Minderjarige meisjes verkracht in Sint-Truiden 1923

De Criminel, 826: verkrachtingen in Sint-Truiden,1923

Voor deze zaak gaan we precies 100 jaar terug in de tijd. Als een bezorgde moeder zich in juli 1923 bij de politie in Sint-Truiden beklaagt over het gedrag van een 15-jarig meisje in de vriendenkring van haar 17-jarige zoon, start de politiecommissaris een onderzoek. Al snel volgen de bekentenissen elkaar op. Er blijken ook steeds meer jongeren bij de zaak betrokken te zijn. Na enkele dagen komt de zaak bij de onderzoeksrechter in Hasselt terecht. Als hij de zaak ter harte neemt, neemt die nog grotere proporties aan.

Is Sint-Truiden het Sodom en Gomora van 1923? Is het werkelijk zo dat meisjes van amper twaalf jaar hier door familieleden en zogezegde vrienden met regelmaat misbruikt worden? Of is er iets anders aan de hand? Wat er ook van zij, feit is dat minder dan een half jaar na de aangifte die de aanleiding vormt voor het onderzoek, twee minderjarige jongens uit Sint-Truiden zich in Tongeren voor het assisenhof moeten verdedigen tegen beschuldigen van verkrachtingen van meisjes van minder dan 14 jaar en aanslagen op de eerbaarheid van meisjes onder de 16 jaar.

De zaak gaat aan het rollen op zaterdag 28 juli 1923. Die dag is marktdag in Sint-Truiden. Carolien Abeels is de echtgenote van Albert Rollé en de moeder van de 17-jarige Henri Rollé. Het gezin woont aan de Tiensevest in Sint-Truiden. Henri werkt als arbeider in een ijzergieterij. Die zaterdag spreekt Carolien een bevriende politieagent aan en klaagt dat de 15-jarige dochter van Henri Rietjens uit de Broeksteeg een slechte invloed uitoefent op haar zoon. Zij zouden samen slechte zaken uitgezet hebben.

De agent spreekt zijn commissaris aan over hetgeen Carolien Abeels hem verteld heeft. En hoewel Henri Rollé bij de politie van Sint-Truiden niet bepaald een vlekkeloze reputatie geniet – de jongen werd eerder al door de vrederechter in Sint-Truiden en door de correctionele rechtbank te Hasselt veroordeeld voor onder andere stroperij – beslist de commissaris niet Rollé, maar wel het meisje waarover de moeder van Rollé klaagt, aan de tand te voelen.

Het meisje in kwestie is de 15-jarige Louisa Rietjens. Louisa heeft een oudere broer en vijf jongere broertjes en zusjes. Haar ouders laten de kinderen meestal aan hun lot over. Van het weinige geld dat de ouders verdienen, besteden zij maar een klein deel aan de zorg voor hun gezin. Het huishouden leeft in armoede en de zorg voor de kleine kinderen rust grotendeels op de vroegwijze Louisa. Commissaris Joseph Neys geeft opdracht het meisje op te halen voor verhoor. Wat het meisje te vertellen heeft, doet bij de commissaris alle alarmbellen tegelijk afgaan.

Louisa vertelt dat zij een veertiental dagen eerder op de stadsvesten aan Tichelrij seks had met Henri Rollé. Rollé drong zich aan haar op, maar zij heeft zich niet tegen hem verzet, mede omdat haar broer Jean het gebeuren vanop een afstand zat te bekijken. Jean Rietjens, de broer van Louisa, is ook een goede bekende van commissaris Neys. De jongen is 18 jaar en is mijnwerker. Hij heeft ondanks zijn jonge leeftijd al veroordelingen door de vrederechters van Sint-Truiden en van Waremme op zijn palmares staan. Louisa houdt het meest opmerkelijke deel van haar verklaring voor het laatste. Ze besluit haar getuigenis met de opmerking dat zij wel weet dat zij niet het eerste lief is van Henri Rollé. Zij had immers eerder al gezien dat Henri seks had met Marie Vanrutten.

Marie Vanrutten is ook geen onbekende voor commissaris Neys. Marie is de 13-jarige dochter van Jean Vanrutten. Het gezin Vanrutten woont aan de Slagmolenstraat. Net zoals de ouders van Rollé en die van Rietjens, zijn Jean Vanrutten en zijn vrouw leurders die dagelijks de markten doen en zelden thuis zijn. Hun kinderen moeten voor een groot stuk zelf hun plan trekken.

De commissaris schrikt als hij hoort dat in zijn stad een kind van 13 misbruikt wordt. Hij laat Marie naar het politiekantoor brengen. Eerst wil hij weten waar zij nu verblijft. Het meisje vertelt dat zij sedert drie weken in dienst is bij Alexis Dorissen, die de kermissen afreist met zijn schommels. Zij slaapt in de woonwagen van Dorissen. Zij bevestigt dat zij de laatste maand twee keer seks had met Henri Rollé:

“Op een avond in de week van 8 tot 15 juli, in de kermisweek van Sint-Marten, ik weet de dag niet meer, wandelde ik met mijn broer Pierre, met Jean en Louisa Rietjens en met Henri Rollé op de Kazernevest. Het was rond half elf en er was nog wat maanlicht. Wij zaten samen in de graskant toen Henri Rollé mij vroeg of hij nu eens mocht. Ik heb niet geantwoord. Hij stiet mij op mijn rug, kwam langs mij liggen en deed zijn broek open. Ik heb mij niet verzet. Integendeel: ik trok mijn kleed en mijn hemd omhoog en liet hem begaan. Gisterenavond 27 juli, ben ik met Rollé op de vesten aan Tichelrij gaan wandelen. Daar hebben wij weer seks gehad.”

Nu al twee minderjarige meisjes aangegeven hebben dat zij de laatste maand seks hadden met Henri Rollé, vindt de commissaris dat het tijd is om ook de jonge casanova aan de tand te voelen. In eerste instantie beweert Rollé dat de meisjes hebben zitten liegen, maar als de commissaris hem met Louisa en Marie confronteert, slaat hij door:

“De feiten die voor drie weken en ook gisterenavond op Tichelrij voorgevallen zijn, zijn precies gebeurd zoals Louisa Rietjens en Marie Vanrutten het u gezgd hebben. De feiten van voor 14 dagen op de Kazernevest zijn ook gebeurd zoals Marie Vanrutten ze u verteld heeft.”

Met die woorden heeft Rollé toegegeven dat hij zich vergepen heeft aan een 13-jarige, wat voor de wet betekent dat hij haar verkracht heeft, en aan een meisje tussen 14 en 16 jaar, wat voor de wet een aanranding van de eerbaarheid betekent. Maar daarmee houdt Rollé niet op:

“Voordat ik op Tichelrij seks had met Louisa Rietjens, had haar broer Jean tegen mij gezegd: “Kom hier, ik zal het u eens voordoen, dan kunt gij het ook.” Hij heeft toen zijn zuster misbruikt en zegde toen “Probeer gij nu ook eens.”

Als de commissaris Louisa en Jean Rietjens confronteert met de verklaring van Rollé, dan ontkennen zij diens versie van de feiten.

Ondertussen heeft de commissaris ook Pierre Vanrutten, de 15-jarige broer van Marie, laten ophalen. Hij ondervraagt de jongen over de gebeurtenissen op de Kazernevest in de week van Sint-Martenkermis:

“Veertien dagen geleden was ik met mijn zus Marie, met Henri Rollé en met Louisa en Jean Rietjens rond 11 uur ’s avonds op de Kazernevest. Rollé heeft daar seks gehad met mijn zus, zoals zij u verteld heeft. Jean Rietjens en ik waren enkele stappen verder doorgegaan. Louisa Rietjens zat langs Rollé op het gras. Jean Rietjens zegde toen tegen Louisa: “Laat die jongen nu ook eens met u meegaan”, terwijl hij op mij duidde. Ik begreep heel goed wat hij bedoelde, maar ik heb geantwoord dat ik nog veel te jong ben om met een meisje mee te gaan, en dat zij daar ook te jong voor is.”

Tenslotte ondervraagt de commissaris ook de 18-jarige Jean Rietjens. Hij bevestigt wat Pierre Vanrutten al verklaarde:

“Voor 14 dagen heb ik op de Kazernevest gezien dat Henri Rollé met Marie Vanrutten op het gras lag. Rollé zat met zijn handen onder haar rokken. Meer heb ik niet gezien want ik ben daar weggegaan.

Ik beken dat ik tegen mijn zuster Louisa gezegd heb “Ga gij nu maar eens mee met Pierre Vanrutten.” Ik zegde dat omdat Vanrutten haar dat dikwijls vroeg. Ik wist goed wat hij van plan was, maar ik wist ook dat mijn zuster hem niet zou hebben laten begaan. Ik was op de vesten bij Tichelrij toen Henri Rollé daar seks had met Louisa. Zij stonden toen recht tegen een boom. Ik heb hen niet op de grond zien liggen.”

De commissaris vraagt Jean Rietjens ook hoe het er thuis aan toe gaat:

“Sinds meer dan een jaar slaap ik niet meer met mijn zuster. Toen ik twee jaar geleden uit het gesticht in Lummen kwam, moest ik met mijn zuster in hetzelfde bed slapen omdat wij geen ander bed hadden. Ik beken dat ik mijn zuster in die tijd soms misbruikte.”

Daarmee sluit commissaris Neys zijn onderzoek voor die dag af. Op maandag 30 juli maakt hij een verslag op van de ondervragingen en stuurt dat naar de procureur in Hasselt. Daarbij vestigt hij de aandacht van de procureur op de zedeloosheid in het gezin Rietjens. Vader en moeder Rietjens houden niet het minste toezicht op hun kinderen, zo weet de commissaris. De twee oudste zonen zijn jaren eerder al door de kinderrechter in een instelling geplaatst. Vader Rietjens is al meermaals tot een gevangenisstraf veroordeeld omdat hij zijn kinderen uit school houdt. Twee meisjes uit het gezin, zij zijn 12 en 9 jaar oud, worden geregeld door de politie aangetroffen als zij ’s nachts om elf uur of half twaalf nog staan te bedelen bij de herbergen en cinema’s. Bij de familie Vanrutten gaat het er niet anders aan toe, meldt de commissaris nog.

In Hasselt neemt de procureur de zaak ernstig. De volgende dag, dinsdag 31 juli, vraagt hij de onderzoeksrechter een onderzoek in te stellen tegen Henri Rollé en Jean Rietjens. De eerste verdenkt hij van aanranding op de eerbaarheid van de 13-jarige Marie Vanrutten en van de 15-jarige Louisa Rietjens. Jean Rietjens verdenkt hij van aanranding van zijn zus Louisa.

Het is rechter Xavier Bijvoet van de rechtbank in Hasselt die door de rechtbankvoorzitter aangeduid wordt om het onderzoek te voeren. Op maandag 13 augustus is hij in Sint-Truiden, waar hij Louisa en Jean Rietjens, Henri Rollé en Marie en Pierre Vanrutten ondervraagt.

Louisa Rietjens vertelt het verhaal over haar ontmoeting met Henri Rollé op Tichelrij nu anders dan aan de politiecommissaris. Zij vertelt dat zij ongeveer een maand eerder ’s avonds bij Tichelrij op zoek was naar haar zus, toen zij daar door Henri Rollé aangerand en misbruikt werd. Zij had zich verzet zegt zij, maar zij was niet sterk genoeg om Rollé af te houden. Na de feiten is zij zo snel mogelijk weggelopen. Over Rollé vertelt zij ook dat zij gezien heeft dat hij te doen had met Marie Vanrutten. Zij heeft hen twee keer samen gezien: eerst op de Kazernevest en een tweede keer aan de Diestersteenweg. Als de onderzoeksrechter naar haar thuissituatie informeert, geeft zij toe dat zij en haar broer Jean in hetzelfde bed sliepen toen hij uit het gesticht kwam. Maar zij ontkent stellig dat zij betrekkingen had met haar broer. Zodra de onderzoeksrechter haar met haar broer confronteert, verandert zij haar verhaal:

“Het is waar. Drie dagen nadat mijn broer uit het gesticht terugkwam, heeft hij mij, toen wij in hetzelfde bed sliepen, op dezelfde manier misbruikt zoals Rollé gedaan heeft. Het is ook waar dat mijn broer op de Kazernevest gezegd heeft “Gaat maar met Pierre Vanrutten mee.” Ik ben toen langs Pierre blijven zitten, terwijl Rollé met Marie Vanrutten bezig was.”

Daarop verbetert Jean zijn zus: hij meent zich te herinneren dat Rollé toen niet met Marie maar met Elisa Vanrutten plezier maakte: “Ik weet goed dat Liske toen een gesloten broek droeg!”

Louisa blijft bij haar versie van de feiten:

“Ik heb Rollé één keer met Liske Vanrutten op de Kazernevest gezien. Die twee hadden toen geen seks. Een andere keer zag ik hem met Marie Vanrutten op de Kazernevest. Ik zat op vier meter van hen op een vriendin te wachten. Hij lag op haar en zij nam haar rokken op.”

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter Jean Rietjens. Op basis van de verslagen die hij tot dan toe gezien heeft, verdenkt bij Rietjens van de verkrachting van zijn zus toen die nog geen 14 jaar oud was, en van aanranding op de eerbaarheid toen Louisa tussen 14 en 16 jaar oud was.

Rietjens ontkent de bewering van Rollé, die bij de politiecommissaris beweerd had dat hij rond 14 juli zijn zus misbruikt zou hebben:

“Ik stond toen met Rollé te praten op Tichelrij. Mijn zus Louisa is toen tot bij ons gekomen en Rollé heeft mij gevraagd of hij eens met mijn zuster mee mocht gaan. Ik heb hen laten gaan en toen zijn zij een twintigtal meters verder gaan staan. Ik zag dat Rollé mijn zuster tegen een boom zette, maar ik heb hen niet op de grond zien liggen. Daarna zijn Rollé en ik samen doorgegaan en mijn zuster is alleen achtergebleven.”

Jean blijft erbij dat hij één keer in hun bed seks had met zijn zus:

“Ik beken dat ik één keer seks gehad heb met mijn zuster toen ik met haar in hetzelfde bed sliep. Dat gebeurde in de winter van het jaar waarin ik uit het gesticht gekomen ben. Mijn zuster liet mij begaan en heeft toen niet tegengewerkt. Wij sliepen op dezelfde kamer als vader en moeder, maar die waren toen niet daar.”

Hij bekent ook dat hij zijn zus ooit aan Pierre Vanrutten heeft aangeboden:

“Het is waar dat ik ongeveer een maand geleden tegen Louisa zegde dat zij Pierre Vanrutten maar eens met haar moest laten meegaan. Mijn zuster is toen met Vanrutten meegegaan, maar zij hebben toen niets gedaan.”

Dan mag Marie Vanrutten vertellen wat er tussen haar en Henri Rollé voorgevallen is:

“Henri Rollé en ik hebben vier keer seks gehad. De eerste keer gebeurde dat dit jaar, met de Sint-Martenkermis, op de Diestersteenweg, in het hout langs de brug. Mijn broer en Louisa Rietjens waren daar toen ook. Zij zaten een paar meters verder te lachen maar ik heb hen niets zien doen.

De tweede keer was met Schuurhovenkermis, op de Halmaalse Steenweg. Toen waren mijn broer Pierre en Louisa en Jean Rietjens er bij. Zij stonden op een paar meters van ons te praten, terwijl Rollé mij tegen de muur van het gesticht gebruikte.

De derde keer was de dag daarna, ’s avonds rond tien uur op Tichelrij. Rollé had zijn jas toen op de grond gelegd, en daar waren wij op gaan liggen. Die keer waren wij alleen.

De vierde keer gebeurde het op de Kazernevest. Mijn broer Pierre en Jean en Louisa Rietjens waren daar toen ook.”

Zij bevestigt dat Henri Rollé het ook met Louisa Rietjens deed:

“Henri Rollé heeft mij gezegd dat hij op Tichelrij twee keer seks gehad heeft met Louisa Rietjens. Louisa heeft mij gezegd dat dat maar één keer gebeurd is.”

Nadat haar verklaring aan haar voorgelezen is, verandert Marie haar verklaring: de derde keer was op de Kazernevest, en de vierde op Tichelrij.

Dan vindt de onderzoeksrechter dat het tijd geworden is om Henri Rollé aan de tand te voelen. Rollé is stellig als het over zijn onschuld gaat, maar hij noemt wel een nieuwe naam in de zaak:

“Ik ontken de feiten die mij ten laste gelegd worden. Ik ben onschuldig. Het is mijn schoonbroer Frans Mols die met Louisa te doen had. Ik heb nooit te doen gehad met Marie Vanrutten of met Louisa Rietjens.”

Maar zodra zijn ondervrager aandringt, bekent hij wel:

“Ik ben inderdaad met Marie Vanrutten bezig geweest aan de brug op de Diestersteenweg. Ik ben met mijn bloot lijf over haar gegaan terwijl zij haar rokken omhoog had. Maar ik heb niet op haar gelegen. Iets verderop gebruikte Pierre Vanrutten Louisa Rietjens. Dat heb ik goed gezien.

Met Marie Vanrutten heb ik geen seks gehad op de Halmaalse Steenweg, maar wel aan Tichelrij, waar ik haar op mijn jas liet liggen, en op de Kazernevest, toen wij uit de cinema kwamen.

Met Louisa Rietjens heb ik één keer seks gehad. Dat was aan Tichelrij, nadat Jean Rietjens het mij met zijn zus had voorgedaan.

Het is Louisa Rietjens die mij gezegd heeft dat Frans Mols met haar te doen had. Hij is uit Sint-Truiden weggelopen omdat hij door de familie Rietjens van deze feiten beschuldigd werd.”

Pierre Vanrutten wordt als laatste ondervraagd. Hij herinnert zich niets van een voorval aan de brug van de Diestersteenweg. Hij herinnert zich wel dat Rollé zijn zuster Marie misbruikt heeft tegen de muur van het gesticht aan de Halmaalse Steenweg. Hij bekent dat hij daar toen ook was, maar hij is toen met Jean Rietjens weggegaan. Louisa Rietjens en Gerard Lhonneux zijn er toen bij blijven staan.

Over de feiten aan Tichelrij zegt hij niets te weten. Op de Kazernevest was hij er wel bij:

“Dat is gebeurd toen wij ’s avonds uit de cinema kwamen. Mijn zuster Marie is met Rollé bijven zitten en Jean Rietjens zegde tegen zijn zus Louisa dat zij maar met mij moest meegaan. Dat wilde ik niet omdat wij beiden te jong zijn.”

Over de relatie van Henri Rollé en Louisa Rietjens weet hij niets te zeggen.

Dan roept de onderzoeksrechter Louisa Rietjens weer op en confronteert haar met de verklaringen van Rollé:

“Het is niet waar dat Pierre Vanrutten seks met mij had met Sint-Martenkermis aan de brug over de Diestersteenweg. Ik loochen ook stellig te doen gehad te hebben met Frans Mols. Ik heb zoiets ook niet aan Rollé verteld.”

Na de ondervragingen geeft de onderzoeksrechter aan de politiecommissaris opdracht om Henri Rollé en Jean Rietjens aan te houden en hen naar de gevangenis in Hasselt te brengen.

Tot slot van die dag geeft de onderzoeksrechter aan dokter Jadoul van Sint-Truiden opdracht Louisa Rietjens en Marie Vanrutten te onderzoeken. De dokter stelt vast dat de twee meisjes al enige tijd seksueel actief zijn, en dat er geen aanwijzingen zijn die er op zouden wijzen dat zij zich tegen seksueel misbruik zouden verzet hebben.

Op vrijdag 17 augustus ondervraagt de onderzoeksrechter Henri Rollé opnieuw, deze keer in zijn kantoor in Hasselt. Rollé trekt zijn beschuldigingen aan het adres van Jean Rietjens gedeeltelijk in:

“Het is niet waar, zoals ik tot nu toe verklaard heb, dat Rietjens in mijn aanwezigheid zijn zus misbruikte en zegde “Ik zal het u eens voordoen, dan kunt gij het ook.” Rietjens is nochtans veel schuldiger dan ik. Hij misbruikte zijn zus in het bed. Louisa heeft mij zelf gezegd dat dat herhaaldelijk gebeurd is. Jean Rietjens heeft mij dat zelf ook gezegd. Hij voegde daar toen bij “Mijn jongste broer slaapt op de tafel maar ik ga bij mijn zuster liggen en in plaats van er langs te gaan liggen, leg ik er mij op.”

Dan neemt Rollé Marie Vanrutten in het vizier:

“Aan de brug aan de Diestersteenweg vroeg Marie Vanrutten mij 50 centiemen om eens te mogen. Ik heb haar toen dat geld gegeven en toen heb ik seks met haar gehad. De andere keren heb ik haar geen geld gegeven.”

Dan probeert Rollé Pierre Vanrutten uit de wind te zetten:

“Ik kan niet bevestigen dat Pierre Vanrutten toen aan de Diestersteenweg Louisa Rietjens misbruikt heeft. Hij heeft dat wel gedaan op de Kazernevest. Dat heb ik goed gezien want ik lag er vlakbij.”

Hij geeft toe dat hij zelf twee keer seks had met Louisa:

“Het is waar dat ik twee keer seks had met Louisa Rietjens. De eerste keer gebeurde dat de dag nadat ik Marie Vanrutten 50 centiemen gegeven had. Wij waren aan Tichelrij en Jean Rietjens zegde tegen mij “Kom met mij mee, gij moogt eens en gij moet mij daarvoor niks geven.” De tweede keer was ook op Tichelrij. Daarvoor heb ik u al gesproken.”

De onderzoeksrechter heeft ook Jean Rietjens uit de gevangenis laten halen en confronteert hem met de verklaringen van Rollé. Rietjens reageert:

“Ik heb maar één keer betrekkingen gehad met mijn zuster, zoals ik u al vertelde. Ik heb dat ook aan Rollé en aan zijn moeder verteld. Zij is toen bij de politie gaan klagen.”

Daarop zegt Rollé dat niet alleen hij en zijn moeder, maar ook twee anderen, Gerard Lhonneux en Florent Desouter Rietjens hebben horen praten over zijn zus.

Vier dagen later, op dinsdag 21 augustus, zet de onderzoeksrechter het onderzoek voort. In zijn kantoor in Hasselt ondervraagt hij eerst Louisa Rietjens en Marie Vanrutten.

Louisa reageert op de recente verklaringen van Rollé:

“Het is niet waar dat Henri Rollé twee keer seks gehad heeft met mij. Dat is maar één keer gebeurd, aan Tichelrij.

Mols heeft nooit met mij te doen gehad. Men zegt dat om mij als een slecht meisje af te schilderen. De moeder van Rollé is kwaad op mij, en daarom zegt zij dat.

Het is ook niet waar dat mijn broer Jean mij meer dan één keer misbruikt heeft.

En het is ook niet waar dat Pierre Vanrutten met mij seks gehad zou hebben op de Kazernevest, zoals Rollé beweert. Pierre Vanrutten zat daar bij mij, maar mijn broer Jean ook. Wij hebben niets gedaan.”

Over haar thuissituatie zegt Louisa:

“Ik moet thuis op de kinderen letten. Er zijn thuis vijf kinderen jonger dan ik. Vader en moeder leuren met kolen.”

Ook Marie Vanrutten ontkent de uitspraken van Rollé:

“Het is niet waar dat ik Rollé 50 centiemen gevraagd heb. Ik heb nooit geld gevraagd en Rollé heeft mij ook nooit geld gegeven.

Rollé en ik hebben vier keer seks gehad met elkaar, zoals ik u al verklaarde. Ik heb nooit met iemand anders dan met Rollé gevreeën.

Het is niet waar dat mijn broer Pierre met Louisa Rietjens seks had op de Kazernevest.

Rollé en Louisa Rietjens hebben mij beiden gezegd dat zij twee keer met elkaar te doen gehad hebben, telkens op Tichelrij.”

Geconfronteerd met de verklaring van Marie, geeft Rollé toe dat zij hem geen 50 centiemen gevraagd heeft. Maar hij wil wel in het verslag hebben dat hij voor haar de cinema heeft betaald.

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter Gerard Lhonneux, een 15-jarige bakkersgast uit Sint-Truiden:

Ik was aanwezig bij de feiten die zich in juli laatstleden rond half 10 ’s avonds aan het gesticht van Ziekeren voordeden. Rollé nam Marie Vanrutten vast en ging met de handen onder haar rokken. Ik zegde dat hij dat niet mocht doen, en dat ik het tegen moeder zou zeggen. Daarop heeft hij haar losgelaten. Dan heb ik gezien dat Pieter Vanrutten zijn zus Marie misbruikte, terwijl Jean Rietjens zich aan zijn zus Louisa vergreep. Daarna werd er gewisseld, en misbruikte Pieter Louisa Rietjens en Jean misbruikte Marie.

Ik ben dan met Rollé tot bij diens moeder gegaan. Daar heb ik verteld wat er gebeurd was. De volgende dag is zij klacht gaan indienen in het stadhuis.

Die dag is Jean Rietjens ook bij de familie Rollé aan huis gekomen. Ikzelf, Desouter, Leonie Vanmechelen en de moeder Rollé waren daar toen. Daar heeft Rietjens gezegd “Als ik aan moeder vraag waar ik moet slapen, zegt ze “Slaap maar bij Louisa”. Maar in plaats van er bij te slapen, leg ik mij op haar. Daar heeft niemand zaken mee. Dat doe ik nu al twee jaar.”

Florent Desouter is een 20-jarige Gentenaar. Hij is soldaat bij het tweede eskadron van het Tweede Regiment Lansiers en is in Sint-Truiden gekazerneerd. Ook hij wordt op 21 augustus in Hasselt ondervraagd:

Midden juli, op een zaterdagnamiddag, was ik ten huize Rollé, in gezelschap van de ouders Rollé, Leonie Vanmechelen, de echtgenoten Mols, Gerard Lhonneux en Jean Rietjens. Rietjens zegde toen “Als ik thuis vraag waar ik moet slapen, zegt moeder “Slaap maar bij Louisa”, en in plaats van naast haar te gaan liggen, leg ik mij op haar. Ik heb dat al veel gedaan.”

Ik heb daarop gezegd “Zijt gij niet beschaamd?” en hij antwoordde dat niemand daar zaken mee heeft en “Ik doe daarmee wat ik wil. Het is mijn zuster.”

Rietjens zegde toen ook nog dat Mols zijn zuster in Waremme misbruikt had. Kort daarna is Mols binnengekomen en zijn vrouw vroeg hem of dat waar was. Mols ontkende, en daarna heb ik daarover niets meer gehoord.”

Antonie Vanmechelen is een meisje van 15 jaar uit Sint-Truiden. Zij verklaart:

Op een zaterdagnamiddag was ik in het huis Rollé, waar ik kaas ging halen. Toen ik binnenkwam was er een gesprek gaande tussen de ouders Rollé, Gerard Lhonneux, Desouter, de vrouw Mols en Jean Rietjens. Ik hoorde Rietjens zeggen “Ik heb het Hendrik willen voordoen, maar die ging lopen. Dan heb ik zelf op Tichelrij mijn zuster gebruikt. Als ik thuis vraag waar ik moet slapen, zegt moeder “Slaap maar bij Louisa”. Gij kunt wel denken dat ik dan niet naast haar, maar wel op haar ga liggen. Dat gaat zo al twee jaar!” Wij hebben daarop gevraagd of hij niet beschaamd was, waarop hij antwoordde “Daar heeft niemand zaken mee. En zetten ze mij in het gevang, dat maakt mij niets. Ik heb thuis toch geen eten.

Dan vraagt de onderzoeksrechter aan Louisa Rietjens wat er in Waremme tussen haar en Frans Mols voorgevallen is:

Het is niet waar dat Mols met mij te doen gehad heeft in Waremme. Wij stonden op de kermis met een tent. Ik ben toen ten huize van Celestine gegaan om koffie te maken, maar ik vond de deur gesloten. Toen ben ik bij de moeder van Celestine gegaan, en daar zat Mols. Celestine en een andere getrouwde vrouw zijn al die tijd bij ons gebleven. Zij kunnen bevestigen dat er niets gebeurd is.

De 25-jarige Frans Mols is schrijnwerker in Sint-Truiden en een schoonbroer van Hendrik Rollé. Hij verklaart:

Ik loochen met Louisa Rietjens te doen gehad te hebben. Mijn schoonmoeder heeft mij gevraagd of ik dacht dat Henri betrekkingen had met Louisa Rietjens. Ik heb daarover met Jean Rietjens gesproken en om hem makkelijker tot spreken te brengen zegde ik hem dat ik in Waremme met Louisa was meegeweest. Nadat ik zo zijn vertrouwen gewonnen had, zegde hij mij dat mijn schoonbroer met Louisa te doen had gehad, maar dat Henri het nog niet goed kende en nog lomp was.

Voor zover ik mij herinner, heb ik de koffie gemaakt bij Christine Spruyt. Toen de koffie klaar was, is Louisa gekomen en zij heeft die koffie dadelijk meegenomen. Daarna ben ik naar de ouders van Christine Spruyt gegaan in de Rue Dupont. Ik herinner mij niet Louisa Rietjens die dag in de Rue Dupont gezien te hebben.

Dan mag Pieter Vanrutten antwoorden op de beschuldigingen aan zijn adres:

Het is niet waar dat ik zoals Lhonneux verklaart mijn zuster en daarna Louisa Rietjens zou misbruikt hebben tegen de muur van het gesticht van Ziekeren.

Het is Lhonneux zelf die Louisa daar misbruikt heeft, terwijl Rollé zich aan mijn zuster Marie vergreep in de haag tegenover die muur. Jean Rietjens stond langs Rollé en mijn zuster.

De moeder van Rollé heeft op de markt in bijzijn van verschillende personen gezegd “Die twee van Vanrutten moeten er ook in, al moet het mij zesduizend frank kosten.”

Lhonneux is zeer goed bevriend met Rollé. Ik zie zelfs dat hij vandaag de koersvareuse van Rollé aanheeft!

Tot slot laat de onderzoeksrechter zich die dag door Pieter Vanrutten, Gerard Lhonneux en Louisa Rietjens de plaatsen aanwijzen waar de feiten zich hebben afgespeeld. Hij geeft architect Dezé van Hasselt opdracht een plan van die plaatsen op te maken.

Twee dagen later, op 23 augustus, ondervraagt de onderzoeksrechter Jean Rietjens in de gevangenis in Hasselt:

Ik was nog als knecht in dienst bij Rollé, en in die hoedanigheid was ik op de kermis in Nieuwerkerken. Die valt samen met Sint-Pieterkermis in Sint-Truiden en heeft plaats kort voor Sint-Martenkermis.

’s Maandags ’s morgens, daags na de kermis, kwam ik met de winkel van Nieuwerkerken naar Sint-Truiden. Ik zat op de kar met Mols. Die vertelde mij toen dat hij mijn zuster Louisa eens gepoept had in Waremme, toen hij daar tijdens de markt was. Dat moet veertien dagen of drie weken eerder geweest zijn, op een vrijdag, want dat is de marktdag in Waremme.

Mols zegde dat hij bij Célestine de koffie ging maken en dat Louisa bij hem was. Hij had haar daar op het bed gelegd en haar gepoept.

Ik weet niet meer wie toen over Rollé is beginnen te spreken, maar ik heb toen aan Mols gezegd dat Rollé mijn zuster Louisa misbruikt had op Tichelrij.

Ongeveer 14 dagen later, ik was toen al weg bij Rollé, heeft de moeder van Rollé mij op de markt in Sint-Truiden gezegd dat zij van Mols vernomen had dat Louisa haar zoon Hendrik bedierf. Diezelfde zaterdag ben ik ten huize van Rollé geweest en daar heb ik toen gezegd dat ik naast mijn zuster slaap. De moeder van Rollé zegde toen ook tegen Mols dat zij van iemand van Waremme gehoord had dat hij in Waremme mijn zuster misbruikt had. Mols zegde daarop “Ik weet wel wie dat gezegd heeft, dat is Jean Rietjens geweest. Maar ik heb hem dat alleen maar gezegd om hem aan het praten te krijgen over Henri en Louisa.

De vrouw van Mols was daar ook en zij heeft daarop gesproken van te scheiden.

Ik had die zaterdag op de markt aan de moeder Rollé gezegd dat Mols mij verteld had dat hij Louisa gepoept had in Waremme. Ik denk dat de moeder Rollé geloofde dat dat waar was. Zij had het doorgezegd aan haar dochter Antoinette. Die trok het zich fel aan. Zij weende en was kwaad op Mols.

Over Henri Rollé en zijn veroveringen zegt Jean Rietjens:

Ik was er bij toen Henri Rollé Marie Vanrutten misbruikte aan de brug over de Diestersteenweg. Dat was op de eerste of de tweede zondag van Sint-Martenkermis, kort voor de middag. Pieter Vanrutten was daar toen niet. Mijn zuster Louisa was er wel. Zij is toen gaan wandelen met het kleine kind dat Marie Vanrutten bij had. Die avond zijn de feiten aan de muur van het gesticht van Ziekeren gebeurd.

Op 29 augustus ondervraagt de onderzoeksrechter Henri Rollé in zijn kantoor in Hasselt. Deze keer ontkent Rollé dat hij ooit een meisje misbruikt zou hebben. Hij zegt dat hij dat eerder enkel uit schrik heeft toegegeven.

Die dag ondervraagt de onderzoeksrechter ook Carolien Abeels, de moeder van Henri Rollé:

Op zaterdag 28 juli zegde Jean Rietjens thuis, in het bijzijn van mijn dochter Antoinette, de echtgenote van Frans Mols, van Antonie Vanmechelen, van Florent Desouter en van mij en mijn man, dat zijn moeder hem met zijn zuster Louisa deed slapen, en dat hij dan op zijn zuster ging liggen in plaats van naast haar. Hij voegde er bij dat dat al lange tijd zo ging, en dat niemand daar zaken mee had. Louisa Rietjens is een meisje dat zich zeer slecht gedraagt. Ik heb zelfs vernomen dat zij aan de kazerne een soldaat riep, die Strop genoemd wordt: “Strop, Strop, kom, gij moogt eens!” Daarna heeft zij die soldaat uitgelachen.

Ik koester niet de minste verdenking dat mijn schoonzoon Frans Mols met Louisa zou te doen gehad hebben.

Op vrijdag 27 juli, rond 11 uur ’s avonds, was ik op zoek naar mijn zoon Henri, toen ik op Tichelrij hoorde roepen “Allez zot, nu gij!” Waarschijnlijk was dat Jean Rietjens, die naar mijn zoon riep. Juist daarvoor was ik Pierre Vanrutten en zijn zus Marie tegengekomen. Mijn zoon antwoordde daarop “Het is al zo laat. Ik ga naar huis.” Mijn zoon kwam mij dan tegemoet gelopen, en ik heb hem gestraft.

Een achttal dagen eerder had Lhonneux mij gezegd dat Pierre Vanrutten zijn zuster misbruikt had aan de muur van het gesticht van Ziekeren. Toen had Vanrutten tegen mijn zoon gezegd “Hebt gij nu gezien hoe ik het gedaan heb? Nu is het uw beurt!” Mijn zoon is dan weggegaan, zonder iets te doen. Van Jean of Louisa Rietjens heeft Lhonneux toen niet gesproken.

Op 5 november 1923 maakt de procureur te Hasselt zijn vordering op tegen Henri Rollé en Jan Rietjens. Hij beschuldigt Rollé van de verkrachting van Marie Vanrutten die op het moment van de feiten jonger was dan 14 jaar, en van aanranding van de eerbaarheid van Louisa Rietjens, die toen jonger was dan 16 jaar. Rietjens beschuldigt hij van verkrachting van zijn zus Louisa, die op het moment van die feiten minder dan 14 jaar oud was.

Op 9 november verwijst de raadkamer in Hasselt de zaak naar de procureur-generaal in Luik.

Op 26 november verwijst de Kamer van Inbeschuldigingstelling in Luik de zaak naar het Hof van Assisen in Tongeren.

In de gevangenis ontkent Rollé de feiten die hem ten laste worden gelegd. Hij beweert eerder bekentenissen te hebben afgelegd omdat de onderzoeksrechter dreigde hem een straf van 20 jaar dwangarbeid op te leggen. Ook Rietjens ontkent. Hij geeft toe dat hij bij zijn zuster geslapen heeft omdat er geen ander bed was, maar hij ontkent dat hij zijn zus misbruikt heeft.

Het proces vindt plaats op donderdag 20 december 1923. Het Hof wordt voorgezeten door raadsheer Hubert Lambrichts van het Hof van Beroep. De verdachten worden verdedigd door advocaat Gruyters van Hasselt (Rollé) en advocaat Robert Stas van Tongeren (Rietjens). Deze laatste is ambtshalve aangesteld door de voorzitter.

Henri Rollé en Jean Rietjens worden schuldig bevonden. Rollé moet drie jaar naar de gevangenis, Rietjens twee jaar. Bovendien wordt Rollé tot aan zijn meerderjarigheid ter beschikking van de regering gesteld, om opgesloten te blijven in een bijzondere instelling.