Dossier 808 : moord in de Vennestraat in Genk

Rombout Nijssen

Dossier 808 : moord in de Vennestraat in Genk

Op zondag 1 februari 1920 komt bij het parket van de procureur in Tongeren een telegram aan van de commandant van de rijkswacht in Genk. Die meldt dat er in Winterslag een moord gepleegd is, en dat hij twee verdachten in de gendarmerie laat bewaken. Substituut-procureur Claessens is van dienst, en hij vordert de onderzoeksrechter om met hem naar Genk te gaan om de zaak ter plaatse te onderzoeken. In de rechtbank is rechter Jules Frère die dag van dienst. Hij oefent de functie van onderzoeksrechter uit.

Kort daarna zijn de onderzoekers in Genk. Het slachtoffer is Aloïs Verjans. Hij is vermoord in zijn woning in de Vennestraat. Verjans is slager, en samen met zijn vrouw baat hij in hun woning een slagerswinkel en een logementshuis uit. Zoals veel Genkenaren dat tijdens en na de eerste wereldoorlog doen, verhuurt hij kamers aan mensen die bij de mijnen aan het werk zijn. Volgens zijn logementsregister, het boek waarin hij verplicht moet bijhouden wie er bij hem verblijft, zijn er op dat moment slechts twee logés. Henri Goffin is 24 jaar oud en werkt als bediende bij de mijn. Hij is van Vliermaal afkomstig en hij is de broer van de echtgenote van Verjans. Hij verblijft al sinds december 1915 in het logementshuis. Marcel Russon is afkomstig van de streek van Luik. Hij is 30 jaar oud en een collega van Henri Goffin. Hij verblijft sinds 1 januari 1919 ten huize Verjans.

In de woning vinden de speurders geen sporen die op een inbraak wijzen. Op de tweede en derde trede van de trap naar boven zien de onderzoekers bloeddruppels. Op de hoogste treden, bijna bij de eerste verdieping, zien zij grotere bloedvlekken.

Op de eerste verdieping liggen vier slaapkamers. Langs de slaapkamer van het slachtoffer en zijn echtgenote ligt de kamer van Russon. Daar vinden de speurders het lijk van Verjans. Verjans ligt op de vloer, met het hoofd tegen het voeteneinde van het bed van Russon, en met de voeten bij de deur van de kamer. Het slachtoffer draagt enkel een hemd. Zijn hoofd ligt in een plas bloed.

Dan onderzoeken de speurders de kamer van Verjans en zijn vrouw. Het bed is beslapen en het bovenlaken is weggenomen. Op de matras, op de kussens en op de muur langs het bed zitten bloedvlekken. Eén kussen lijkt doorgeschoten te zijn en in de muur boven het bed zitten kogelgaten. Die wijzen er op dat er van boven naar beneden in de richting van het bed geschoten is. Er zit een kogel in een van de deurstijlen. Op de vloer van de kamer liggen bloedvlekken.

Op het gelijkvloers vinden de speurders in de achterkeuken het bebloede bedlaken. Een vuurwapen wordt niet gevonden.

Nadat de onderzoeksrechter opdracht gegeven heeft het lijk naar het gemeentelijke dodenhuis over te brengen, ondervraagt hij twee buren van het slachtoffer.

Ferdinand Neven is een 36-jarige bediende. Hij woont in het huis naast dat van Verjans:

“Rond half 11 was ik te bed, toen er bij mij werd aangeklopt. Ik heb de venster geopend en op de straat zag ik Russon staan, die mij toeriep “Ferdinand, kom gauw, er is een man bij Aloïs geweest, Aloïs is beschoten, hij is dood geloof ik, hij is nog warm!”

Daarop ben ik 2 of 3 minuten later uitgegaan, en heb ik Aloïs gevonden. Hij lag dood. Russon weende en vroeg mij “Is hij dood? Is hij dood?” Ik heb geantwoord “Dat ziet ge toch, dat hij dood is, hij is heel koud.” Ik voelde alleen nog wat warmte aan zijn borst.

Ik ben dan de slaapkamer van de echtgenoten binnengegaan, en ik heb opgemerkt dat er zich bloed bevond op de lakens van het bed aan de kant van de muur. Het oorkussen aan de buitenkant vertoonde een zwarte vlek. Die heb ik van dichtbij bekeken, en ik heb gezien dat er in het midden van die vlek een kogelgat zit.

Daarop ben ik weggegaan.

Ongeveer een uur later heb ik de commandant van de gendarmen in het huis vergezeld, en toen heb ik gezien dat de kussens herlegd waren. Het kussen met de zwarte vlek lag toen aan de kant van de muur.

Ik heb dat dadelijk aan de commandant gezegd, waarop de vrouw van Aloïs zegde “Dat is gebeurd met de lakens af te nemen om die op het lijk te leggen.”

Ik heb niet bijzonder op Russon gelet, en ik kan niet zeggen of hij erg aangedaan was of niet. Ik ken Russon maar van ziens. Ik heb nooit bijzondere familiariteit bemerkt tussen Russon en de vrouw van Verjans. Men heeft mij altijd verzekerd dat die vrouw van goed gedrag was.”

De tweede getuige is de 30-jarige herbergier Jan Geurts:

“Ik ben de gebuur van het huisgezin Verjans. Om 9 uur was ik in mijn keuken, en heb ik horen praten in het huis van Verjans. Rond half 10 heb ik vanop mijn achterplaats Verjans rustig zien roken aan zijn keukentafel. Rond 10 uur hoorde ik een geluid alsof er bij Verjans nagels in de muur werden geklopt. Ik denk dat ik eerst drie slagen hoorde, en dan na enige ogenblikken nog enkele slagen. Daarop hoorde ik rumoer alsof er iemand op de grond viel, en dan het geschreeuw van een mens in nood.

Terwijl ik de slagen en het geschreeuw hoorde, heb ik geen stemmen gehoord.

Ongeveer 10 minuten later is Russon in zijn onderkleren bij mij komen aankloppen. Mijn vrouw deed open. Vol bloed kwam Russon binnen, zeggende “Jan, kom toch gauw mee, er is een man binnengekomen en er is geschoten.”

Russon is naar boven gegaan en ik ben hem gevolgd. Ik heb de vrouw schreeuwend over het slachtoffer zien liggen.

Russon nam een brandende kaars en in de andere hand een zaklampje. Hij zette zich gehurkt neer en verlichtte het hoofd. Hij zegde “Jan, wat dunkt u?” Jan wat dunkt u? Hij is nog warm.” Zonder het lijk te betasten antwoordde ik “Hij is vertrokken.” Daarop ben ik naar beneden gegaan. Op de trap zaten bloeddruppels.

Het gedrag van de vrouw Verjans is onbesproken. Zij was altijd flink opgezet. Ik heb opgemerkt dat zij veel liefde voor haar man koesterde toen die teruggekomen is van het leger. In de laatste maanden meen ik opgemerkt te hebben dat haar gevoelens voor haar man verkoeld waren en dat zij meer terughoudend scheen. Woorden of krakeel heb ik nooit gehoord.

Ik heb nooit iets ongeoorloofds gemerkt tussen Russon en de vrouw, maar ik heb wel gezien dat Russon vergezeld van Verjans en zijn vrouw naar de cinema gingen en samen terugkwamen.

Ik heb mij nooit veel met het huishouden van Verjans opgehouden.

Neven moet een half uur na mij in het huis Verjans geweest zijn.”

Dan gaat de onderzoeksrechter naar de rijkswachtkazerne. Daar wachten de twee personen die volgens de geruchten die de rijkswachtcommandant heeft opgevangen de vermoedelijke daders zijn: Florentine Goffin, de echtgenote van het slachtoffer, en Marcel Russon, hun logé.

Florentine Goffin is 30 jaar oud, en net als haar man afkomstig uit Vliermaal. Zij verklaart dat haar man die zaterdagnamiddag vlees was gaan kopen in Hasselt:

“Mijn man is rond 7 uur ’s avonds teruggekomen. Russon was toen ook thuis. Wij hebben met ons drieën gezellig gesproken. Rond 10 uur ben ik gaan slapen. Ik heb geen licht gemaakt. Het is niet mijn gewoonte om licht te maken als ik ga slapen. Onder, in de keuken, had ik mijn haar in orde gesteld zoals ik dat gewoonlijk doe.

Ik weet niet juist wanneer Russon zijn kamer ingegaan is.

Tien minuten na mij is mijn man boven gekomen. Hij heeft zich in het donker uitgekleed en is bij mij in bed gekropen. Hij heeft mij toen voorgesteld betrekkingen met mij te hebben. Hij is opgestaan om zich een inspuiting te doen. Mijn man had een venerische ziekte meegebracht toen hij van het leger terugkwam. Hij had mij bekend dat hij die ziekte bij andere vrouwen had opgelopen. Hierover hebben wij dikwijls gesproken.

Juist toen hij het bed uit was, zegde hij “Wat is dat hier?” en daarop sprong er iemand recht van achter het hoofd van het bed. Er werden vijf of zes schoten gelost en ik zag een man van gemiddelde gestalte. Mijn man schreeuwde om hulp en is op het bed gevallen. De onbekende bleef schieten, en mijn man is op hem aan geschoten. De onbekende is de gang op gevlucht en mijn man is hem gevolgd. Ondertussen ben ik in de achterkamer gevlucht. De onbekende is de straat op gelopen. Daarop heb ik mijn man kermend in de kamer van Russon horen vallen. Ik ben bijgekomen en Russon heeft mijn man te hulp willen komen. Hij heeft hem verlicht met zijn zaklampje, hij heeft aan hem getrokken en op hem geroepen, en is dan hulp gaan roepen. Intussen bleef ik in het duister bij mijn man.

Russon is teruggekomen met Geerts.

Russon heeft mij gezegd dat de aanvallers met tweeën waren. Hoe hij dat weet kan ik niet zeggen. Hoe hij ze gezien heeft weet ik ook niet. Ik heb er met hem niet over gesproken.

Kwade tongen hebben vroeger het gerucht verspreid dat ik met Russon aanhield. Ik heb dat aan mijn broer Henri gezegd. Dat gerucht was ongegrond.

Ik denk dat de moordenaar van mijn man een dief is, die het op ons geld gemunt had.

Toen ik naar boven ging heb ik de tooglade met ongeveer 100 frank onder het voeteneinde van ons bed gezet. Ik heb toen niet bemerkt dat er zich iemand onder het bed verborg. Toen ik in bed lag heb ik ook niemand horen ademhalen. Dit geld en al het andere geld in huis is onaangeroerd gebleven. Tussen de matras en de ressortbak stak een omslag met 4000 frank. Dat geld had ik van beneden meegebracht. In een koffer in een achterkamer lag nog 7000 frank. Ik kan niet begrijpen dat de dief al dat geld heeft laten liggen.

Ik heb bloed aan mijn hand en een brandwonde aan mijn linker pols, een frank groot. Ik heb die tijdens dit moordtoneel opgelopen, maar ik weet niet hoe. Ik had die wonden niet toen ik slapen ging.”

Haar ondervrager merkt op dat het er op lijkt dat zij gebeten is en dat er afdrukken van tanden op haar arm te zien zijn. Zij ontkent dat en meent dat een kogel de oorzaak van haar wonde is.

Na haar ondervraging houdt de onderzoeksrechter haar aan.

Marcel Russon

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter Marcel Russon. Russon is Franstalig. Hij verklaart dat Verjans de avond daarvoor rond 7 uur thuisgekomen is, en dat zij de avond verder met hun drieën hebben doorgebracht. Verjans at zijn avondeten en Russon las de krant, terwijl de vrouw Verjans de boekhouding bijwerkte. Rond 10 uur is de vrouw gaan slapen. Verjans en hij rookten nog een pijp. Dan zijn ook de mannen naar boven gegaan.

Russon zegt dat hij op een bepaald ogenblik in de kamer naast de zijne  hij enkele woorden hoorde, gevolgd door revolverschoten. Daarop is hij uit bed gesprongen en heeft hij de deur van zijn kamer opengetrokken. In de gang zag hij Verjans vechten met een onbekende. Voor de deur van de kamer tegenover de zijne zag hij een tweede onbekende. Die gaf hem een vuistslag en sloeg hem daarna tegen de vloer en van de trap af. Beneden heeft hij de buitendeur – die niet op slot was – opengetrokken en is hulp gaan zoeken. De inbrekers waren toen nog boven.

Eerst is hij Neven gaan roepen en dan Geurts. Hij wist toen nog niet dat Verjans dood was. Hoe Verjans in zijn kamer terechtgekomen is, kan hij niet zeggen. Tijdens het incident heeft hij de vrouw Verjans niet gezien. Hij zag haar pas toen hij met Geurts terugkwam. Toen zat zij treurend over haar man gebogen. Russon heeft toen licht gemaakt en dan pas stelde hij vast dat Verjans dood was. Toen hij aan de vrouw vroeg wat er precies gebeurd was, antwoordde zij hem dat er iemand van onder hun bed gekomen was.

Russon kan niet verklaren hoe het komt dat zijn kleren al onder het bloed zaten toen hij hulp ging zoeken. De verwondingen aan zijn oog en zijn neus zijn volgens hem het gevolg van de slagen die hij gekregen heeft van de tweede indringer.

Na de ondervraging houdt de onderzoeksrechter ook Russon aan.

In de loop van de dag vindt veldwachter Truyens van Genk een revolver in de beerput bij het huis van Verjans.

De volgende dag, 2 februari, is onderzoeksrechter Hubert Lambrichts weer van dienst. Hij ondervraagt de twee verdachten in zijn kantoor in Tongeren.

Florentine Goffin verklaart:

Van in de zomer van 1918 verkeert Russon met mijn zuster Valerie in Vliermaal. Rond nieuwjaar 1919 is hij bij mij in logement gekomen en hij is er tot nu gebleven.

In 1911 ben ik getrouwd en sinds december 1913 woon ik in Genk. Mijn man is soldaat geweest. Na de oorlog is hij in december 1918 voor het eerst weer thuis geweest. Sinds juli 1919 is hij uit dienst. Vorige zaterdag ben ik rond 10 uur alleen naar boven gegaan. Ik heb mij uitgekleed en ben in bed gaan liggen. Ik weet niet of mijn man of Russon het eerst naar boven gekomen is.

Mijn man is in de kamer gekomen, hij heeft zich uitgekleed en is naast mij in bed komen liggen, langs de muur, zoals wij altijd in bed liggen. Dan is mijn man opgestaan om zich een inspuiting te doen. De spuiten liggen in de kast. Toen hij aan de kast was, zegde hij “Wat is dat hier?” Hij heeft zich achterover in het bed laten vallen, over mij heen, met zijn kop tegen de muur. Toen is iemand van de kant van het venster gekomen en heeft 5 of 6 keren, misschien wel meer, op mijn man geschoten. Die lag toen nog over mij, op zijn rug. Ik heb om hulp geroepen en mijn man is opgesprongen en heeft naar de vreemde persoon gepakt. Zij zijn de kamer uitgegaan, en toen heb ik in de gang horen schieten. Ik ben in de achterkamer gevlucht. Ik heb mijn man de kamer van Russon binnen horen gaan. Mijn man heeft geschreeuwd en hij is gevallen. Ik ben de kamer van Russon binnengegaan. Mijn man lag op de grond en Russon was daar ook. Hij heeft een pitslampje genomen en heeft op mijn man geroepen. Hij heeft hem geschud om te zien of hij nog leefde. Russon zegde mij Geurts te gaan roepen, maar dat heb ik niet gedaan. Ik ben bij mijn man gebleven. Russon is Geurts gaan roepen.

De slaapkamerdeuren zijn niet op slot. Zij zijn maar dichtgestoten. De voordeur was op slot, maar de sleutel steekt vanbinnen. Die deur staat bijna altijd open tot wij slapen gaan.

Die vreemde persoon heeft met een revolver geschoten. Wij hadden geen revolver. Mijn broer Henri heeft er wel een. Hij brengt die mee om ’s avonds naar huis te gaan. Russon heeft geen revolver.

Mijn broer Henri werkt op de koolput in Winterslag. Hij komt ’s maandags ’s morgens en vertrekt zaterdags. Vorige zaterdag is hij rond 5 uur vertrokken.

Russon heeft mij gezegd dat hij twee dieven gezien heeft. Ik heb er maar een gezien en er is er maar een in mijn kamer geweest. De dief heeft geen woord gesproken. Ik heb nooit betrekkingen gehad met Russon en ik heb ook nooit van iemand liefdesbrieven gekregen.”

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter Russon. Die herhaalt wat hij een dag eerder aan rechter Frère gezegd had.

Hij herinnert zich nu dat de venster aan de kamer tegenover de zijne open stond. Hij ontkent dat hij – zoals de vrouw van Verjans zegt – na de feiten in zijn kamer was en haar met zijn elektrische lamp bijlichtte.

Over het liefdesleven van vrouw Verjans weet hij niets te melden, behalve dat zij hem ooit gezegd heeft dat Geurts een oogje op haar had. Hij was op de hoogte van het feit dat Verjans een geslachtsziekte had opgelopen.

Na de ondervraging van Russon zet de rechter de ondervraging van vrouw Verjans voort. Zij preciseert dat de avances van Geurts altijd bij woorden gebleven zijn. Zij kan niet zeggen hoe de aanvaller het huis verlaten heeft.

Terwijl de onderzoeksrechter in Tongeren de verdachten ondervraagt, ondervragen de rijkswachters in Genk op 2 februari Henri Goffin, de 26-jarige broer van Florentine. Hij is bediende bij de mijn in Winterslag en logeert door de week bij zijn zus:

“Ik ben in logement bij mijne zuster sedert december 1915.

Gedurende den oorlog heeft mijne zuster zich goed gedragen. Zij was zeer ingenomen van haren man. Zij ging dagelijks naar de mis om voor hem te bidden. Zij schreef hem dikwijls en sprak gaarne van hem.

Op het laatste van den oorlog werd zij onverschillig. Zij ging niet zo regelmatig of met dezelfde ijver meer naar de kerk. Zij was onverschillig over het lot van haar echtgenoot. Rond kerstmis had zij nog steeds geen echte opsporing naar hem gedaan. Zij wist niet of hij nog leefde.

Door schaamte ben ik zelf naar Brussel en bij het grenadiersregiment gegaan. Na lang gelopen te hebben, heb ik hem toch gevonden. Toen hij mij vroeg waarom Florentine niet meegekomen was, heb ik hem wijsgemaakt dat zij ziek was.

Verjans vroeg mij hoe zij het maakte en hoe alles gegaan was gedurende de oorlog. Hij was zeer geïnteresseerd in haar en in de zaken. Omdat hij toen geen verlof had kon hij niet meekomen, maar hij beloofde zo snel mogelijk te komen.

Daags voor kerstmis, om middernacht, kwam hij aan. Hij is 8 of 10 dagen in verlof geweest. Zij heeft die nacht vuur gemaakt en eten gemaakt voor haar man. Zij heeft hem goed onthaald. Gedurende zijn verlof ging alles opperbest.

Tijdens de oorlog heeft Russon mij op zekere dag gevraagd of hij bij mijn zuster kon logeren. Ik heb er haar van gesproken, en heb er bijgevoegd dat het beter was hem niet te nemen. Zij heeft mij gezegd dat zij dat op dat ogenblik ook niet wilde.

Russon kwam dikwijls naar haar winkel. Ter gelegenheid van het bezoek van mijn zusters en nichten kwam hij binnen en speelde toen muziek. Langzaamaan vermeerderde hij zijn bezoeken, zonder dat mijn jongere zussen er bij waren, tot hij eindelijk in logement gekomen is. Hij was goed en gedienstig voor haar. Hij hielp haar op allerlei manieren. Bijzondere genegenheid heb ik toen niet opgemerkt.

Toen Verjans gedemobiliseerd werd, ging Russon zeer vriendelijk met hem om. De genegenheid van mijn zuster voor haar man verminderde van dag tot dag. Bij mijn ouders hoorde ik zeggen dat Florentine dikwijls twistte met haar man. Zij had thuis gezegd dat hij een vuile ziekte had. Ik heb dikwijls gezien dat zij hem ternauwernood aansprak.

Hij was doorgoed. Hij spaarde geen middelen om de betrekkingen te verbeteren.

Over drie weken zegde mijn zuster hem dat zij niets meer van hem moest weten, dat hij mocht lopen waar hij het gehaald had, en dat zij hem niet meer nodig had.

Russon is gedurende al die tijd vleiend en vriendelijk met Verjans omgegaan.

Ik bezit een Duitse Mauserrevolver. Ik heb dat wapen meerdere keren bij mijn zuster ter hand genomen. Mijn schoonbroer en Russon hebben er zelfs mee geschoten. Vorige week donderdag en vrijdag heb ik er in de hof mee op een planken deur geschoten in het bijzijn van Russon en van mijn schoonbroer.

Nu ik alles overdenk, is het mijn overtuiging dat Russon al een revolver bezat. Hij heeft dat altijd verzwegen. Er is nu immers een revolver gevonden terwijl het mijne in Vliermaal is. Over 14 dagen is hij naar Luik geweest en waarschijnlijk heeft hij zijn wapen daar gekocht.

Mijn zuster en mijn schoonbroer ontkleden zich nooit zonder licht in hun slaapkamer. Ik heb dit honderden keren gemerkt. Zij gebruiken een kaars of een kleine lamp en als zij ontkleed zijn, blazen zij het licht uit.

Zij hebben hun misdaad op een zaterdag gepleegd omdat ik er dan niet was, en omdat Russon op zondag in de cinema moet spelen.”

Op 2 februari spreekt veldwachter Truyen de plaatselijke kantoorhouder van de Bank Maas en Kempen. Die vermoedt dat de moord op Verjans al lang daarvoor gepland was. Op 15 april 1919 nam hij immers 14.000 frank in ontvangst van Florentine Goffin, om dat geld op een lopende rekening te zetten, zodat zij het op eenvoudige aanvraag weer kon opnemen. Zij gaf de bankier expliciet opdracht daarvoor een rekening op haar naam te openen, zonder dat haar man daar van wist.

Op 3 februari neemt veldwachter Truyen de tijd om in het dodenhuis het lijk van Verjans nauwkeurig te bekijken. Dat doet hem besluiten dat er bij de moord meer dan zes schoten afgevuurd werden. In de trommel van het revolver dat in de beerput gevonden was, zitten slechts 6 lege kogelhulzen. Daarop gaat hij met een gemeentewerkman terug naar de beerput, voor een nieuw onderzoek. Daar vinden zij een tweede revolver, deze keer met 2 hulzen van afgeschoten patronen en 3 niet afgeschoten patronen in de trommel. Truyen laat de beerput helemaal leegmaken, maar meer wapentuig wordt er niet in gevonden. In zijn proces-verbaal merkt Truyen op dat de twee revolvers hagelnieuw zijn.

Op aangeven van Truyen ondervraagt de onderzoeksrechter op 4 februari Henriette Engelen, de echtgenote van Jan Geurts. Zij verklaart dat zij op de avond van de moord 7 of 8 schoten gehoord heeft, en dat er wel een kwartier verliep tussen het moment waarop zij de schoten hoorde en het moment waarop Russon hun huis binnenkwam.

De onderzoeksrechter ondervraagt op 4 februari in zijn kantoor Emile Verjans en Jan Goffin.

Emile Verjans uit Romershoven is de broer van de dode. Hij bevestigt dat Aloïs deed wat hij kon om de relatie met zijn vrouw te verbeteren, en dat hij niet wilde inzien dat zij een relatie had met Russon.

Jan Goffin uit Vliermaal is de 62-jarige vader van Florentine:

“Mijne dochter is altijd braaf geweest, totdat zij in de handen van Marcel Russon is gevallen. Hij heeft zich bij haar ingedrongen. Gedurende de oorlog bezorgde hij haar allerlei zaken van het Comiteit van de koolput.

Russon verkeert met mijn dochter Valérie, maar dat is maar schijn. Hij deed dat om zijn betrekkingen met Florentine te bedekken. Over twee of drie weken is Valérie bij Florentine in Genk geweest. Toen zij terugkwam heeft zij gezegd dat zij niet meer met Russon wilde verkeren.”

(Brieven van Russon aan Valérie)

Later die dag houdt het gerecht een reconstructie in Genk, in de woning van Verjans. Marcel Russon en Florentine Goffin geven om beurt aan hoe de feiten volgens hen verlopen zijn.

Twee geneesheren, Eugène Stockès uit Luik en Fritz Ghineau uit Tongeren, voeren een lijkschouwing uit op het slachtoffer. François Voets is een landmeter van het kadaster in Tongeren. Hij krijgt opdracht een plan te maken van het huis en de omgeving.

Op 6 februari houdt Florentine het niet langer vol. Als de onderzoeksrechter haar ondervraagt, geeft zij een nieuwe versie van de gebeurtenissen van zaterdag 31 januari:

“Mijn man is verleden zaterdag van Hasselt teruggekeerd rond 9 uur ’s avonds. Hij was een weinig bedronken. Ik heb hem willen eten geven. Ik heb een telloor genomen en wilde hem vlees halen uit de winkel. Hij heeft mij teruggestoten, zeggende “Wat wilt gij mij eten geven?” Hij heeft zich zelf vlees gehaald uit de winkel en dat gebraden. Russon heeft tegen hem gezegd “Zwijg toch, zwijg toch!” Meer is er niet gebeurd.

Ik ben alleen slapen gegaan. Ik was 5 of 10 minuten in mijn bed als mijn man slapen gekomen is. Russon is voor mijn man zijn slaapkamer ingegaan, meen ik. Ik lag in bed. Mijn man heeft zich ontkleed. Hij is aan het bed gekomen en hij heeft aan de lakens getrokken om in bed te komen. Ik heb de lakens teruggetrokken. Ik wilde uit het bed gaan en mijn man kwam in bed. Hij zat op zijn knieën op het bed en lag nog niet neer toen Russon binnengekomen is. Hij heeft geroepen “Aloïs!”, bedoelende dat hij stil moest zijn.

Russon is voor het bed komen staan en is op mijn man beginnen te schieten. Ik heb Russon vastgegrepen. Mijn man is uit het bed gesprongen en heeft Russon vastgepakt. Ik ben toen de kamer tegenover die van Russon ingevlucht. Ik heb hen toen horen worstelen aan de trap. Mijn man heb ik in de kamer van Russon horen vallen.

Ik kan niet zeggen of er in de gang nog geschoten is, maar toen mijn man in de kamer van Russon lag, heeft Russon niet meer geschoten. Ik ben de kamer van Russon ingegaan, waar mijn man lag. Hij heeft niet meer geschreeuwd en niets meer gezegd. Russon is er toen bijgekomen. Ik weet niet van waar hij kwam. Hij heeft zijn pitslampje genomen en gelicht. Dan heeft hij op mijn man geroepen en aan hem getrokken. Aan het lijk van mijn man heb ik tegen Russon gezegd “Wat hebt gij toch gedaan?” “Als ik het niet deed, dan maakte hij u kapot” heeft Russon geantwoord. Hij zegde ook dat ik aan niemand iets mocht zeggen, of hij zou mij doodschieten. Dan heeft hij mij gezegd wat ik moest zeggen als iemand iets over de dood van mijn man zou vragen.

Dan heeft Russon mij gezegd hulp te gaan roepen bij Geurts. Dat wilde ik niet en daarom is hij zelf gegaan.

Alles is tegen mijn wil gebeurd. Ik durfde dit niet eerder zeggen omdat ik betrekkingen gehad heb met Russon en ik vreesde dat hij dat zou bekendmaken.

Wij hebben betrekkingen sinds een half jaar voor Wapenstilstand, en gingen daar tot nu toe mee door.”

Gewapend met de verklaring van Florentine, voelt de onderzoeksrechter Russon aan de tand. Ook hij besluit zijn verhaal aan te passen. Toen Verjans die nacht ging slapen, lag Russon al in bed. Hij hoorde het echtpaar ruziën. Toen hij Florentine hoorde jammeren is hij uit bed gesprongen, heeft de twee revolvers uit zijn kast genomen en is de kamer van het echtpaar binnengegaan. Daar heeft hij op Verjans geschoten. Hij weet niet meer hoe vaak hij geschoten heeft, maar Verjans is nog van het bed gekomen om hem te slaan. Dan heeft Russon ook geschoten met het tweede revolver. Vechtend zijn de twee mannen op de gang terecht gekomen. Russon is daarbij van de trap gevallen. Beneden heeft hij eerst de revolvers tussen de steenkolen in de varkensstal verstopt. Hij is dan terug naar boven gegaan, waar hij Florentine bij haar man in zijn kamer aantrof. Zij weende en maakte hem verwijten. Hij heeft haar opgedragen om als iemand haar iets zou vragen, te zeggen dat een onbekende van onder het bed tevoorschijn gekomen was en was beginnen te schieten. Toen Geurts de rijkswacht was gaan verwittigen heeft hij de revolvers in de beerput geworpen. Russon neemt de schuld voor de moord op zich, en zegt dat Florentine niet van zijn plannen op de hoogte was.  De revolvers heeft hij van vrienden op de mijn gekocht. Voorts bekent hij dat hij en Florentine sinds begin 1918 een relatie hadden. Zolang haar man er niet was, deelden zij het bed. Zijn relatie met Valerie onderhield hij voor de schijn. Tot slot herhaalt hij dat hij alleen gehandeld heeft, uit liefde voor Florentine.

Op 22 februari klimt Jules Goffin, de vader van Florentine in de pen om zijn dochter te verdedigen. Hij schrijft een brief aan de onderzoeksrechter in Tongeren:

“Edel Hoogachtbare Heer Onderzoeksrechter,

zooals de Heer Procureur Generaal van Maldegem te Brussel in het proces Pelsers eens zegde – Ik bid God den Rechter der Rechters dat hij geen woord over mijne lippen laat komen dat niet den stempel der waarheid draagt – Zoo ook Heer Onderzoeksrechter, dat Hij geen woord uit mijne pen late vloeien dat niet den stempel der waarheid draagt. Men zegt mij dat beide betichten hunne verklaringen niet met feiten overeenstemmen, laat mij toe Heer Rechter, u op een geval opmerkzaam te maken. Mijne dochter is van kindsbeen af onderhevig geweest aan zenuwachtigheid, ze zat soms te mijmeren en te droomen en als men haar aansprak, zelf noch niet hevig, dat zij dan opsprong als iemand die zich verschrikt, zij heeft zelfs toen zij een jaar of tien oud was de geel verf gehad en ik heb dikwijls hooren zeggen dat men die ziekte krijgt door zich te verschrikken. Dit wil niet zeggen Heer Rechter dat ik haar wil vrij pleiten, neen, duizend maal neen, doch daarom zou men kunnen denken dat zij zich de feiten niet goed herinnert, en volgens mij stond zij gansch onder den invloed en den schrik van dien bandiet.

Wat het geld betreft Heer Rechter, toen de oorlog uitbrak toen woonden zij omtrent acht maanden in Genck (Winterslag), toen hadden zij omtrent vijftien honderd franken geld, en toen mijn schoonzoon weerkwam had mijn dochter rond de zeventien duizend franken waarvan zij veertien duizend op intrest had uitgezet, en daarin hadden mijne twee zonen, Hendrik en Willem, haar veel geholpen, zij kochten de beesten en slachtten ze en hielpen alles gereed maken. Mijn zoon Willem kende den slachtersstiel, hij was omtrent drie jaar te Luik aan ’t ambacht geweest en nu is hij soldaat.

Kwam dien Waal daar niet in huis, nooit zou dat vreeselijk voorval plaats gehad hebben, dezen is de schuld van alles.

Gelieve, Hooggeachte Heer, mijn diepe en nederige groeten te aanvaarden

J. Goffin

Eggetingen (Vliermael) 22 februari 1920

De brief van de vader van Florentine is het laatste stuk in het dossier. Nu de verdachten de feiten bekend hebben kunnen de onderzoeksrechter en de procureur hun onderzoek afronden. De rechtbank in Tongeren verwijst het dossier naar de procureur-generaal in Luik, en die legt de zaak daar op 21 juni 1920 voor aan de kamer van inbeschuldigingstelling in Luik. Die verwijst Russon en Goffin naar het hof van assisen. Raadsheer Joseph Slegers zal het hof voorzitten. De samenstelling van de jury kennen we niet, maar de lijst van de gezworenen bleef in het dossier wel bewaard. De juryleden komen uit het Limburgse kiezerskorps van die tijd. Vermogende handelaars, grote boeren en mannen die voor hun beroep hogere studies achter de rug hebben vormen de meerderheid.

Het proces begint op woensdag 28 juli en op 30 juli veroordeelt het hof van assisen in Tongeren Marcel Russon en Florentine Goffin respectievelijk tot 20 en 15 jaar dwangarbeid.

Op 31 juli gaan de veroordeelden nog in cassatie. Zij zijn immers van mening dat het requisitoir van het openbaar ministerie niet alleen in het Nederlands uitgesproken had mogen worden. Russon beweert immers onvoldoende Nederlands te kennen om de beschuldigingen begrepen te hebben. Op 23 november 1920 verwerpt het hof van cassatie de voorziening in cassatie.

Gezworenen:

Joseph Roberti, notaris te Mechelen-aan-de-Maas

Charles De Voet, landbouwer te Neerrepen

Georges Vroonen, handelaar te Tongeren

Jean Dubois, rustend onderwijzer te Gutsenhoven

Armand Palms, handelaar te Sint-Truiden

Arthur Philips, handelaar te Maaseik

Ferdinand Mat, handelaar te Tongeren

Joseph Daniels, landbouwingenieur te Herk-de-Stad

Paul Stas, gepensioneerde te Hasselt

Octave Van den Bosch, handelaar te Bree

Jean Hendrickx, handelaar te Sint-Truiden

Walther Duchateau, landbouwer te Eben-Emaal

Jacques Goosens, eigenaar te Lommel

Ferdinand Meyers, landbouwer te Koninksem

André Haumont, handelaar te Hasselt

Charles Konings, handelaar te Maaseik

Leopold Brillouet, rentenier te Hasselt

Joseph Verbelen, ambtenaar bij het provinciebestuur te Hasselt

Mathieu Tilmans, ondernemer te Maaseik

Libert Roux, landbouwer te Kortijs

Guillaume Schepers, landbouwer te Vroenhoven

Paul Cartuyvels, notaris te Sint-Truiden

Libert Lunskens, handelaar te Tongeren

Louis Maes, onderwijzer te Bree

Sylvain Vreven, apotheker te Hasselt

Victor Vandersmissen, rentenier te Hasselt

Arthur Smets, veearts te Bree

Jean Pierre Bollen, landbouwer te Bilzen

Benoit Broeders, apotheker te Tongeren

Joseph Gilot, landbouwer te Kozen

Reserven:

Henri Mornard, kopergieter te Tongeren

François Renwart, handelaar te Tongeren

Joseph Schreiber, dr. in de wetenschappen te Tongeren

Jean Borré, handelaar te Tongeren

De oudste is 68, de jongste is 38

Een goed gevuld spaarboekje
Rombout Nijssen

Tijdens de eerste wereldoorlog, en in afwezigheid van haar man maar geholpen door haar broers, had Florentine fortuin gemaakt door het uitbaten van de slagerij die haar man had opgestart. Na de oorlog kon zij veertienduizend frank op een spaarboekje op haar naam zetten. Als je weet dat het dagloon van een ongeschoolde arbeider destijds niet veel meer dan één frank bedroeg, dan weet je ook dat veel mensen destijds zoveel geld in hun hele leven niet verdienden !