij het kamertje waar ik sliep. Wie binnenkwam, zag het staan. Bij Crijns stond het ook open in een hoek. Crijns moet dus geweten hebben dat ik het daar weggenomen had en meegenomen had naar Weytjens.

Crijns en mijn broer waren altijd aan het muilvechten over de deling van de grond. Ik bemoeide mij daar niet mee. Crijns heeft mijn broer en mij bij de vrederechter in Bilzen geroepen, maar daar is niks van gekomen. De vrederechter stuurde ons naar een landmeter en notaris. Mijn broer is dan naar de landmeter gegaan en dan wilde Crijns weer niet. Ik heb Crijns mijn broer eens horen bedreigen; “Ik zal dich verdig krijgen!” Daaruit verstond ik dat hij hem iets wilde aandoen. Daarom heb ik het geweer meegenomen.

Sedert het voorval gaat mijn zus door met de weduwe van mijn broer te beschimpen en haar te verwijten voor schelmennest. Ik trek mij dat niet aan. Sinds het voorval kom ik niet meer bij mijn zus. Ik breng de zondagen bij de weduwe van mijn broer door. Dan hoor ik de beschimpingen, maar wij antwoorden niet.”

Op 27 februari 1890 verwijst de raadkamer in Tongeren de zaak naar de procureur-generaal bij het hof van beroep in Luik. De kamer van inbeschuldigingstelling te Luik verwijst de zaak op 3 maart 1890 naar het hof van assisen. Hubert Crijns wordt beschuldigd van moord. Het assisenhof komt bijeen op 17 maart 1890. Raadsheer Lodewijk Clooten van Luik zit het hof voor. Diezelfde dag nog antwoordt de jury twee keer ‘ja’ op de vragen of Hubert Crijns een doodslag gepleegd heeft op Peter Aerden en of hij dat met voorbedachtheid gedaan heeft. Hubert Crijns wordt veroordeeld tot levenslange dwangarbeid.