Doodstraf voor keel oversnijden

Eksel 1909

Vandaag gaan wij naar Eksel, in de Limburgse Kempen, in 1909. Op de heide, in het gehucht De Brug, op ongeveer een kilometer van de steenweg die nu bekend staat als de Limburgse noord-zuidverbinding, woont de 62-jarige Antoine Booms met zijn echtgenote en zijn zoon. Zijn enige zoon Henri is 19 jaar oud en hij is de kostwinner van het gezin. Hij werkt in Overpelt in de zinkfabriek van Schülte. Afwisselend doet Henri een week de dagpost en een week de nachtpost. Iedere werkdag fietst hij naar Overpelt en terug. Op de avond van donderdag 18 november komt Henri onverwacht niet thuis. Zijn ouders verwachtten dat hij rond 7 uur thuis zou zijn, maar om 9 uur is hij er nog niet. Ongerust gaan de ouders in de omgeving op zoek naar hun zoon. Hun zoektocht verloopt moeizaam, want in november is het vroeg donker. Het bejaarde koppel zoekt tot half twee ’s nachts, maar zij vinden geen spoor van hun zoon. Terug thuis geraken zij niet in slaap, en na enkele uren gaan zij weer naar buiten. Het is half vijf als zij hun zoon langs de weg, op 10 minuten van hun huis, vinden. De jongen is dood. In zijn hals zit een diepe wonde. Zijn fiets ligt 10 meter verderop.

De burgemeester van Eksel wordt verwittigd, en die brengt de rijkswachtbrigade van Hechtel op de hoogte. Om 8 uur zijn twee rijkswachters van de brigade Hechtel ter plaatse. Zij kunnen enkel nog de dood van het slachtoffer vaststellen.

Als eerste ondervragen zij Antoine. Hij legt uit dat zijn zoon dagelijks met de fiets in het zinkfabriek in Overpelt gaat werken, en dat hij de avond daarvoor niet thuisgekomen is, dat hij en zijn vrouw hun zoon gezocht hebben, en dat zij hem pas die morgen gevonden hebben. Antoine weet ook te melden dat het gisteren betaaldag was in de fabriek. Om de veertien dagen krijgen de arbeiders hun quinzaine, de helft van hun maandloon, in cash geld uitbetaald. De quinzaine van Henri bedraagt 45 frank. Dat geld is verdwenen, maar zijn uurwerk zit nog in de zak van Henri. Antoine vertelt de rijkswachters ook dat Henri van de steenweg via een zandweg naar huis fietst. Vanaf de steenweg fietst hij alleen, want hij is de enige arbeider die aan deze weg woont. Een verdachte kan Antoine niet noemen, maar hij vertelt de rijkswachters wel dat zijn zoon de zondag daarvoor, de 14de, bezoek gekregen heeft van twee collega’s van de fabriek. Vrancken is de naam van één van hen. Hij is de opzichter van de ploeg waarin Henri werkt. Vrancken woont in Overpelt Fabriek. De tweede collega kent Antoine niet, maar hij weet wel dat die man bij Vrancken op logies is. De bezoekers spraken met Henri onder meer over de weg die hij met de fiets aflegde en de route die hij daarbij volgde. Toen de bezoekers die zondag weer vertrokken, heeft Henri hen een stuk van de weg terug begeleid. Pas na een uur was hij weer thuis. Hij zegde toen dat hij met zijn bezoekers nog 60 cent verteerd had in een café.

Dan ondervragen de rijkswachters twee omstaanders, Jan Nouwen en Barbara Snoeckx. Nouwen is een 44-jarige landbouwer die ook op de heide woont. Hij heeft de avond daarvoor rond 7 uur twee onbekende fietsers zien rijden over de zandweg waarop Henri gevonden is.

De 59-jarige Barbara Snoeckx vertelt hoe zij de avond daarvoor rond half 11 aan de deur van haar huisje stond en dat zij toen een schreeuw gehoord heeft. Of het een mens of een vogel was die schreeuwde, kan zij niet zeggen. Zij heeft toen niemand gezien. De avond daarvoor echter heeft zij in het donker ook twee onbekende fietsers zien wegrijden en terugkeren.

Dan onderzoeken de rijkswachters de plaats van het misdrijf. Uit wat zij zien leiden zij af dat Henri op zijn fiets zat toen hij langs achter aangevallen werd met een “snijdend wapen”. Op de plaats van het misdrijf vinden zij een fietsspeld. Aangezien Henri zijn fietsspelden nog draagt, gaan zij er van uit dat de moordenaar ook fietsspelden droeg en er een verloren heeft. In een gracht langs de weg, verborgen onder wat heide, vinden zij het eetzakje van het slachtoffer en een papieren omslag zoals die waarin de arbeiders in de fabriek hun geld ontvangen. De omslag is kapotgescheurd en het geld is verdwenen.

Rond 11 uur zijn de rijkswachters weer in de kazerne. Daar bellen zij hun collega’s in Overpelt, met de vraag daar inlichtingen in te winnen over Vrancken en zijn gezel.

In Overpelt gaan twee rijkswachters naar Overpelt Fabriek. Daar ondervragen zij drie arbeiders.

De eerste is Gaspard Agten. Agten is 24 jaar oud en hij woont ook in Eksel. Agten en Booms fietsen als dat uitkomt samen naar Overpelt en weer naar Eksel. Hij verklaart dat hij de vorige dag om vijf voor half 6 ’s avonds met de fiets van zijn werk naar huis gereden is. Hij veronderstelt dat Henri Booms kort daarna ook aan de fabriek vertrokken is, want Henri haalde hem in aan het station van Overpelt Fabriek. Zij zijn dan samen naar Eksel gereden, waar Henri zoals hij dat gewoon was rechts van de Steenweg afgereden is om langs een binnenweg naar huis te rijden. Agten reed verderen haalde honderd meter verder heb ik Pieter Mandiau in. Zij bleven samen tot aan het huis van Agten. Het was toen 6 uur. Mandiau fietste dan alleen verder. Hij woont nog een half uur verder. Op vraag van de rijkswachters zegt Agten nog dat zij onderweg geen herberg bezocht hebben en dat zij ook geen vreemde of verdachte personen gezien hebben.

Over Henri weet hij alleen goeds te zeggen: “Hij was een brave jongen en een goede kameraad.”

De 44-jarige Pieter Mandiau legt de rijkswachters uit dat hij op de achttiende kort voor half 6 ’s avonds aan de fabriek in Overpelt vertrokken is, en dat hij het eerste deel van de weg samen met Herman Agten gefietst heeft. Aan de woning van Herman Agten is hij van zijn fiets gestapt om zijn fietslamp aan te doen. Toen hij weer vertrok, werd hij ingehaald door Gaspard Agten. Samen met Gaspard is hij doorgereden tot aan zijn woning, om dan het laatste stuk naar huis alleen af te leggen. Hij heeft ook geen vreemde of verdachte personen gezien en hij heeft nooit horen zeggen dat Henri Booms met iemand ruzie zou hebben.

De derde arbeider die door de rijkswachters van Overpelt ondervraagd wordt is de 30-jarige Herman Agten van Eksel. Hij bevestigt de verklaring van Pieter Mandiau.

Ondertussen is in de lokalen van het parket in Hasselt een telegram aangekomen van de burgemeester van Eksel. Hij meldt dat die morgen in zijn gemeente het lijk gevonden werd van Henri Booms. De burgemeester meldt ook dat het slachtoffer in een fabriek in Overpelt werkt, dat zijn keel doorgesneden is, en dat de rijkswacht ter plaatse is.

De procureur vordert zo snel mogelijk de onderzoeksrechter om samen met hem ter plaatse te gaan. Om tien uur vertrekken onderzoeksrechter Nossent, de procureur en de wetsdokter Jules Jadoul van Hasselt naar Eksel. Daar worden zij opgewacht door burgemeester Truyen en commandant Schollaert van de rijkswachtbrigade in Hechtel. Die brengen het gezelschap naar de Grote Heide, waar tussen de dennenbossen een voetpad naar de woning van de familie Booms loopt. In een gracht langs de weg ligt het lijk. De dode ligt op de rug. Zijn keel is bijna helemaal doorgesneden. Zijn vest is open en zijn pet ligt op de grond langs het lijk. Twee rijkswachters bewaken het lijk en hebben het met een deken afgedekt.

De fiets van het slachtoffer staat in de gracht aan de andere kant van de weg, tegen kleine dennenbomen, op een tiental meters van het slachtoffer. De speurders merken op dat de lamp die aan de fiets hangt langs onder losgedraaid is. Het is een acetyleenlamp, en wellicht is zij losgedraaid om haar zo te doven. Op ongeveer 6 meter van het lijk ligt een grote bloedplas.

Ook de onderzoeksrechter ondervraagt de vader van het slachtoffer. Hij bevestigt de verklaringen die hij eerder aan de rijkswacht heeft afgelegd en op vraag van de onderzoeksrechter zegt hij nog dat er in de omgeving nog twee arbeiders wonen die in de zinkfabriek werken: Frans Neys en Jan Kerckhofs. Antoine weet dat Neys ziek is en dat hij die week niet gewerkt heeft. Kerckhofs heeft hij die morgen nog gezien. Die zegde hem dat hij die nacht rond twee uur met de fiets uit zijn woning vertrokken is om naar de fabriek te rijden. Om drie uur moet hij daar aan het werk zijn. Die morgen is hij rond 10 uur, op de terugweg van zijn werk, op de plaats van de moord voorbijgekomen. Hij is dan nieuwsgierig blijven staan en heeft met de vader van het slachtoffer gepraat. Hij heeft gezegd dat hij die nacht Henri of zijn fiets niet gezien heeft.

Antoine zegt nog dat hij Kerckhofs en Neys kent als brave jongens en dat hij hen niet verdenkt.

Na de ondervraging geeft de onderzoeksrechter bevel om het lijk naar het dodenhuis in Eksel over te brengen. Daar doet de wetsdokter een lijkschouwing. Daarna wordt het lijk in een verzegelde zerk gelegd om begraven te worden.

De volgende dag, zaterdag 20 november, zijn de onderzoeksrechter en zijn griffier en substituut-procureur Van Straelen in Overpelt in de zinkfabriek. Samen met enkele rijkswachters onderzoeken zij eerst de klederen van de arbeiders die in de omgeving van het slachtoffer wonen. Zij zijn op zoek naar een zelfde broekspeld als die bij het slachtoffer gevonden is en naar  bebloede klederen. Dat onderzoek levert niets op en er is ook geen arbeider verwond.

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter Jozef Vrancken en Pieter Mandiau. Jozef Vrancken is een 34-jarige opzichter in de fabriek van Schülte:

“Het slachtoffer, Hendrik Booms, werkte hier in de fabriek onder mijn toezicht. Hij was een zeer brave jongen, die nooit aan zijn werk mankeerde. Hij was oppassend en dronk nooit. Ik weet niet dat hij vijanden zou gehad hebben.

Vorige zondag ben ik aan zijn huis geweest met Thys, ook een fabrieksarbeider, die bij mij op logement is. Ik was hem gaan bezoeken omdat hij mij dat gevraagd had. Ik had eerder bij zijn ouders een geit gekocht.”

Pieter Mandiau bevestigt wat hij eerder aan de rijkswachters verklaard heeft en geeft dan de namen van drie mannen van Eksel die ook in de fabriek werken: Jan Kerckhofs, Frans Neys en Michiel Heylen. Hij zegt ook dat hij denkt dat de moord gepleegd is door iemand die de weg door in de heide kent. Vreemden komen daar volgens hem niet, “omdat daar weinig huizen zijn en er niets te krijgen is.”

De volgende dag, op zondag 21 november, brengen de rijkswachters van de brigade in Hechtel een bezoek aan Jan Kerckhofs, Michiel Heylen, Eduard Heylen en Frans Vreysen. De rijkswachters inspecteren de broekspelden van de vier arbeiders, maar die komen niet overeen met de speld die op de plaats van de moord gevonden is. De fietsenhandelaars in Eksel en in Hechtel verklaren dat zij dat type broekspeld niet verkopen.

Om één of andere reden verdenken de rijkswachters een zekere Gerard Andelhofs. Andelhofs is 26 jaar oud, hij woont in Eksel en volgens de rijkswachters is hij een luiaard die veel armoede kent, en die tot alles in staat is om aan geld te komen. Andelhofs woont op circa 45 minuten van de plaats van de moord.

Andelhofs geeft de rijkswachters toelating om zijn woning en zijn kleren te doorzoeken. Dat levert niet het minste spoor op dat op zijn betrokkenheid zou wijzen. Andelhofs verklaart dat hij de 18de bij Mathieu Vanrintel in Eksel gewerkt heeft, en dat hij die dag rond 6 uur is thuisgekomen. Pas de volgende dag heeft hij van de moord gehoord. Hij bezit geen fiets.

Dan controleren de rijkswachters de woorden van Andelhofs bij Vanrintel:

“Gerard Andelhofs heeft deze week bij mij gewerkt op maandag, dinsdag en donderdag de achttiende. In de maand augustus had ik Andelhofs een scheermes beloofd. Nu maandag of dinsdag vroeg hij mij naar dit scheermes. Ik zegde hem dat ik het hem aan het einde van de week zou geven. Donderdagavond, de achttiende, heb ik hem het scheermes gegeven en zijn loon, 3 frank, en een brood. Hij is rond half 6 bij mij weggegaan. Deze persoon heeft veel armoede.”

Op maandag 22 november doen rijkswachters van de brigade in Hechtel huiszoekingen in 8 woningen in Eksel. Die huiszoekingen leveren geen spoor naar de daders op.

Die maandag wordt Henri begraven, en op de begrafenis duwt de postbode hem een omslag in de hand. Die bevat een anonieme brief. De naamloze briefschrijver meldt:

“Antoon Booms

Vrouw en kinderen

heb gij noch geen gedacht

op Vanharen Henderick

want er zijn mensen die

hem in de mot heben en

ik daarom ook want het

is bijna aan hem te zien”

Zodra de rijkswachters weet hebben van de brief gaan zij Hendrik Vanhaeren ophalen. Vanhaeren is een 20-jarige landbouwer die op De Locht in Eksel woont. De rijkswachters nemen de jonge boer mee naar de kazerne en ondervragen hem daar:

“Op donderdag de 18de ben ik altijd thuis geweest, behalve dat ik eens tot op de heide geweest ben om te zien of mijn moeder en mijn zuster en anderen niet afkwamen van Lommel Kerkhoven. Het was toen rond half 2. Ik ben maar 5 minuten weg geweest. Daarna ben ik altijd thuis geweest, uitgenomen dat ik van tijd tot tijd eens bij onze gebuur, Mathys Geuns, geweest ben. Die was in onze geburen komen wonen. Al de geburen zijn dan in de namiddag bij ons geweest. Wij waren allen goed bedronken. Rond 6 uur ben ik gaan slapen en ik heb geslapen tot ’s morgens rond 6 uur. Henri en Joseph Rutten hebben bij ons gezeten. Moeder zegde mij dat zij tot rond 9 uur bij ons geweest zijn. Gisteren, de 21ste, ben ik in de namiddag met de velo naar Lommel gereden, tot aan de Kleine Bareel. Ik ben daar nergens binnen geweest en ik ben langs Overpelt Lindel teruggekomen. Daar heb ik op de Hoeven een borrel gedronken bij Mathijs Tielens. Op de Hoeven in Eksel ben ik nergens binnen geweest en ik was voor donker thuis. Vrijdag de 19de heb ik in de voormiddag gedorsen. Ik ben niet gaan zien omdat ik niet weg kon. Ik had het ’s morgens rond 9 uur vernomen. Het was een goede vriend van mij, Booms, die vermoord is. Ik heb over twee jaar nog in de fabriek gewerkt. Booms heeft nog bij een boer nevens ons gewerkt.”

De rijkswachters onderzoeken de kleren van Vanhaeren, maar vinden geen spoor van bloed. Vanhaeren ontkent iets met de moord te maken te hebben. Toch nemen de rijkswachters een bijl en een mes in beslag. Die zijn van de broer van Hendrik Vanhaeren. Hij is slager en slacht de varkens bij de boeren in de omgeving.

Brigadecommandant Schollaert is niet overtuigd van de onschuld van Vanhaeren. Die middag gaat hij zelf met een collega terug naar de woning van Vanhaeren. Vanhaerens moeder geeft hen de toelating om een huiszoeking te doen. In de slaapkamer van Hendrik vinden zij een broek die kort daarvoor gewassen lijkt te zijn, en die nog niet helemaal droog is. In een sigarendoos vinden zij een nieuwe portemonnee met 35 frank: drie stukken van 5 frank en een briefje van 20. Vanhaeren blijkt ook nog 7 frank op zak te hebben. Over dat geld zegt hij:

“Ik bezit dit geld nog van als ik over twee jaren in Luik gewerkt heb. De geldbeugel heb ik dit jaar in Scherpenheuvel gekocht met Pinksteren. Ik had die broek aan toen wij over 14 dagen een varken geslacht hebben.”

Dan ondervragen de rijkswachters de moeder van Vanhaeren:

“Op de 18de was er een klein feest in de geburen, voor het aankomen van een nieuwe pachter. Al de geburen waren in onze herberg en mijn zoon Hendrik speelde de harmonica tot aan de avond. Toen is iedereen weggegaan. Hendrik is in de kamer in het donker blijven zitten. Wij hebben nogal laat gegeten. Ik heb de beesten gevoederd. Hendrik was toen weg en toen ik een tijd later ging slapen, zag ik dat hij in zijn bed lag. Hij kan langs twee kanten op zijn kamer komen en ik wist niet dat hij slapen was. Wat het geld betreft dat hij op zich draagt, dat zal hij waarschijnlijk gespaard hebben van de frank drinkgeld die ik hem iedere zondag geef. Als er iets te doen is, geef ik hem iets meer, want hij vermaakt zich nogal graag. Hij werkt altijd bij ons thuis.”

Gevraagd naar de herkomst van het geld zegt Hendrik dat hij het laatste jaar wel 50 frank verdiend heeft met harmonica spelen.

Tot slot nemen de rijkswachters een nieuwe pijp en potlood in beslag die Hendrik in zijn jas had zitten.

De volgende dag, om 10 uur, ondervraagt onderzoeksrechter Nossent Hendrik Vanhaeren in zijn kantoor in Hasselt. Hij vraagt hem eerst naar zijn tijdsgebruik op de dag van de moord:

“Verleden donderdag, de 18de, heb ik de ganse dag geholpen aan het invaren van Mathijs Geuns, die in onze gebuurte is komen wonen. Bij die gelegenheid is er nogal veel gedronken. Ik was zeer vermoeid en ben rond 6 uur gaan slapen. Mijn moeder en mijn drie zusters, Philomena, Theresia en Henriette en mijn kleine broer Jean waren ook thuis. Mijn broer Michiel, die slager is, is die donderdag ’s morgens een kleine koe gaan slachten bij Louis Vandeven in Hechtel. Hij is rond de middag weer thuisgekomen. Na zich wat vermaakt te hebben bij onze nieuwe gebuur, is hij met de fiets teruggereden naar Vandeven om die koe door te zagen. Dat vlees moest vrijdag uitverkocht worden. Om dat werk te doen gebruikt mijn broer geen bijl, maar een zaag. Ik help mijn broer nooit bij het slachten, uitgenomen als ons varken geslacht wordt. Dinsdag 9 november hebben wij een varken geslacht.

Mijn broer is rond 3 uur, half 4, bij ons weggereden. Dan is er in onze herberg nog tot het vallen van de avond gedanst en plezier gemaakt. Jan Van Overdijk is als laatste vertrokken. Rond 6 uur ben ik gaan slapen.

Op mijn kamer staan twee bedden: een waar ik in slaap en een tweede waar mijn oudste en jongste zussen in slapen. Toen ik naar bed ging, ben ik door de herbergplaats gegaan. Mijn moeder, mijn zussen en mijn kleine broer zaten in de keukenplaats. Zij hebben gezien dat ik slapen ging. Ik weet niet hoe laat mijn zussen naar bed gegaan zijn. Ik heb geslapen tot rond 6 uur ’s morgens. De volgende morgen heb ik in onze schuur gedorsen.

Rond de middag is Lambert Achten bij mij aan de deur gekomen. Ik wist toen al van de gebroeders Van Otterdijk dat Booms vermoord was. Ik meende ook eens te gaan zien, maar Agten zegde mij dat het beter was dat niet te doen, omdat het wreed was om te zien. Omdat ik zulke zaken niet kan aanzien, ben ik er niet naartoe gegaan. Na de middag heb ik thuis voortgewerkt. Ik heb wortelen uitgedaan. Zaterdag heb ik heel de dag thuis gedorsen. Zondagvoormiddag ben ik thuis gebleven en namiddag ben ik rond 1 uur, half 2, met de fiets naar Lommel Kleine Barrier gereden. Ik ben daar nergens binnen geweest, niet in een huis en niet in een herberg. Langs Lindelhoeven in Overpelt ben ik teruggekomen. Daar ben ik bij Mathijs Tielens, die er een herberg en een winkel heeft, binnen geweest om een druppel te drinken. Ik heb daar gesproken met de zoon Jan en met de dochter Tielens en met Pieter Schelen. Dan ben ik naar huis gereden, waar ik in het vallen van de avond aangekomen ben.

De dag dat bij ons het varken geslacht is, dat was dinsdag 9 november, droeg ik de zwart gestreepte broek die de gendarmen meegenomen hebben, en het blauwe kieltje dat ik nu nog draag. Omdat het koud was droeg ik ’s morgens, toen het varken geslacht werd, ook de zwart gestreepte jas die ik nog aan heb. Ik heb hem uitgedaan toen het varken geslacht was, om het varken te schuren.

Mijn broer Machiel heeft het varken gedeeld. Ik heb het vastgehouden. Dan heeft mijn broer het gebrand en wij hebben het samen op de kruiwagen gelegd en in de kuil geplaatst. Mijn broer is dan weggegaan, ik heb mijn jas uitgedaan en het varken geschuurd. Ik wilde beginnen met het varken door te snijden, maar dat ging niet goed. Mijn broer heeft het gedaan toen hij terug was.

Het is het mes dat gij mij hier toont dat gediend heeft om het varken te kelen en door te snijden. Het is van mijn broer.

Van het geld dat de gendarmen bij mij gevonden hebben, komt 30 en enige frank van toen ik in Luik gewerkt heb. Ik ben toen rond Pinksteren 1908 of 1907 terug naar huis gekomen. Dat was kort nadat mijn broer Gerard getrouwd is. Dat geld bestond grotendeels uit 5-frankstukken. Het briefje van 20 frank dat er bij is, heb ik met moeder gewisseld, een of twee maanden na mijn terugkeer uit Luik.

Ik loochen de moord op Booms gepleegd te hebben. Ik was in mijn bed vanaf 6 uur.”

Na de ondervraging houdt de onderzoeksrechter Hendrik Vanhaeren aan.

Ondertussen hebben de speurders vastgesteld dat de datum van uitgifte van het briefje 10 juni 1908 is. Van na Pinksteren 1908 dus, toen Vanhaeren uit Luik zou zijn teruggekomen.

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter nog 13 andere personen. Als eerste zijn de rijkswachters Labot en Pauwels aan de beurt, die Hendrik Vanhaeren thuis aangehouden hadden. Labot vertelt de onderzoeksrechter dat Vanhaeren, voordat zijn kamer onderzocht werd, ontkende dat hij een briefje van 20 frank in zijn bezit had.

Aan Antoine Booms, de vader van het slachtoffer, vraagt de onderzoeksrechter hoe hij in het bezit gekomen is van de brief van de anonieme briefschrijver: “Gisteren, na de lijkdienst van mijn zoon, heeft de kleine facteur van Eksel mij de brief afgegeven, zonder iets te zeggen. Ik heb er niet aan gedacht hem te vragen hoe hij in het bezit van die brief gekomen was.”

Willem Vanhaeren is een broer van de verdachte: “Verleden donderdag ben ik een koe gaan slachten bij Louis Vandeven. In de namiddag ben ik daar terug geweest. ’s Avonds ben ik rond 7 uur met de fiets naar huis gekomen.

Vrijdagmorgen ben ik weer naar Vandeven gegaan om de koe door te snijden en te verkopen. Ik had mijn bijl niet meegenomen, omdat ik wist dat Vanbraekel, die mij moest helpen, zijn bijl meenam.

Mijn broer Henri is van Luik teruggekomen na het huwelijk van mijn oudste broer Gerard. Dat zal nu omtrent 2 jaar geleden zijn.

Voor 14 dagen hebben wij thuis een varken geslacht. Henri heeft mij daarbij geholpen. Ik weet niet welke broek hij toen aanhad. Hij droeg een blauw kieltje, maar ik geloof niet dat hij toen een jas aanhad.”

Dan wordt de moeder van de verdachte nog eens ondervraagd:

“Op donderdag 18 november is mijn zoon Hendrik rond 6 uur gaan slapen. Er was toen niemand vreemds meer in huis. Ik zat met mijn drie dochters en mijn jongste zoontje in de keuken aan het vuur. Hendrik kon in zijn slaapkamer komen zonder dat wij hem moesten zien. Ik heb niet gezien dat hij naar zijn slaapkamer ging. Wij zijn rond 8 uur, half 9, misschien 9 uur, gaan slapen. Ik slaap niet in de kamer waar hij slaapt. Ik heb hem dus niet in bed zien liggen, maar mijn dochters hebben gezegd dat iedereen binnen was en dat ik de deur kon sluiten.

Ik heb nooit met Hendrik een briefje van 20 frank gewisseld.

De nieuwe portemonnee in bruin leder die gij mij hier toont, heb ik nooit in het bezit van mijn zoon gezien. De nieuwe pijp ook niet. Maar enkele dagen geleden heeft een van mijn dochters gezegd “Onze Drik heeft een nieuwe pijp!”

De snede vanvoor in de gilet van mijn zoon, die gij mij nu toont, heb ik nooit eerder bemerkt.

Veertien dagen geleden, toen wij ons varken geslacht hebben, heeft Hendrik daarbij geholpen. Hij droeg zijn zwart gestreepte broek en een blauwe kiel, maar niet de veston. Ik heb hem nog doen opmerken dat hij zijn blauwe kiel vuil gemaakt had toen hij het varken op de ladder wegdroeg.

Ik kan niet juist zeggen welke broek hij droeg op donderdag de 18de. Hij droeg toen wel de zwart gestreepte jas. Vorige zondag droeg hij zijn beste kostuum.

Sedert verleden donderdag is er bij ons niets gewassen geweest, niet door mij en niet door mijn kinderen. De broek die gij mij toont is niet nat, die is maar vochtig.”

Hendriks zussen Theresia en Henriette, zijn 14 en 11 jaar oud. Zij getuigen dat zij de 18de niet gezien hebben dat Hendrik ging slapen of dat hij in bed lag.

Hendrik en Jozef Rutten wonen op De Locht in Eksel. Zij waren donderdagavond in het café van Vanhaeren. Hendrik Rutten is de oudste van de twee broers. Hij verklaart dat hij Hendrik rond half 5 wel in het café gezien heeft, maar rond 7 uur niet meer. Hij herinnert zich ook dat Hendrik die avond dronken was en dat hij niet geholpen heeft bij de verhuis van Mathijs Geuns.

Zijn broer Jozef voegt daar aan toe:

“Toen ik rond half 7 de tweede keer bij Vanhaeren kwam, heb ik aan de moeder gevraagd waar de jongens waren. Zij heeft geantwoord dat zij dat niet wist. Ik was er nog toen de slager thuisgekomen is. Ik heb hem niet gevraagd waar Hendrik was.”

Tot slot worden Nicolas Govaerts en zijn dochter Marie ondervraagd. Zij baten een winkel uit in Lommel Barrier. De onderzoeksrechter toont hen de nieuwe portemonnee en de nieuwe pijp van Vanhaeren. Nicolas weet zeker dat de portemonnee niet uit zijn winkel komt, maar de pijp zou wel in zijn winkel gekocht kunnen zijn. Zijn dochter verklaart precies hetzelfde.

Dan wordt de verdachte weer in het bureau van de onderzoeksrechter geroepen. Over de snee in zijn gilet zegt hij eerst dat hij die niet eerder gezien heeft, maar hij bedenkt zich en zegt “Nu herinner ik mij dat ik over een veertiental dagen, met de tanden van een gritsel scherp te maken, door een blauwe kiel die ik over mijn gilet aanhad, gesneden heb. Maar ik wist niet dat ik ook door mijn gilet gesneden had.

De bruine lederen portemonnee die gij mij toont heb ik met Pinksteren in Scherpenheuvel gekocht, aan een van de winkels die daar staan, voor 1,5 frank.

De nieuwe pijp heb ik verleden donderdagmorgen gekocht van een klein manneke met een kaske op de rug, dat rondleurt met die zaken. Ik heb die pijp 1.25 frank betaald.

Thuis heeft niemand gezien dat ik die pijp gekocht heb. Ik heb gisteren op de heide voor de eerste keer uit die pijp gerookt. Thuis weet niemand dat ik die pijp bezit.

Ik had twee broekknijpers voor de velo, die ik bij Vandeloo in Eksel gekocht heb, samen met mijn velo. Een van die velospelden heb ik een paar maanden geleden verloren en sedertdien heb ik geen nieuwe gekocht. Ik heb er nu nog maar één.

De volgende dag, woensdag 24 november, ondervraagt de onderzoeksrechter in zijn kantoor Louis Beyen, de postbode die de anonieme brief aan Antoine Booms bezorgde:

“De brief die gij mij toont heb ik verleden maandag, de 22ste, rond half 7 ’s morgens in Eksel op de markt uit de brievenbus gehaald. Omdat ik wist dat de lijkdienst van Booms die dag om 9 uur plaats zou hebben en ik zeker was dat ik vader Booms daar zou treffen, heb ik de brief na de dienst aan hem afgegeven. De postzegel op de omslag heb ik vernietigd door er met potlood een kruis over te maken. Ik had hem moeten vernietigen met een poststempel. Ik verzeker u dat men mij deze brief niet persoonlijk heeft afgegeven en dat ik de verzender niet ken.

Ik kan niet zeggen sinds wanneer die brief in de bus stak. ’s Zondags wordt de bus om 5 na half 11 gelicht. Hij moet er dus tussen dat moment en maandag om 5 na half 7 ingestoken zijn.”

Op donderdag 25 november gaan onderzoeksrechter Nossent en zijn griffier samen met procureur Massa en substituut-procureur Van Straelen weer naar Eksel. Wetsdokter Jadoul is ook bij het gezelschap. Om half 8 zijn zij ter plaatse. In Eksel worden zij opgewacht door burgemeester Truyen en de commandant van de rijkswachtbrigade in Hechtel die vergezeld is door twee rijkswachters.

De onderzoeksrechter geeft opdracht het lijk van Booms op te graven en het naar het dodenhuis op het kerkhof te brengen. Dokter Jadoul prepareert het lijk enigszins, en dan wordt Hendrik Vanhaeren binnengebracht. De griffier noteert:

“De verdachte is bleek en aangedaan bij het zien van het lijk, doch herstelt zich spoedig.

Op de vraag of hij het slachtoffer herkent, nadert hij schaamteloos, overziet het doods wezen van het lijk en antwoordt “Ja, ik ken hem, dat is Henri Booms.”

De onderzoeksrechter vraagt hem of hij in tegenwoordigheid van het zo lafhartig vermoorde slachtoffer geen leedwezen voelt en zijn misdaad wil bekennen, waarop de verdachte koelbloedig antwoordt “Ik ben het niet geweest. Ik weet daar niets van.”

Na hem herhaalde malen verzocht te hebben ons de waarheid te verklaren, zijn fout te bekennen en ten minste enig leedwezen te betonen, zien wij eensklaps zijn gemoed bezwijken. Hij wordt doodsbleek, voegt de beide handen samen en zegt met gebroken stem “Ja ja, ik heb het gedaan.”

Op vraag van de onderzoeksrechter vertelt Hendrik Vanhaeren nu wat er op de avond van de 18de gebeurd is:

“Nadat ik verleden donderdag, de 18de, rond half 6 ’s avonds het avondmaal gegeten had, ben ik langs de voordeur naar buiten gegaan. Die middag had ik na het eten een broodmes in mijn tas gestoken. Ik was toen al van plan Booms op te wachten om zijn geld af te nemen. Ik wist dat het die dag “quinzaine” was in de fabriek waar hij werkte. Ik ben dan rechtstreeks naar de plaats van de moord gegaan. Ik wist dat hij op die plaats per velo moest voorbij rijden om naar huis te gaan. Ik heb mij verborgen in het bosje, kort bij het pad waar hij moest doorrijden. Ik heb daar omtrent 10 minuten gezeten. Dan zag ik een velo met licht aangereden komen. Ik dacht dat het Booms was omdat hij alleen daar woont en van de fabriek terugkomt. Hij zong en ik herkende zijn stem.

Toen hij neffens mij was heb ik hem toegeroepen “Wacht eens effen!”

Mijn mes had ik al uit mijn zak gehaald en in de hand genomen toen ik in de verte het licht van de velo zag. Ik ben dan dadelijk op hem gesprongen. Hij is gevallen en daardoor is zijn velo ook gevallen. Ik heb hem dan dadelijk met het mes dat ik in de rechterhand hield, de keel afgesneden. Ik meen dat ik meer dan eens gesneden heb, maar ik weet niet juist hoe dikwijls.

Voordat ik hem de keel oversneed heeft hij om hulp geroepen.

Ik had hem niet naar zijn geld gevraagd. Ik heb zijn fiets opgeraapt en hem tegen de boskant gezet. Het licht was toen nog aan. Dan ben ik terug naar Booms gegaan. Die moet ondertussen opgestaan zijn of weggekropen, want hij lag op 4 of 5 meter van de plaats waar ik hem gestoken heb. Ik geloof dat hij toen dood was. In elk geval heeft hij geen woord meer gesproken en ik heb hem ook geen beweging meer zien maken.

Dan heb ik zijn geld afgenomen. Dat stak ik in een kleine lederen portemonnee, die ik in mijn broekzak stak.

Het papieren zakje, zoals de werkliederen van de fabriek hebben om hun geld in te steken, en de tas waar zij hun eten in steken, heb ik langs het lijk op de grond zien liggen. Ik heb ze opgenomen en verborgen onder een heidestruik op de plaats waar ik de velo tegen de boskant gezet had. Ik heb dan de zaklamp vanonder losgedraaid en zij is uitgegaan.

De zakhorloge van Booms heb ik niet genomen, uit vrees dat ik mij zou verraden. Onderweg naar huis heb ik het geld uit de portemonnee gehaald. De portemonnee heb ik weggeworpen. Ik heb er twee bankbriefjes van 20 frank, een stuk van 5 frank, een halve frank en wat kleingeld uitgehaald.

Toen ik thuiskwam kan het omtrent 7 uur geweest zijn. Ik ben dan een paar uren in de schuur gaan liggen. Daarna ben ik langs de achterdeur ons huis ingegaan en ik ben op mijn bed gaan liggen. Iedereen in huis sliep toen. In de keukenplaats heb ik mijn hand in het water dat daar stond gestoken, en het bloed op mijn jas wat afgewassen. Op de jas hing weinig bloed, maar op mijn handen was veel bloed. Die heb ik gewassen in de koeketel die boven de haard hing.

Dan ben ik gaan slapen. Ik heb gerust geslapen tot de volgende morgen rond half 7.

De broek die ik op de dag van de moord aanhad, heb ik niet meer aan gedaan. Maandag heb ik gezien dat er wat bloed op de rechterknie zat. Dat heb ik afgeveegd met mijn hand afgeveegd.”

De onderzoeksrechter laat de broer van Hendrik alle messen die in huis zijn brengen. Dat zijn er veertien. De verdachte duidt zonder aarzelen een broodmes aan:

“Met dit mes heb ik Booms gestoken.

Toen ik thuis kwam heb ik het uit de binnenzak van mijn jas gehaald en het afgewassen in de koeketel. Ik heb het daarna teruggelegd bij de andere messen.”

De onderzoeksrechter wil weten waarom Vanhaeren een moord pleegde om aan geld te geraken:

“Ik kreeg zondags 1 frank, soms 1,5 frank en soms 2 frank van mijn moeder. Dat geld ging regelmatig op. Verleden zondag had ik 1,5 frank gekregen, en daarvan bleef slechts 25 centiemen over.

Het overige geld dat gij in mijn portemonnee gevonden hebt komt van Booms. Het tweede bankbriefje heb ik verleden zondag in een winkel in Neerpelt, kort aan de statie, gebruikt om de nieuwe portemonnee en een pijp te kopen.

Ik had nog schulden van over twee jaar ongeveer, aan burgemeester Mathieu Even van Hechtel, waar ik een jaar schoenen gekocht heb om naar Luik te gaan.”

Dan wordt de verdachte naar de plaats van de moord gebracht om daar te tonen hoe hij de moord gepleegd heeft. Ondertussen heeft zich daar een menigte nieuwsgierigen verzameld, die de verdachte bedreigen. De onderzoeksrechter moet vier extra rijkswachters uit Overpelt en Lommel laten oproepen om de verdachte te beschermen.

Architect Vandenbulcke van Hasselt krijgt de opdracht om een plan van de plaats van de moord te maken.

Op 26 december ondervragen rijkswachtcommandant Schollaert en een van zijn agenten de moeder van Vanhaeren:

“Verleden jaar, rond Pinksteren, had ik in mijn woning geld gewisseld. Ik had het geld, waaronder een billet van 50 frank, op tafel laten liggen terwijl ik een en ander ging verrichten in de keuken. Toen ik terugkwam zag ik dat het billet van 50 frank weg was. Mijn zoon Hendrik was intussen weggegaan, en ik dacht dadelijk dat hij het gestolen had. Mijn zonen Willem en Louis zijn Hendrik nagegaan en hebben het geld in een dennenbos teruggevonden, waar Hendrik het verborgen had. Dat hij zijn broers met een revolver zou bedreigd hebben, is niet waar. Hij heeft zo geen wapen.”

Willem Vanhaeren, Hendriks broer, bevestigt aan de rijkswachters het verhaal van de diefstal van het briefje van 50 frank. Hij vult het relaas van zijn moeder aan:

“Ik heb Hendrik eerst een goed pak slaag gegeven voordat hij mij het geld wilde aanwijzen. Hij had het onder een dennenboom gestoken. Mijn broer Hendrik speelde veel voor geld in de herbergen. Als hij het spel won, dronk hij ook veel. Hij kwam dikwijls laat thuis. Hij ging veel naar de herberg Het Vosken in Eksel, bij de kinderen Geelen. Daar was hij wat in kennis met de dochter Amanda.”

Burgemeester Even van Hechtel vertelt de rijkswachters meer over de onbetaalde schoenen van Vanhaeren:

“Hendrik Vanhaeren is in het begin van het jaar 1908 bij mij een paar schoenen komen kopen. Hij zegde dat hij in Luik ging werken en dat hij de schoenen zou betalen zodra hij zijn eerste loon zou krijgen. Die schoenen kostten 12 frank en hij is die nooit komen betalen. Acht dagen geleden hebben wij dat geld nog eens gevraagd aan zijn broer Willem, en die is ons de schoenen komen betalen.”

De rijkswachtcommandant vult zijn verslag over de ondervragingen aan met een afschrift van een PV over een diefstal in een café in Wijchmaal in 1908, waarvan de volksmond Vanhaeren verdacht. Voorts meldt de commandant dat hij en zijn collega’s Hendrik Vanhaeren kennen als iemand die tot laat in de herbergen zat en veel dronk. Als er ergens iets gebeurde, was Vanhaeren nooit ver weg. In de loop van 1908 werd hij dronken op de openbare weg aangetroffen. Hij bracht toen een messteek toe aan de persoon die hem wilde helpen. Hij werd daarvoor veroordeeld tot een maand gevangenisstraf.

Op 29 december is de onderzoeksrechter weer in Eksel. Hij ondervraagt er enkele mensen over het verleden van Hendrik Vanhaeren en over Henri Booms. Als eerste mag de gemeentesecretaris vertellen wat hij weet:

“Ik kende de verdachte Hendrik Vanhaeren zeer weinig. Ik heb hem wel eens ontmoet in de herberg Geelen als hij daar ’s zondags zat. Ik heb zelden met hem gesproken. Het gebeurde dat er in de herberg van de kinderen Geelen ’s nachts braspartijen waren, maar ik weet niet of Vanhaeren van die kliek deel uitmaakte. Ik weet ook niet of hij zich bezighield met kaartspelen en of hij veel dronk. Zijn gebuur, Gaspard Achten, kan dat wel weten.

Het slachtoffer Booms was een voorbeeldige jongen, die niet dronk of speelde. Hij werkte hard en ik weet dat hij zijn hele loon aan zijn ouders afgaf.”

Anna Wildermans is de moeder van het slachtoffer:

“Mijn zoon Henri zaliger kwam soms in de herberg van Vanhaeren. Als hij ’s avonds geen nachtdienst had in de fabriek, dan ging hij in Eksel Op de Locht een glas bier drinken. Zo zal hij ook wel eens bij Vanhaeren geweest zijn.

Mijn zoon was in alle opzichten voorbeeldig. Hij gaf zijn veertiendaags loon regelmatig af, en hij was zeer tevreden met wat ik hem als drinkgeld gaf: 1 frank om de twee weken. Hij stelde zich ook met minder tevreden. Hij was onze enige troost en onderstand.

Ik heb nog zes kinderen, waarvan er twee getrouwd zijn. Een meisje woont en werkt bij de burgemeester. De drie jongsten verdienen nog niets. Mijn zoon Jan is 16 jaar. Hij zou wel in het fabriek Schülte aangenomen worden, maar hij heeft een kwaal aan een been en kan daardoor niet aangenomen worden. Hij helpt zijn vader aan huis als die werk heeft aan de watering.”

Amanda Goelen is 28 jaar. Er wordt gezegd dat Hendrik Vanhaeren een oogje op haar heeft:

“Hendrik Vanhaeren kwam veel in onze herberg. Hij heeft zich bij ons altijd deftig gedragen. Hij dronk zoals iedereen een glas bier of een druppel en verteerde niet veel. Ik herinner mij dat hij slechts één keer getrakteerd heeft. Dat was toen hij in Luik werkte. Ik heb hem zelden bedronken gezien. Hij scheen mij recht van karakter en ik heb hem zelden kwaad gezien. Hij speelde soms met de kaarten. Vroeger deed hij dat meer dan de laatste tijd.

Ik heb van andere mensen in onze herberg horen zeggen dat Hendrik Vanhaeren maar een vals opzicht had. Hij sprak weinig.

Het hof wordt voorgezeten door Arnold Poullet.

Advocaat Hechtermans van Hasselt verdedigt de verdachte.

Gezworenen:

Alfons Senden, eigenaar te Kozen

Georges Cornet de Peissant, provincieraadslid te Achel

Alfons Knops, leerlooier te Sint-Truiden

Jan Landmeeters, provincieraadslid te Genk

Pieter Moreau de Bellaing, rentenier te Rotem

Jan Martens, brouwer te Bocholt (ziek)

Chrétien Massonnet, landbouwer te

Frédéric Quanonne, eigenaar te Koersel

Louis Kemp, handelaar te Hasselt (ziek)

Frans Vandenhaute, handelaar te Tongeren

Constant Mijers, stoker te Jeuk

Joseph Romseé, jurist te Guigoven

Julien Goffin, ijzergieter te Sint-Truiden

Joseph Froyen, gemeenteontvanger te Alken

Henri Nicolaes, kandidaat-notaris te Tongeren

Pieter Martens, burgemeester te Membruggen

Jan Felix Peeters, gepensioneerde onderwijzer te Hasselt

François Duchesne, brouwer te Herderen

Frans Van Marsenille, brouwer te Borlo

Germain Schutjens, handelaar te Hechtel

Adrien Coemans, notaris te Sint-Truiden

Henri Stevens, rentenier te Lommel

Victor Modave, eigenaar te Jeuk

Allert Gielen, houthandelaar te Bilzen

Eustache Schoofs, notaris te Diepenbeek

Joseph Verbelen, ambtenaar te Hasselt

Pieter Dothée, schepen te Sluizen (ziek)

Emile Hayen, stoker te Hasselt

Henri Vaes, eigenaar te Halen (ziek)

Reserven:

Gillis Vandormael, handelaar te Tongeren

Nicolas Theelen, boekhandelaar te Tongeren

Jan Hansen, gemeentesecretaris te Tongeren

Antoon Scharre, dr. in de natuurwetenschappen te Tongeren

Op 17 januari 1910 legt procureur Massa van Hasselt zijn rechtsvordering tegen Hendrik Vanhaeren voor aan de raadkamer.

De beschuldiging luidt “moord om een diefstal te vergemakkelijken.”

De 18de dag beslist de raadkamer in Hasselt dat de zaak overgemaakt moet worden aan de procureur-generaal te Luik.

Op 15 februari 1910 wordt Henri Vanhaeren veroordeeld tot de doodstraf.