Dossier 738: kindermoord in Sint-Truiden (Melveren), 1903

Rombout Nijssen

In de vroege morgen van woensdag 25 november 1903 komen op het politiecommissariaat in Sint-Truiden twee anonieme brieven aan. De eerste is gericht aan commissaris Josef Neys. De briefomslag is in Sint-Truiden afgestempeld op 23 november:

“Melveren, den 23 november 1903.
Ik heb U eene grootte zaak klaar te maken.
Vrijdag ’s morgens vernam ik bloedstappen
op kousen gelopen bij de weduwe Plevoets aan de
kerk te Melveren.
Hare dochter was bevrucht en nu is alles weg.
Mijn conscientie verwijt mij u dat kenbaar te maken,
en verzoek u zonder uitstel dat gij uwe plicht
zult kwijten, of rechtstreeks zal ik mij kenbaar
 maken aan het recht van Hasselt.
Ik zal mij kenbaar maken als de zaak klaar is.”

Een onleesbare krabbel sluit de brief af.

De tweede omslag met een anonieme brief is afgestempeld op 24 november en is gericht aan de adjunct-commissaris:

“Mijnheer,
Is er nog gene klacht ingediend jegens juffrouw Plevoets neffens de kerk van Melveren, die meer als waarschijnlijk haar kind van kant gedaan heeft. Zulke daad mag toch niet gezwegen blijven.
De zaak zal tog niet verholen blijven? Daar wonen een huishouden met hun, en dat zijn toch ook getrouwde menschen.
Ik weet het van deze morgen en kan het op mijn hart niet uitstaan. Nogthans kan ik er mij niet tussen mengelen. Ik zou daarbij mij te veel achterdeel kunnen doen. Ik denk dat er zonder fout morgen onderzoek zal zijn. Anders zou ik naar hogere hand doen schrijven. Een uur is te lang dat de moord niet in kennis is.”

Vervolgens begint de briefschrijver op hetzelfde blad een tweede bericht:
Melveren 24 november 1903
De weduwe Centte, dienstmeid bij madame de Modave, die zal u het beste inlichting daarover kunnen geven, aangezien haar kind bij Plevoets bestaat is, en zij dagelijks verscheidene malen komt. Zult gij sito niet er achter zien, noodigen wij het parket van Hasselt.”

De weduwe Plevoets die in de anonieme brieven genoemd wordt is Hubertien Beckers. Zij is de weduwe van Gillis Plevoets en woont in Melveren, een gehucht van Sint-Truiden. Haar man is drie jaren eerder gestorven. Sindsdien baat zij met haar enige dochter, de 20-jarige Antoinette Plevoets, haar café uit in Melveren. Moeder en dochter verhuren kamers in hun eigen woning en voorts verhuren zij nog minstens één woning die Antoinette van haar vader geërfd heeft en een aantal percelen landbouwgrond.

De commissaris telefoneert dadelijk met het parket in Hasselt en brengt de procureur in Hasselt op de hoogte van de inhoud van de anonieme brieven. Een gerechtelijk onderzoek in het kader van de moord op een pasgeboren kind houdt normaal gezien een huiszoeking in, en een medisch onderzoek van de veronderstelde moeder van het kind. Dat soort onderzoeksdaden kan alleen bevolen worden door een rechter. Daarom brengt de procureur de griffier van de onderzoeksrechter op de hoogte. Omwille van de ziekte van de onderzoeksrechter, stelt de voorzitter van de rechtbank te Hasselt rechter Guillaume Stellingwerff aan om hem tijdelijk te vervangen. Het is deze Stellingwerff die dit onderzoek zal leiden. Hij start het onderzoek door de politiecommissaris in Sint-Truiden per telegram opdracht te geven om een huiszoeking uit te voeren in de woning van Antoinette Plevoets. De politie moet op zoek gaan naar het lijkje van een pasgeboren kind en naar sporen die er op zouden wijzen dat er in dat huis kort geleden iemand zou bevallen zijn.

Politie en parket werkten snel in die tijd. Het is nog maar 9 uur ’s morgens als commissaris Neys en zijn adjunct Gustaaf Ghysdael in Melveren zijn om Antoinette Plevoets te ondervragen. Antoinette biedt weinig weerwerk. Zij ontkent in eerste instantie, maar na enig aandringen van de politiemannen geeft zij toe een kleine week eerder bevallen te zijn:
“Donderdag 19 november 1903, rond vijf ure ’s namiddags, en terwijl ik bezig was het brood te bewerken, gevoelde ik pijnen in den buik. Rond kwart voor zes werden die pijnen heviger en ik was verplicht van mij boven te bed te begeven. Verschillige malen ben ik opgestaan, op en af den trap gegaan, omdat ik door de pijnen te bed niet kon blijven liggen. Rond 9 ure heb ik een voetbad genomen in mijne slaapkamer. Het was een voetbad van graszaad in warm water. Daarna ben ik nog eens tot beneden gekomen en rond 10 of 11 ure ben ik voorgoed terug boven gegaan. Toen ik boven kwam, aan de sponde van mijn bed, en daar gansch alleen zijnde, viel een kindeken onder mij uit en ik verloor veel bloed. Bij middel van de schaar die daar lag, sneed ik den buiknagel over. Ik nam het kindeken, welk niet geschreeuwd had, op mijne twee handen en hield het alzoo wel vijf minuten, en daar ik zag dat het beweegloos was en overtuigd zijnde dat het niet leefde, ben ik het gaan verbergen in het bed van eene nabij gelegen en verlaten kamer. Ik legde het op het bed en bedekte het met kledingsstukken die er op lagen. Ik ging terug mijne kamer in en toen mijne moeder boven kwam, zegde ik haar dat ik hevig mijne maandstonden kwam te bekomen.
Mijne moeder heeft dan een bebloed beddelaken, mijne onderrok en nog ander bebloed linnen in het bovengezegd kamerken, waar het kinderen zich bevond, gedragen. Daarna hebben wij ons samen ter ruste gelegd in hetzelfde bed, gelijk gewoonte sedert lang.”

De volgende morgen is Antoinette naar het kindje gaan kijken. Toen zij zag dat het echt dood was, is zij aan haar dagelijks werk begonnen. In de loop van de namiddag heeft zij het kind in het bakhuis begraven, aan de voet van de bakoven.

Hoewel Antoinette benadrukt dat haar kind dood geboren is, houden de politiemannen toch rekening met de mogelijkheid dat het kind wel geleefd heeft, en dat het vermoord is. In dat geval zou er een rechtszaak van komen, en dan zou het belangrijk zijn te weten of er sprake is van voorbedachte rade. Daarom vragen zij Antoinette of zij een kinderuitzet aangeschaft heeft: heeft zij gezorgd voor een wiegje en voor babykleertjes ? Antoinette geeft toe dat zij geen materiaal in huis gehaald heeft om haar kind te verzorgen of te kleden. In de ogen van de politiemannen wijst dat er op dat Antoinette nooit van plan geweest is haar kind in leven te houden.

Het is ook belangrijk voor het onderzoek dat Antoinette verklaart dat haar moeder niets van de geboorte weet.

Op aanwijzingen van Antoinette vinden de politiemannen het kind in een kuil in het bakhuis. Op een diepte van een halve meter vinden zij het volgroeide kind en de resten van de nageboorte. In het bakhuis treffen zij ook een kuip met water aan, waarin bebloed linnen te weken staat.

Dan wordt haar moeder, de 60-jarige Hubertien Beckers, ondervraagd:
“Sedert 11 maanden had mijne dochter hare maandstonden niet meer gehad, uit oorzake van een abces die zij aan de keel gehad heeft, en daar zij ziekelijk scheen, heb ik haar doen bezorgen, beurtelings door de heeren doctoors Dejong, Herman en Caluwaerts.
Over eene maand heeft zij weinig hare regels teruggekregen en nu, verleden donderdagavond, 19 dezer, zegde zij mij in den namiddag dat zij gevoelde van nog eens hare maandstonden te krijgen. Rond 9 ure ’s avonds bevond zij zich boven in de slaapkamer, alwaar ik haar een voetbad deed nemen van graszaad en warm water. Toen ik het voetbad boven droeg, had zij alreeds hevig bloed verloren aan de sponde van het bed. Ik zuiverde het bloed op, en het bebloede linnen, een laken en een rok, droeg ik in het nabijgelegen kamerken en wij zijn dan samen te bed rusten gegaan.
Ik heb nooit geweten dat mijne dochter bevrucht was, en ik sta verstomd van door u te vernemen dat zij een kindeken gebaard heeft.”

Dan zijn Neys en Ghysdael getuige van een korte woordenwisseling tussen moeder en dochter:
Moeder: “Waarom hebt gij mij dat niet gezegd?”

Dochter: “Ik heb nooit gedacht dat het zooiets was.”
Moeder: “Stomme heks, gij kondt dood zijn!”
Dochter: “Ik heb mijn kindeken toch niets misdaan en men kan mij niets doen.”

Moeder Plevoets beweert dus niet geweten te hebben dat haar dochter zwanger was. Zij wist wel dat zij al bijna een jaar lang haar maandstonden niet meer gehad had, maar zij beweert dat zij dacht dat dat het gevolg was van een ontsteking aan haar keel. Het feit dat zij drie dokters weet te noemen die haar dochter behandeld hebben, zonder dat die iets over een zwangerschap gezegd hebben, versterkt haar getuigenis.

Op aanraden van de anonieme briefschrijver gaan de commissarissen langs bij madame de Modave, die ook in Melveren woont. Daar ondervragen zij de 27-jarige dienstmeid Elisabeth Raemen. Elisabeth is de jonge weduwe van Pieter Sente. Zij heeft een kind van acht maanden, dat zij de borst geeft. Als zij gaat werken brengt zij haar kind naar de weduwe Plevoets. Iedere dag onderbreekt zij haar werk een paar keren om haar kind te gaan voeden. Daardoor komt zij dikwijls bij de weduwe Plevoets over de vloer. Elisabeth blijkt goed op de hoogte van het huishouden van de weduwe Plevoets en haar dochter, en van de roddel in Melveren:
“Het gerucht was verspreid te Melveren dat de dochter Plevoets bevrucht was en ik was er halvelings ook van overtuigd. Zekeren dag vroeg ik zulks aan de moeder en aan de dochter, en beiden streden het op den dood af, zeggende dat zekeren genaamde Gutscoven Jan, schoolmeester te Vilvoorde, zulks uitstrooide, en ik weet dat werkelijk die persoon aan verschillige personen van Melveren gezegd heeft dat de dochter bevrucht was van zijne betrekkingen. Ik weet ook dat de dochter betrekkingen gehad heeft met bovengemelden persoon, dien zij van de hand gewezen heeft om betrekkingen aan te knoopen met Louis Buckinx, gemeentesecretaris te Wimmertingen.”

Uit deze verklaring blijkt dat Antoinette, ondanks haar jeugdige leeftijd, aan haar tweede ernstige relatie toe is. Haar eerste geliefde is Jan Gutscoven, een 25-jarige onderwijzer uit Sint-Truiden, die les geeft in een school in Vilvoorde. Door de week verblijft hij in Vilvoorde, maar in de weekends is hij vaak in Sint-Truiden. Sinds kort heeft zij met Gutscoven gebroken om een relatie aan te gaan met Louis Buckinx, de gemeentesecretaris van Wimmertingen.

Daarna gaan Neys en Gijsdaels terug naar de woning van Plevoets. Moeder en dochter verhuren immers een deel van hun woning aan Lambert Vanbrabant en zijn vrouw Josefien Frison en zij verhuren een kamer aan Karel Aussen. De 32-jarige Josefien houdt zich graag buiten de zaak:
“Ik heb nooit geweten dat de dochter Plevoets bevrucht was en kan u niets zeggen in deze zaak, daar ik niets gehoord of gezien heb.”

Aussen is een 30-jarige douaneambtenaar die aangesteld is in het suikerfabriek in Bernissem. Ook hij weet van niets. Hij heeft nooit gemerkt dat Antoinette zwanger was en in de nacht van 19 op 20 november was hij van dienst in de suikerfabriek.

Alvorens te vertrekken onderzoekt commissaris Neys nog de matras op het bed van Antoinette en haar moeder. Die had volgens de vrouwen eerder op de kleine kamer gelegen, en het was onder die matras dat Antoinette haar kind na de geboorte zou verstopt hebben. De commissaris treft er niet het minste bloedspoor op aan.

De volgende dag, 26 november, is onderzoeksrechter Stellingwerff in Sint-Truiden. Hij is niet overtuigd van de onschuld van Antoinette. Hij laat haar naar het commissariaat van de politie brengen en beslist haar te laten onderzoeken door een geneesheer. Ook het babylijkje laat hij door een wetsdokter onderzoeken.

Hij ondervraagt Antoinette in het politiekantoor. Hij laat haar dadelijk weten dat hij haar van moord verdenkt:
“Gij zijt verdacht van te Melveren den negentiende november 1903, vrijwillig en met voorbedachten raad, eenen moord begaan te hebben, met inzicht om ter dood te brengen, op uw pas geboren onwettig kind, op het oogenblik van zijne geboorte of onmiddellijk daarna.”

Antoinette blijft bij haar versie van de feiten: het kind is in haar slaapkamer ter wereld gekomen, en voordat haar moeder op de slaapkamer was heeft zij het kind in een andere kamer onder een matras verborgen. Toen haar moeder haar het hete water voor het voetbad bracht merkte zij uiteraard het bloed in de kamer op. Dat verklaarde Antoinette door te zeggen dat blijkbaar al het opgehoopte bloed van haar achtergebleven maandstonden in één keer vrijgekomen was. Haar moeder nam blijkbaar genoegen met die uitleg. Als de onderzoeksrechter haar vraagt wie de vader van het kind is, antwoordt zij dat het kind van Jan Gutscoven is. De onderzoeksrechter wil graag van haar horen of het kind leefde toen het geboren werd:
“Heeft het kind geschreeuwd als het gekomen is.?”
“Dat kan ik niet zeker zeggen. Ik was te zeer van mijn eigen af. Maar ik weet toch dat zijn adem op en af ging, dat het geademd heeft.”
“Wij hebben bestatigd bij de lijkopening dat den hoofdschedel van uw kind aan stukken geslagen is geweest. Dus moet gij met een hard of zwaar voorwerp op zijn hoofd geslagen hebben?”
“Neen, ik het heb het maar fel gepitst en ik heb het met mijn vuist op zijn hoofd geslagen. Ik ben zeer sterk in mijn handen. Daarna, terwijl ik het onder matras gestoken heb, heb ik het nog met zijn hoofd tegen de beddeplank geknotst. Dit gebeurde in het klein kamerken, niet in de slaapkamer waar het gekomen was.”
“Leefde het kind nog als gij het onder de matras gestoken hebt?”
“Dat weet ik niet. Ik was te zeer van mijn eigen. ’s Anderdaags ben ik gaan zien en het kind was dood.”
“Hebt gij het kind gedoopt toen het ter wereld kwam?”
“Ja, ik heb gezegd “Ik doop u in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.” Ik heb geen water daartoe gebruikt. Ik wist niet hoe dat moest gedaan worden. Ik heb dat gezegd in het klein kamerken, en het gedoopt toen ik het tegen de bedplank knotste.”
“Is het niet met eenen steen, kamer, klomp of ander hard voorwerp dat gij op ’t hoofd van uw kind geslagen hebt?”
“Neen. Het is met mijne vuist geweest.”
“Zijt gij zeker dat gij alleen waart toen uw kind gedood geweest is?”
“Ja, dat zeg ik stellig. Ik was geheel alleen.”
“Van welk geslacht was uw kind?”
“Dat weet ik niet. Ik heb dat niet gezien. Ik was te zeer gepakt.”
“Gij hebt het nochthans dinsdag slechts begraven, en gij zoudt op al dien tijd zulks niet gezien hebben? Dat is niet mogelijk!”
“Dat is nochtans zoo.”

Door toe te geven dat haar kind geademd heeft, geeft Antoinette ook toe dat het kind mogelijk vermoord is. Aangezien zij de enige persoon is die het kind gezien heeft, en omdat zij toegegeven heeft het kind met het hoofd tegen de beddeplank te hebben gestoten of geslagen, wordt zij nu verdacht van moord. Uit het onderzoek van het lijkje zal moeten blijken of het kind geademd en geleefd heeft. Als dat het geval is, is er sprake van moord.

Na de ondervraging laat de onderzoeksrechter Antoinette aanhouden. Zij wordt in de gevangenis in Hasselt opgesloten. Haar bewakers krijgen opdracht er voor te zorgen dat zij gedurende drie dagen niemand kan spreken.

Twee dagen later is de onderzoeksrechter weer in Melveren. Eerst ondervraagt hij de moeder van Antoinette. Zij herhaalt dat zij niet wist dat haar dochter zwanger was. Antoinette ontkende het telkens haar moeder ernaar vroeg. Over de gebeurtenissen op donderdagavond 19 november, toen haar dochter bevallen is, zegt zij:
Den donderdag 19 november, tegen den avond, was ik en mijne dochter bezig met brood in den oven te schieten. De vrouw Vanbrabant was ook bij mij. Toen zegde opeens mijne dochter dat zij niet kon voortsgaan met mij te helpen, dat zij hevige pijn in haren buik had. Ik heb haar gezegd van in haar bed te gaan, hetgeen zij gedaan heeft. Zij is daarna nog een paar keeren afgekomen, zeggende dat zij de pijn niet meer kon uitstaan. Eindelijk zijn wij beide boven gegaan, rond 9 uren denk ik, om slapen te gaan. Maar terwijl zij nog maar altijd bleef klagen, ben ik beneden gegaan om haar een voetbad van heet water en graszaad gereed te maken, zoals zij mij zegde dat doktoor Hermans haar voorgeschreven had. Het heeft wel eene halve uur, denk ik, geduurd eer dat het voetbad gereed was. Ik moest het water kooken en den graszaad bijhalen.

Als ik dan met het voetbad bij mijne dochter gekomen ben, op onze slaapkamer, heeft mijne dochter mij gezegd: “Moeder, nu is mijne pijn gedaan, mijnen adem is beter, ik heb mijne regels gehad!” Ik heb inderdaad gezien dat den vloer vol bloed was en hare kleederen en kousen ook. Mijne dochter stond op dat oogenblik recht aan het schap dat op onze kamer staat. Ik heb haar dan gezegd van maar te bed te gaan, zonder het bloed dat op den vloer lag te kuischen. Het bloed heeft alzoo op den vloer blijven liggen tot ’s maandags.
De meid van madame de Modave heeft dat bloed vrijdags ook zien liggen, als zij haar kind op onze kamer slapen gelegd heeft, nadat zij het beneden had laten zuigen.
Mijne dochter en ik, wij zijn dan slapen gegaan. Haar hemd was ook zeer bebloeid volgens ik gezien heb. Zij is den ganschen nacht neffens mij te bed blijven liggen. ’s Morgens is zij rond half zeven uren met mij opgestaan en zij heeft eene tas koffie gedronken. Zij is den ganschen dag opgebleven, uitgenomen dat zij nu en dan een weinig rusten ging. Zaterdag en zondag is zij ook te been gebleven en heeft zelfs haar werk in huis verricht, en alle dagen tot den dag toe dat de politie haar heeft komen halen. Dinsdag zelfs heeft zij de huisplaats nog gewasschen.
Ik ben slechts ’s maandags voor de eerste maal op het klein kamerken geweest dat neffens onze slaapkamer ligt. Daar heb ik met verbaasdheid gezien dat den vloer achter de deur gansch met bloed besmeurd was. Vrijdag ’s morgens had ik reeds de deur van dit klein kamerken open gedaan en er den rok en de kousen met bloed besmeurd op gesmeten, maar toen had ik den grooten bloedplas die achter de deur zich bevond, niet bemerkt, omdat ik niet in het kamerken geweest was. Ik had slechts de deur half geopend, omdat het bed de deur belet van gansch open te gaan, en de bebloede kledingstukken zoo maar rechts in den hoek neergesmeten.
’s Maandags, als ik voor de eerste maal de groote bloedvlek achter die deur gezien heb, heb ik aan mijne dochter gevraagd hoe het kwam dat al dat bloed op het klein kamerken lag. Zij heeft mij geantwoord dat zij donderdagavond tot daar gelopen was van de pijn.
’s Maandags, toen ik op het kamerken kwam, lag er op het bed dat daar staat eene matras waarop zich zuivere bedlaken en twee of drie hemden op eenen hoop bevonden.
Het bloed op onze slaapkamer is blijven liggen tot ’s maandags, uitgenomen dat ik vrijdags het ergste bloed met eenen doek had opgenomen. ’s Maandags heeft mijne dochter onze kamer, het klein kamerken en een gedeelte van den gang voorgoed gekuischt met heet water dat ik had gereed gemaakt.”

Voorts zegt Hubertien dat zij het kind van haar dochter niet gezien heeft. Over de mannen in het leven van haar dochter zegt zij:
“Sedert verscheidene jaren vrijde mijne dochter met den onderwijzer Jan Gutscoven van Vilvoorde. Zij kreeg dikwijls brieven van hem. Ik weet niet dat hij haar zou gevraagd hebben om te trouwen. Mijne dochter heeft mij daar nooit over gesproken, en Gutscoven ook niet.
Ik weet dat zij niet meer met hem verkeerd heeft sedert een half jaar. Van toen af heeft zij gevrijd met Buckinx, de koster van Wimmertingen.
Onze neef Jozef Schevenels heeft mij toen gezegd dat Gutscoven vertelde dat mijne dochter van hem bevrucht was. ’t Is op dat zeggen dat ik aan mijne dochter gevraagd heb of dat waar was, en zij heeft mij geantwoord van neen.”

Vervolgens ondervraagt de onderzoeksrechter in de herberg van de weduwe Plevoets nog Elisabeth Raemen, die haar kind bij de weduwe Plevoets laat als zij gaat werken, Jozefine Frison, die samen met haar man in een deel van de woning van de weduwe Plevoets woont, en Jacob Willems, die af en toe voor de weduwe een klusje opknapt.

Elisabeth Raemen verklaart:

Sedert de maand april 1903, is mijn klein kindje van acht maanden besteed bij de weduwe Plevoets. Sedert dien tijd kom ik dagelijks drie, vier keren in haar huis. Dikwijls heb ik hooren zeggen door de garde, Louis Hendrix, dat Antoinette groot ging. Ik weet ook dat hare moeder haar meermalen daarover ondervraagd heeft. Ik heb dat zelf gehoord. Altijd heeft Antoinette geantwoord “Moeder, daar is niets van.” Ik heb dikwijls getwijfeld dat zij groot ging, omdat haren buik dik wierd.
Ik weet dat Antoinette verkeerd heeft met den onderwijzer Gutscoven, en ik weet ook dat zij hem daar gelaten heeft omdat hare moeder haar zulks verzocht. Hare moeder had gezegd dat zij beter zou zijn met Buckinx. Ik heb niet vernomen dat er kwestie geweest is van te trouwen met Gutscoven. De moeder Plevoets heeft mij eens gezegd dat zij aan Buckinx, die haar vroeg om te trouwen met Antoinette, geantwoord had dat hare dochter geene gezondheid genoeg had om te trouwen. Ik heb dikwijls hooren zeggen dat Gutscoven vertelde dat Antoinette van hem bevrucht was sedert Vastenavond.

Vrijdag 20 november heb ik ’s morgens, nadat ik mijn kind had laten zuigen, het gedragen op de slaapkamer van de vrouw Plevoets, waar het bedje van mijn kind staat. Met groote verwondering heb ik daar gezien dat er bloedvlekken op die kamer waren. De meeste vlekken waren voor het bed, en er waren druppen tot aan een schap met twee deuren dat op de kamer staat. Het bloed was met eenen droogen boek opgevaagd geworden, zonder met water gekuischt geweest te zijn. De kamer is in dien staat gebleven tot ’s maandags ’s morgens rond 10 uren. Toen heb ik gezien dat de moeder de kamer aan’t kuischen was met water.
Voordat ik vrijdag boven ging met mijn kindje, had de moeder van Antoinette mij gezegd:
“Antoinette heeft gisterenavond veel afgezien en ik heb nog meenen naar u te komen om u een glas wijn te vragen. Maar nu is alles van haar af. Zij heeft hare regels gekregen en veel bloed verloren.”

Dan is het aan Jozefine Freson, de echtgenote van Lambert Vanbrabant, die een deel van de woning van de weduwe Plevoets bewonen, om de onderzoeksrechter te vertellen wat zij weet:
“Ik woon sedert verscheidene jaren in een gedeelte van het huis bewoond door de weduwe Plevoets.
Als men in het dorp begon te vertellen dat Antoinette groot ging, en ik ook zag dat haren buik dikker wierd, heb ik haar verscheidene malen gevraagd wat daar van was. Zij heeft mij gezegd dat het eene opstopping was van haar bloed, hetgeen doktoor Herman daar gezegd had.
Ik herinner mij nog dat Antoinette mij eens gezegd heeft “Gij kunt toch wel denken dat, indien ik groot ging van Gutscoven, ik hem niet zou laten schieten, om met eenen anderen te verkeeren.”
Zij heeft mij nooit gezegd dat zij met Gutscoven wou trouwen, maar zij heeft mij ook gezegd dat zij niet met Buckinx trouwde zolang zij niet gezond was.”

In de nacht waarin Antoinette bevallen is heeft Josephine niets bijzonders gehoord. De slaapkamer van haar en haar man ligt immers aan de andere kant van het huis.

Op 30 november ondervraagt de onderzoeksrechter de partners van Antoinette: Louis Buckinx, die 30 jaar is en gemeentesecretaris en koster in Wimmertingen, en Jan Gutscoven, de 25-jarige onderwijzer uit Sint-Truiden, die les geeft in een lagere gemeenteschool in Vilvoorde.

Buckinx is het eerst aan de beurt:
“Ik heb kennis gekregen met Antoinette Plevoets op het einde van het jaar 1902. Allengskens is die kennis grooter geworden, totdat ik haar verleden zomer gevraagd heb om te trouwen. Vroeger had zij mij al gezegd dat zij nog niet gansch vrij was, dat zij nog niet geheel van haren vorigen minnaar, Jan Gutscoven, af was, en dat zij hem zijne brieven nog niet terug gezonden had.
Sedert lang heeft zij mij geklaagd dat zij niet gezond was en dat zij hare regels niet kreeg. Verscheidene keeren is het tijdstip van ons huwelijk omtrent gesteld geworden, maar dan ook altijd uitgesteld omdat Antoinette en hare moeder zegden dat het meisje niet gezond was. Zij zegden dat hare regels gedurig achterbleven.”

Dan moet de koster nog iets van het hart:
Vorige week ben ik op een namiddag in Melveren bij Louis Hendrix geweest, de garde van mijnheer de Lamberts, om hem te spreken over eene andere plaats van jachtwachter die hij vroeg. Als ik daar een weinig gezeten had, heeft de vrouw van den garde mij gezegd: “Gij hebt ons teveel plezier gedaan, en gij zijt te braaf voor dat ik u niet zou spreken van Antoinette Plevoets. Vindt gij niet dat zij er zoo lelijk uitziet? Ik zou u aanraden van eene week of twee van haar af te blijven. Gij kunt haar immers schrijven.”
Ik heb daaruit verstaan dat zij wilde zeggen dat er iets scheelde.
Ik moet bijvoegen dat op het oogenblik dat de vrouw van den garde mij dat zegde, Elisa Raemen ingekomen is, en dat zij mij in denzelfden zin geklapt heeft. Daarna ben ik naar Antoinette Plevoets teruggegaan, zeer aangedaan door hetgeen men mij gezegd had. Ik heb gepoogd van Antoinette zelf te weten te komen wat er toch gaande was. Zij heeft mij gezegd dat zij schrikkelijk veel uitgestaan had, toen eenige dagen tevoren hare regels gekomen waren.”

Voorts gaat de koster in op zijn geruzie met Gutscoven. Die kan blijkbaar niet verwerken dat Antoinette hem verlaten heeft, en hij vindt er plezier in overal te verkondigen dat Antoinette hem drie jaar lang in alle opzichten geplezierd heeft.

Dat Gutscoven van een ander kaliber is dan Buckinx blijkt al vanaf de eerste woorden van zijn getuigenis:
“Van het einde der maand maart is het omtrent drie jaar geleden dat ik kennis gekregen heb met Antoinette Plevoets. Ik heb haar verscheidene malen gebruikt, en voor de laatste keer Vastenavond 1903.
Op het einde der maand maart heeft zij niet meer met mij willen verkeeren. Zij heeft mij een brief geschreven waarin zij mij zegde dat hare moeder dat niet meer wilde.
Eenige dagen voor Paaschen, Palmenzondag meen ik, heeft zij mijne portretten, eenen ring, eene broche en oorbellen die ik haar gegeven had, terug gezonden. Sedert dien tijd is er tusschen ons geene kwestie van liefde niet meer geweest.”

Gutscoven ontkent dat hij in Melveren verteld heeft dat Antoinette zwanger was van hem.

Om een breder zicht te krijgen op de sociale omgeving waarin Antoinette Plevoets er toe kwam om haar kind te vermoorden, ondervraagt de onderzoeksrechter in de volgende weken nog een tiental mensen uit Melveren: de meid van de pastoor, Karel Aussen, de douane-beambte die in het huis Plevoets logeert, de echtgenote van de bareelwachter in Bernissem, een nicht van Antoinette, de echtgenote van de jachtwachter, Elisa Raemers die haar kind laat oppassen door de moeder van Antoinette en politiecommissaris Jozef Neys van Sint-Truiden. Uit die ondervragingen blijkt vooral dat het in Melveren algemeen geweten was dat Antoinette een kind verwachtte van Jan Gutscoven.

Op 5 en 10 december ondervraagt de onderzoeksrechter Antoinette in de gevangenis in Hasselt. Zij bevestigt dat zij haar kind gedood heeft omdat zij met Buckinx wilde trouwen, en hem niet durfde zeggen dat zij zwanger was. Zij beschrijft ook hoe zij haar kind gedood heeft:
“Toen ik met het kind in het klein kamerken gekomen ben, heb ik de deur toe gedaan. Ik ben dan tusschen de deur en het bed dat daar staat door gegaan, tot in den hoek links, en daar heb ik het kind gepitst en daarna met zijnen kop geslagen, eenen keer of twee, tegen de hoofdplank van het bed. Dit heeft eenige minuten geduurd, en daardoor is het dat er op deze plaats zooveel bloed was. Ik herhaal dat ik niets in mijne handen had.”

Op 19 december 1903 verwijst de kamer van inbeschuldigingstelling bij het hof van beroep te Luik Antoinette naar het hof van assisen.

Het hof van assisen komt samen op maandag 11 januari 1904. Jan Hendrik Verkissen, raadsheer bij het hof van beroep, zit het assisenhof voor, dat voorts bestaat uit de voorzitter van de rechtbank Felix Bovy en de oudste rechter van de rechtbank te Tongeren, Silveryser. Joseph Massa is substituut van de procureur des konings in Tongeren, en vertegenwoordigt het openbaar ministerie. Griffier Frère verricht het griffiewerk.

Antoinette wordt verdedigd door advocaat Paul Bellefroid van Hasselt. Die roept twee getuigen op voor haar verdediging:
– Marie Lenaerts, landbouwster te Melveren, om te getuigen over de bekrompen ontwikkeling der beschuldigde van hare kindsche jaren af; en
Johannes Vanstraelen, hovenier te Melveren, die de hamer in de slaapkamer had gelegd.

Aan de jury worden twee vragen voorgelegd:
1) Is de beschuldigde Plevoets Marie Catherine Antoinette, hier tegenwoordig, plichtig van te Melveren, gemeente Sint-Truiden, den 19 november 1903 vrijwillig, met het inzicht van ter dood te brengen, eenen doodslag begaan te hebben op den persoon van haar onwettig kind op het oogenblik van deszelfs geboorte of onmiddellijk daarna?
2) Is deze misdaad door haar bedreven geworden met voorbedachten raad?

Op de eerste vraag antwoordt de jury “Neen”, waardoor de tweede vraag niet meer beantwoord moet worden.


Nadat de jury haar antwoord bekend gemaakt heeft, spreekt de voorzitter van het hof haar vrij en beveelt dat zij moet vrijgelaten worden.