Dossier 805 Beestige roofmoord in Sint_Truiden

Inhoud

De criminel dossier  805

Beestige roofmoord in Sint-Truiden, 1918

Rombout Nijssen

In de vroege ochtend van zaterdag 6 april 1918, om zes uur, melden mensen die langs de Diestersteenweg naar de markt in Sint-Truiden gekomen zijn, in het politiekantoor dat zij in een zijstraatje van de Steenweg op Herk-de-Stad Louis Levie stervend aangetroffen hebben. Levie is in de streek gekend als veekoopman. Hij is van Aarschot, maar hij verblijft geregeld enkele dagen in Sint-Truiden, waar hij vee opkoopt. Hij logeert dan in een hotel op de Grote Markt. In de veehandel gaat veel contant geld om, en het is geweten dat ook Levie dikwijls een groot bedrag op zak heeft.

Adjunct-commissaris Vandenberghe en veldwachter Usé gaan dadelijk ter plaatse. Zij treffen de zwaargewonde en leeggebloede veekoopman aan tegen een haagkant langs de weg. Het slachtoffer ligt op zijn rug, met het hoofd tegen de haagkant en de benen en voeten op de weg. Hij geeft nog tekens van leven maar is buiten bewustzijn. Zijn gezicht, zijn hals, zijn hoofd en zijn handen staan vol wonden en de man is helemaal bebloed.

De veekoopman wordt nog met een ziekenwagen naar het stedelijk hospitaal voor mannen, aan de Sint-Maartenskerk gebracht, maar daar overlijdt hij bij aankomst. Hij heeft niets meer kunnen zeggen.

Terwijl Levie weggebracht wordt, onderzoeken de politiemannen de plaats van het misdrijf. De feiten zijn buiten de stad gebeurd. Enkele honderden meters voor de spoorwegbrug over de Diestersteenweg, loopt aan de hoeve Vangeel een weg het veld in. Die weg loopt dood tegen de berm van de spoorweg naar Tongeren. Waar de weg doodloopt, staat tegen de spoorwegberm de hoeve van Willem Wolfs.

Het slachtoffer werd op 50 meter voor de hoeve van Wolfs gevonden. Nog 15 meter terug zijn bloedsporen te zien op de weg, en aan het platgedrukte onkruid langs de weg is te zien dat daar iemand op de grond terechtgekomen is en dat er geworsteld is. Van op die plek loopt een 5 meter lang bloedspoor in de richting van de Steenweg.

Hieruit leiden de agenten af dat het slachtoffer op ongeveer 70 meter van de boerderij van Wolfs aangevallen is en tot bloedens toe geslagen werd. Een vijftal meter verder is hij op de grond terechtgekomen en daar hebben zijn aanvallers hem met veel geweld proberen te doden. Daarna is het slachtoffer nog 15 meter verder geraakt, om daar aan de kant van de weg te bezwijken. Op die plek werd hij ’s morgens gevonden.

Op de plek met het platgetrapte gras en onkruid vinden de agenten een belangrijke aanwijzing die hen op het spoor naar de daders zet. In het gras liggen twee houten mortierstampers. Die stampers worden gebruikt om gedroogde kruiden of mineralen fijn te stampen in een mortier. Mortierstampers zijn in sommige keukens te vinden, en zij horen tot de standaarduitrusting van iedere apotheek. Mortierstampers die in een apotheek gebruikt worden zijn bedekt met een porseleinen kop. Op de stampers die hier gevonden worden zitten geen koppen meer, maar er is aan te zien dat die er wel opgezeten hebben.

Ondertussen is het half acht geworden, en commissaris Joseph Neys van de politie van Sint-Truiden komt ook ter plaatse. De commissaris neemt verklaringen af van  de bewoners van beide woningen in de buurt. Bonaventure Vangeel is een 40-jarige landbouwer. Hij woont aan het begin van de weg, waar die van de Steenweg afbuigt. Hij verklaart:

“Gisterenavond, rond half acht, stond ik aan de deur van mijn woning. Ik zag twee of drie personen de straat in komen. Zij hadden plezier en lachten ondereen. Ongeveer een half uur later zijn een man en een vrouw de straat uit gegaan. Ik hoorde hen zachtjes spreken. Het meisje lachte.”

De tweede bewoner van het straatje is de 35-jarige landbouwer Willem Wolfs. Hij woont aan het einde van de straat. Hij weet niet veel meer:

“Rond kwart voor acht hoorde ik onze hond geweldig blaffen. Ik was binnen aan het lezen, en aangezien de hond zo reageert als iemand op de baan komt, ben ik niet ogenblikkelijk buiten gegaan. Een tiental minuten daarna ben ik tot aan de deur gegaan. Ik heb toen niets gehoord of bemerkt.

Vanmorgen rond half zes Belgisch uur, ben ik naar buiten gegaan. Toen heb ik die man gevonden. Hij lag in de gracht zoals de heer ondercommissaris hem gevonden heeft.”

Wolfs spreekt van half zes Belgisch uur. In april 1918 was de Eerste Wereldoorlog nog niet voorbij. België was bezet en het officiële uur was het Duitse uur, dat één uur voorliep op het Belgische. Hoewel dat officieel verboden was, bleven veel mensen in België  om praktische redenen of uit patriottisme, de vooroorlogse Belgische tijdsaanduiding gebruiken. Het verschil tussen de officiële Duitse tijd en de zogenaamde Belgische tijd leidde geregeld tot misverstanden.

Nadat hij beide mannen gehoord heeft, gaat de commissaris naar het mannenhospitaal in de Tiensestraat in Sint-Truiden, om zich te vergewissen van de toestand van het slachtoffer. Daar verneemt hij dat Levie onmiddellijk na zijn aankomst in het hospitaal overleden is. De zuster die de leiding heeft over het hospitaal overhandigt de commissaris een dik pak geldbriefjes van 20 mark. Het pakket is met bloed besmeurd en de zuster verklaart dat het uit de binnenzak van de jas van het slachtoffer komt. Later blijkt dat het om een bedrag van 5.000 mark gaat.

Dan gaat de commissaris naar de apotheek van het hospitaal. Daar treft hij apotheker Alfred Neven. Neven herkent de houten mortierstampers als de stampers van zijn eigen apotheek. Neven wordt geholpen door een apothekersgast, Joseph Rietjens. Rietjens herkent de stampers ook, maar is minder stellig dan zijn baas.

Ondertussen gaat het nieuws over de gewelddadige dood van Louis Levie rond op de markt die in Sint-Truiden op gang komt. Zo komt het de commissaris ter ore dat Levie de avond daarvoor om vijf uur in café Het Zwart Varken op de Grote Markt zat, in gezelschap van twee collega’s: Victor Dewamme en Oscar Planchard.

Victor Dewamme is een 22-jarige varkenskoopman uit Sint-Truiden. Hij woont in de Leopoldstraat. Hij verklaart:

“Ik was gisterenavond rond half zes in de herberg Het Zwarte Varken, in gezelschap van Oscar Planchard. Op dat ogenblik besprak Levie met twee personen van Sint-Truiden, Isidoor Plevoets en Frans Gregoir, de aankoop van een paard. Zij stonden voor de deur van de herberg. Rond zes uur heb ik Planchard verlaten om te gaan avondeten. Rond half acht ben ik naar café Beckers op de Grote Markt gegaan, waar Planchard ook is binnengekomen. Ik ben daar gebleven tot half negen.”

Oscar Planchard is een 37-jarige veekoopman uit Luik. Hij bevestigt dat hij de avond daarvoor rond half zes met Victor Dewamme in café Het Zwart Varken was. Levie stond op dat moment met twee personen te onderhandelen over een paard. Rond zes uur nam hij afscheid van Dewamme, om dan naar café Stuvers in de Recollettenstraat te gaan. Daar is ook Levie binnengekomen. Levie was in het gezelschap van een onbekende man. Planchard herinnert zich dat de onbekende een kleine snor draagt en ongeveer 25 jaar oud is, en dat hij apothekersgast is. Rond half zeven is het gezelschap, dat ondertussen bestond uit Planchard, Florian Dewamme, de vader van Victor, Louis Levie en de apothekersgast, naar café Jeandarme in dezelfde straat gegaan.

Op dat moment begon het donker te worden, herinnert Planchard zich. Na het bezoek aan het café van Jeandarme heeft de groep zich gesplitst. Planchard en vader Dewamme zijn naar het café van Vandevelde gegaan, terwijl Levie en de apothekersgast afscheid namen. Planchard heeft zijn kroegentocht nog voortgezet. Rond half negen waren hij en Victor Dewamme in het café van Beckers.

De commissaris vermoedt dat de apothekersgast waarvan Planchard spreekt Joseph Rietjens is. In het hospitaal heeft Rietjens niet vermeld dat hij de avond daarvoor bij Levie was. Samen met de adjunctcommissaris trekt de commissaris naar de apotheek van Neven om Rietjens aan de tand te voelen over wat er de avond daarvoor voorgevallen is.

Het valt de agenten dadelijk op dat Rietjens onrustig is. Zij bevelen hem hen naar zijn woning in de Beekstraat te vergezellen, waar zij een huiszoeking doen in zijn kamer. Daar merken zij dat er op zijn overjas op zijn overjas bloedvlekken zitten. De bloedvlekken zijn gedeeltelijk weggewassen en de jas is daardoor nog nat. Andere bezwarende elementen worden in de kamer van Rietjens niet gevonden.

De commissarissen nemen de 22-jarige apothekersgast mee naar het politiebureau om hem daar te ondervragen. In eerste instantie geeft hij enkel toe in een gezelschap waar ook Levie bij was, twee cafés bezocht te hebben:

“Om zes uur ben ik in café Het Zwart Varken geweest. De koopman Levie stond aan de deur met twee mannen van de stad, met wie hij een paard verhandelde. Kort daarvoor ben ik met Levie naar café Royal gegaan. Daarna zijn wij in gezelschap van Florian Dewamme en een Waal naar het café van Jeandarme gegaan. Toen wij die herberg verlaten hebben, ben ik met Levie weer de Grote Markt op gegaan en met Gaston Vandertaelen gaan spreken. Vervolgens ben ik met mijn meisje, de winkeldochter van madame Goffin, gaan wandelen. Ik ben bij haar gebleven tot half tien.”

Als zijn ondervragers er hem op wijzen dat zijn uitleg geen verklaring geeft voor de aanwezigheid van de bloedvlekken op zijn klederen, verandert hij zijn verklaring:

“Toen ik met Levie de herberg Jeandarme verliet, zijn wij de Grote Markt opgegaan. Daar zagen wij Gaston Vandertaelen aan de deur van zijn woning staan. Met Vandertaelen zijn wij naar de apotheek Neven gegaan. Daar hebben wij twee flessen wijn uitgedronken, die ik aanbood. Vandertaelen zegde toen dat hij een paard te koop wist staan. Daarna zijn wij over de Grote Markt gegaan, de Diesterstraat af, de Absmolenstraat en zo langs de hof van Vandertaelen naar de Diester Steenweg. Vervolgens zijn wij de weg ingegaan die naar de woning van Willem Wolfs leidt. Levie en Vandertaelen gingen een meter voor mij op. Op een gegeven ogenblik heeft Gaston Vandertaelen Levie afgeslagen met de grote stamper waarvan gij mij het hout toont. Ik heb Levie toen ook geslagen met de kleinere stamper. Daarna vroeg Vandertaelen mij mijn pennemes. Ik gaf het hem en hij kerfde ermee in het hoofd van Levie en sneed aan zijn keel. Toen hij mij het mes teruggaf heb ik Levie ook in het hoofd gestoken waar ik hem treffen kon. Levie lag neer en verdedigde zich met zijn handen. Wij staken en sneden hem ook in zijn handen. Vandertaelen heeft toen zijn portefeuille met geld uit binnenzak van zijn jas gehaald. Levie heeft zich weinig geweerd. Hij is na de eerste slag op de grond gevallen. Toen hebben wij beiden nog met de stampers op zijn hoofd geslagen. Ik kan niet juist zeggen hoe alles gegaan is, omdat ik wat bedronken was. De porseleinen koppen van de stampers waren afgebroken door het slaan. Vooraleer wij van de plaats weggingen, heeft Vandertaelen zwavelstokjes aangetrokken om die koppen te zoeken. Na ze gevonden te hebben, hoorden wij een hond blaffen. Vandertaelen zegde dat er iemand aankwam en toen zijn wij gaan lopen.

Langs de Diesterstraat zijn wij de stad weer in gekomen. Over de Grote Markt zijn wij naar de apotheek Neven gegaan. Daar hebben wij onze handen gewassen en het geld gedeeld.

Vandertaelen verdeelde het geld. Hij wierp beurtelings een briefje van duizend, honderd, vijftig of twintig mark voor hem en voor mij. Ik kan niet zeggen of wij ieder evenveel hadden. Mijn deel van het geld heb ik achter de lade van de toog verborgen. De twee porseleinen koppen heb ik onder een lade van een kast in de tweede plaats weggestokken. Het mes waarmee wij Levie hebben gestoken, heb ik in het gemak van de apotheek geworpen.”

Voorts vertelt Rietjens nog dat Levie de donderdag daarvoor met zijn rijtuig in Sint-Truiden was aangekomen. Hij logeerde bij Vandertaelen. Die avond beraamden hij en Vandertaelen de aanslag. Vandertaelen benadrukte dat zij hun plan nu moesten uitvoeren, omdat de kans groot was dat Levie omwille van het heersende mond- en klauwzeer de volgende weken niet meer naar de zaterdagse veemarkt zou komen.

Na de ondervraging van Rietjens vinden de commissarissen het geld – 8.950 mark – en de koppen van de mortierstampers in de apotheek van Neven. Dan gaan zij naar de woning van Vandertaelen, aan de Grote Markt, waar zij in de kelder achter een loszittende steen een pak bankbiljetten vinden. Hier gaat het om 12.150 mark.

Gaston Vandertaelen is 23 jaar oud, en werkt in de zaak van zijn ouders. De commissaris laat hem ophalen en naar het politiebureau brengen, waar hij hem ondervraagt. Hij laat hem de verklaring van Rietjens voorlezen, waarop Vandertaelen alle betrokkenheid ontkent. Als hem het geld getoond wordt dat in de kelder van de woning van zijn ouders gevonden werd, verandert hij zijn verklaring:

“Gisterenavond, rond half negen, was ik op de Grote Markt en zag ik Rietjens aankomen. Zijn klederen waren bebloed. Hij zegde mij dat hij Levie had afgemaakt en zijn geld had gestolen. Ik heb hem vergezeld naar de apotheek Neven en daar heb ik zijn handen gewassen. Toen heeft Rietjens het geld gedeeld en mij een deel gegeven om het thuis te verbergen en het voor hem te bewaren. Hij was voornemens een huis te kopen, zo zegde hij.”

De bloedvlekken op zijn klederen zijn daar op gekomen toen hij de handen van Rietjens waste, zo probeert Vandertaelen te verklaren. Dat er ook bloedplekken aan de binnenkant van zijn jas zitten, kan hij niet uitleggen.

De commissaris draagt dokter Govaerts nog op een onderzoek te verrichten naar de uitwendige sporen van geweld op het slachtoffer, en daarvan een verslag op te stellen.

Dan draagt hij de zaak over aan de Duitse Kommandantur in Sint-Truiden. De Duitse bevelhebber laat Rietjens en Vandertaelen naar de gevangenis in Hasselt overbrengen, waar zij die dag om tien voor twaalf (DT) worden afgeleverd.

Diezelfde dag worden zij door de Duitse gerechtsofficier te Hasselt ondervraagd. Rietjens verklaart dat zijn loon als apothekersgast, 110 frank per maand, niet volstaat voor zijn gewone uitgaven en voor kosten van zijn herbergbezoek. Hij heeft dikwijls geld tekort. Ook voor Gaston Vandertaelen is dat het geval.

De volgende dag, 8 april, bezoek griffier Hecker met commissaris Neys en adjunct-commissaris Van den Berghe de plaats van het misdrijf en laat een schets van de omgeving maken. Hij geeft ook opdracht een gedetailleerd plan te maken van de route die Levie met zijn moordenaars afgelegde en van de plaats van het misdrijf. Ter plaatse zijn de sporen van het misdrijf door de regen grotendeels uitgewist.

Voorts ondervraagt hij die dag in Sint-Truiden Theodoor Meers en Jozef Peeters. Theodoor Meers is een 56-jarige varkenskoopman uit de Brustemstraat in Sint-Truiden. Hij verklaart dat hij op de avond van de moord van zes uur tot half acht Belgische tijd in het café van Vandertaelen was, en dat hij Gaston daar toen niet gezien heeft.

Jozef Peeters is een 23-jarige bakker uit Sint-Truiden. Hij verklaart dat Gaston wel in het café was:

“Verleden vrijdag was ik in den café Vandertaelen samen met Gaston, zoon van Vandertaelen. Ik dronk twee glazen bier en heb mij misschien een kwartier daar opgehouden. Rond kwart voor zeven verliet Gaston mij, mij zeggende dat hij naar zijn meisje, Anna Maris in de Diesterstraat, moest gaan. Nadien heb ik Gaston niet meer gezien.”

Op 9 april is de Duitse onderzoeker weer in Sint-Truiden. Hij ondervraagt er Bonaventure Vangeel en Willem Wolfs, Anna Maris, Emile Vandertaelen, Martha Clerincx, Hortense Vandertaelen, Anna Maria Jeandarme en commissaris Neys.

Bonaventure Vangeel is de bewoner van het huis aan het begin van het straatje waarop Levie vermoord is. Hij herhaalt wat hij twee dagen eerder aan de politiecommissaris verklaarde, maar hij herinnert zich nu ook dat hij een slag hoorde:

“Vrijdagavond rond half acht (BT, half negen DT), gingen twee of drie personen die met elkaar spraken en onder malkander lachten mijn huis voorbij. Enige ogenblikken later hoorde ik twee doffe slagen. Een schreeuw of hulpgeroep heb ik niet gehoord. Ik dacht dat misschien in de nabijheid iemand bezig was met hout kappen, en daarom hechtte ik aan deze slagen geen belang. Het was die avond zeer donker, zodat men op 2 meter afstand niemand herkennen kon.

Toen ik zaterdagmorgen rond half zeven van de moord hoorde, dacht ik onmiddellijk aan de twee slagen, die ik dan ook met de moord in verband bracht.

Rietjens en Vandertaelen ken ik niet.”

Dan wordt Willem Wolfs, de bewoner van de hoeve aan het einde van de weg, ondervraagd. Hij herhaalt dat hij het slachtoffer rond half zeven ’s morgens opmerkte, op ongeveer 50 meter van zijn woning . Levie leefde toen nog. 15 meter verder lag een plas bloed op de weg. Levie was zwaar gewond, en zijn gezicht was gezwollen.

Anna Maris is de verloofde van Gaston Vandertaelen. Zij is 24 en woont aan de Tiense Steenweg.

Zij verklaart:

“Mijn ouders bezitten in de Tiensestraat een café. Ik verkeer met Gaston Vandertaelen, misschien zeven maanden.

Van trouwen was nog geen sprak. Kort na nieuwjaar hielden onze betrekkingen op en Vandertaelen bezocht ons café niet meer. Voor ongeveer acht dagen, op Paasmaandag, kwam hij voor de eerste maal in lange tijd weer in ons café. Donderdagavond, van acht tot negen, was Gaston weer bij ons. Evenzo vrijdag van elf tot twaalf uur ’s middags. Toen hij ons café verliet vroeg ik hem of hij die avond (de avond van de moord) terugkwam. Hij zegde dat hij zou komen als hij niet met de kaarten speelde. Hij wist het nog niet.

Wij hebben geenszins gesproken van ons in de Diesterstraat of gelijk waar te ontmoeten. Ik heb hem die avond niet meer gezien.”

Emile Vandertaelen is de 54-jarige vader van Gaston. Hij baat een café uit op de Grote Markt in Sint-Truiden. Hij vertelt wat hij weet over het tijdsgebruik van zijn zoon ten tijde van de moord:

“Mijn zoon Gaston kwam verleden vrijdag rond 5 uur uit het veld terug naar huis. Hij bleef in de herberg, waar hij nog verscheidene bezigheden verrichtte. Tussen 6 en 7 uur was hij met Jozef Peeters in het café. Hun samenzijn duurde 10 à 15 minuten. Gaston ontstak dan nog het licht in de herberg en verliet het café met Jozef Peeters. Dat kan rond 7 uur Duitse tijd geweest zijn. Rond 10 uur kwam Gaston terug. Het was de tijd waarop de herbergen moeten sluiten. Ik moet uw aandacht trekken op het feit dat ik niet weet of het 7 uur Duitse of Belgische tijd was.”

Martha Clerincx is de verloofde van Joseph Rietjens. Zij is 21 jaar oud en zij is in dienst bij Alfons Mignolet aan de Luikersteenweg in Brustem. Zij vertelt de Duitse onderzoeker hoe zij haar verloofde op de avond van de moord in Sint-Truiden tegenkwam:

“Ik ken Jozef Rietjens sedert meer dan een jaar. Wij waren van plan binnen drie weken te trouwen. Mijn verloofde kwam mij bijna iedere avond afhalen om met mij een wandeling te doen, en wel altijd rond acht uur.

Verleden vrijdag wachtte ik hem rond die tijd vergeefs op. Ik zocht hem daarom in de nabijheid van de apotheek, in de Minderbroedersstaat. Rond half tien Duitse tijd, de klok had juist geslagen, zag ik hem met Gaston Vandertaelen van de Markt af komen. Wij waren toen dicht bij de apotheek.

Hij ging dan met Vandertaelen de apotheek in en sloeg de deur achter zich toe, wat mij verwonderde. Ik moest een kwartier wachten eer zij weer buiten kwamen. Ik was zeker dat het een kwartier was, want ik hoorde de klok slaan. Wij gingen dan samen naar het café Van der Velde, waar wij onder ons drieën een borrel advocaat dronken en ons een tiental minuten ophielden. Rietjens was opgeruimd, hij lachte en schertste. Men kon niet aan hem zien dat er iets bijzonders gebeurd was.

Ik merkte opeens op dat zijn schoenen zeer vuil waren. Op mijn vraag hoe dat kwam, zegde hij “Ik smokkel.” Of Gaston ook vuile schoenen had, kan ik niet zeggen, omdat ik hem niet oplettend bekeek.

Voor zover ik mij herinner, heeft Gaston bij Vandervelde met een briefje van 10 of 20 mark betaald. Het kan ook zijn dat Rietjens was een weinig bedronken. Ik bracht hem na 10 uur naar zijn woning in de Beekstraat.

Van de moord hebben Rietjens en Vandertaelen niets gezegd. Zij lieten zich ook geen opmerking ontvallen waaruit iets bijzonders op te maken was.

Zaterdagmorgen heb ik het gebeurde van de moord vernomen. ’s Namiddags om 3 uur hoorde ik zeggen dat Rietjens daarin betrokken was.”

Hortense Vandertaelen is de 18-jarige zus van Gaston. Zij bevestigt dat haar broer kort voor 7 uur hun café verliet, nadat hij het gaslicht aangestoken had.

Anna Maria Jeandarme is de uitbaatster van een café in de Minderbroederstraat. Zij vertelt dat Levie, Rietjens en Planchard de avond van de moord haar café bezochten:

“Louis Levie kwam sedert twee maanden nu en dan in mijn herberg. Verleden vrijdag kwam hij bij mij in gezelschap van Jozef Rietjens, die ik persoonlijk ken, en van een zekere Blanchard. Zij dronken ieder een cognac en bleven ongeveer een half uur. Toen zij weggingen brandde het licht in ons café, het kan ongeveer 7 uur Belgische tijd, 8 uur Duitse tijd geweest zijn. Blanchard bleef zitten en ging niet weg met Rietjens en Levie.”

Commissaris Neys tenslotte bevestigt dat de huiszoeking bij Vandertaelen buiten het gevonden geld, niets bezwarends opgeleverd heeft.

Terug in Hasselt ondervraagt de Duitse onderzoeker Jozef Rietjens voor de tweede keer. Hij bevestigt de verklaringen die hij eerder aan de hoofdcommissaris en aan de Duitse speurders afgelegd heeft, en verduidelijkt dat zijn tijdsaanduidingen betrekking hebben op Belgische tijd.

De volgende dag, 10 april, ondervraagt de Duitse leider van het onderzoek in Hasselt Gaston Vandertaelen. Die ontkent de veekoopman vermoord te hebben en tracht de onderzoeker te overtuigen van zijn alibi:

“Ik houd vol dat ik aan den moord van Levie geen deelgenomen heb. Toen ik vrijdagnamiddag rond 5 uur Duitse tijd van het veld kwam, ben ik tot rond 8 uur of kort na 8 uur Duitse tijd bezig geweest in de herberg. Rond 6 uur Duitse tijd trof ik in ons café een vluchteling aan die de voornaam Cyriel draagt. Hij is ongeveer van mijn ouderdom en woont bij Lux in de Klokkenstraat. Rond kwart voor 8 Duitse tijd kwam Jozef Peeters, die zich misschien een kwartier in de herberg heeft opgehouden. Met Peeters heb ik rond 8 uur Duitse tijd de herberg verlaten. Ik heb aan Peeters gezegd dat ik naar mijn meisje moest gaan, maar dat heb ik enkel gezegd om te schertsen. Ik ging alleen tot aan de hoek van de Markt, aan de winkel van Brietsiers. Van daar ging ik over de Markt naar de Minderbroedersstraat. Aan de piscine aan de Minderbroederskerk ontmoette ik rond half 9 Duitse Tijd weer de vluchteling Cyriel.

Ik had Rietjens te voren al op de Markt gezien en ik had bemerkt dat hij met bloed besmeurd was. Opdat Cyriel niet zou merken dat Rietjens bebloed was, zijn wij beiden van de piscine weggegaan en weer naar de Markt gegaan. Toen Cyriel weg was, ging ik met Rietjens weer de Minderbroedersstraat in, naar de apotheek.

Daar ontmoetten wij het meisje van Rietjens. Het kan kwart voor 9 Duitse tijd geweest zijn. Rietjens zegde tegen het meisje dat zij moest wachten. Wij gingen dan binnen en bleven daar 15 à 20 minuten. Rietjens had twee wonden aan de rechter- of linkerhand. In het gezicht en aan zijne klederen was hij vol bloed. Toen ik de wonden aan zijn hand probeerde te reinigen, heb ik de voorkant van mijn hemdsmouwen erg met bloed besmeurd. Rietjens heeft dan 2 of 3 vingers breed van de mouwen van mijn hemd afgesneden. De afgesneden stukken heeft hij verborgen of verbrand. De volgende morgen heb ik een ander hemd aangetrokken en het hemd dat ik op de avond van de moord droeg, heb ik op de mesthoop geworpen.

Het is niet waar dat ik vrijdagnamiddag rond 6 uur Belgische tijd met Rietjens afgesproken heb andere klederen aan te doen en dan naar de apotheek te gaan. Het is waar dat Rietjens, Levie en Cyriel in onze herberg waren.”

Dan wordt Rietjens geconfronteerd met de verklaringen van Vanderaelen. Hij houdt vol dat hij, Vandertaelen en Levie samen naar de apotheek gegaan zijn:

“Het is niet waar dat Vandertaelen en ik Cyriel ’s avonds rond half 9 aan de piscine ontmoet hebben. Cyriel woont met zijn ouders in de herberg waar Levie vrijdagnamiddag het paardengetuig wilde kopen. Toen de koop niet doorging, zijn Levie, Cyriel en ik samen van het café in de Naamse Straat door de Klokkenstraat naar de Grote Markt gegaan. Aan de hoek van de Markt en van de Hoogbroekstraat heeft Cyriel ons verlaten en is naar de statie toe gegaan, terwijl Levie en ik naar de herberg Vanderstaelen gingen. Van daar uit gingen wij met Gaston, die aan de deur stond, naar de apotheek.”

Dan zet de Duitse speurder zijn werk voort in Sint-Truiden. Daar ondervraagt hij Cécile Boden, de 20-jarige stiefdochter van caféhouder Vandervelde, waar Rietjens en Vandertaelen vrijdagavond na de feiten borrels hadden gedronken:

“Verleden vrijdag, rond kwart voor 10 kwamen Jozef Rietjens, Gaston Vandertaelen en Martha Clerinx onze herberg binnen. Zij dronken ieder twee borrels advocaat en bleven tot 10 uur Duitse tijd, dus ongeveer een kwartier . Toen zij onze herberg verlaten hadden, sloten wij, omdat wij onze herberg maar tot 10 uur Duitse tijd mogen openhouden.

Ik heb aan Rietjens of aan Vandertaelen niets bijzonders bemerkt. Vandertaelen was in ieder geval nuchter. De volgende dag, toen ik hoorde dat men Rietjens en Vandertaelen van de moord verdacht, zegde ik nog tegen mijn moeder dat het vreemd was dat er aan hen beiden niets opgevallen was.”

Ondertussen wordt de vluchteling Cyriel geïdentificeerd als Cyriel Desman uit Wervik . Hij wordt de volgende dag, op 11 april, in Hasselt ondervraagd:

“Vrijdag was ik rond half 7 Belgische tijd in de herberg Vandertaelen. Jozef Rietjens stond met de vermoorde Levie voor de deur van de herberg en sprak met hem. Dan kwam Rietjens ook de gelagkamer in en dronk een glas bier. Of Levie ook met hem ingekomen is, weet ik niet meer. Rietjens bleef maar kort in de herberg en zegde dan dat hij met Levie naar de Varkensmarkt ging, naar Jeandarme. Het was toen iets na half 7 Belgische tijd. Ik bleef nog ongeveer een kwartier zitten en ging dan weg. Gaston Vandertaelen bleef in de herberg met een andere jongeman [Peeters].

Toen ik de herberg had verlaten, ontmoette ik op de Markt Rietjens en Levie, die mij naar mijn woning vergezelden om naar een paardengetuig te komen zien, dat Levie wilde kopen. Ik vroeg er 200 mark voor, maar Levie bood maar 150 mark, zodat de koop niet doorging. Wij verlieten dan samen mijn woning, waar wij ons misschien 5 minuten hadden opgehouden. Wij gingen samen tot aan de hoek van de Naamse straat, waar wij afscheid namen. Ik weet niet waar Rietjens en Levie heen gingen, want ik liep iets voor hen en zag niet meer naar hen om.

Ik ging naar mijn meisje dat in de Brustemstraat bij Goffin in dienst is. Daar heeft het meisje van Rietjens ook een bediening en zo komt het dat ik Rietjens ken. Ik vond mijn meisje echter niet en ging over de Varkensmarkt [Minderbroedersstraat], waar ik rond kwart na 7 Belgische tijd Rietjens, Vanderstaelen en Levie aan de piscine naast de Minderbroederskerk aantrof. Ik weet zeker dat Gaston Vanderstaelen bij Rietjens en Levie was. Deze drie gingen samen naar de Grote Markt. Ik ging door een smalle steeg langs de Minderbroederskerk recht naar huis. Daar bleef ik enkele minuten, ik nam mijn stok en ging naar mijn kennis August Zijs in Nieuwerkerken. Daar heb ik de nacht doorgebracht. Ik was daarheen gegaan om aardappelen te halen. Pas de volgende morgen, om 5 uur, keerde ik terug. Zaterdagmorgen rond 8 uur hoorde ik zeggen dat een man vermoord was. Rond kwart na 8 ontmoette ik Jozef Rietjens op de Markt. Wij spraken over de moord, en Rietjens zegde dat het misschien Levie was, die vermoord was. Rietjens zegde ook dat hij die avond op de Markt van Levie afscheid genomen had. Dan vroeg hij of ik zijn meisje kon vragen dat zij dadelijk bij hem kon komen.”

Vervolgens ligt het onderzoek stil, tot op 10 mei 1918 Vandertaelen nog eens ondervraagd wordt in Hasselt. Hij verandert zijn verhaal:

“Ik wil volledige bekentenissen afleggen, en ik heb het diepste berouw over mijn daad. Ik wil niets verschonen, en zal de zuivere waarheid spreken. Tot nu toe heb ik geloochend de misdaad bedreven te hebben, omdat ik mijn brave en eerzame ouders de grote schande niet wilde aandoen van een moordenaar als zoon te hebben. Ik heb samen met Rietjens de koopman Levie afgeslagen en beroofd. Ik heb deze misdaad echter niet beraamd en ik heb mij, niettegenstaande het aandringen van Rietjens, lange tijd tegen de uitvoering ervan verzet. Rietjens heeft mij enige maanden geleden het voorstel gedaan van Levie te bestelen. Hij wilde een huis kopen, waarvoor hij 7.000 frank nodig had, dan wilde hij trouwen en een hotel en herberg openen. Hij had al meubelen gekocht, die voor zover ik weet, nog niet betaald waren.

Rietjens bracht mij iedere vrijdag een fles brandwijn. Ik moest mij moed indrinken om Levie te vermoorden. Rietjens had mij overgehaald de daad ten uitvoer te brengen op donderdagavond, daags voordat de moord eigenlijk werd begaan. Ik ging daar niet op in en ging die avond naar mijn meisje.

Vrijdagavond werd de daad ten uitvoer gebracht. Ik verzette mij nog tegen de deelname eraan. Tot mijn ongeluk stond ik aan onze huisdeur toen Rietjens met Levie van de vluchteling Cyriel uit de Naamse Straat terugkwam. Ik ging dan mee naar de apotheek, waar wij twee flessen wijn dronken.

Levie moest eigenlijk in de apotheek vermoord worden. Daarom gaf Rietjens mij een stamper in de hand om Levie daarmee neer te slaan. Rietjens zou dan het lijk in de kelder van de apotheek verbergen. Ik kon er echter niet tot besluiten Levie bij vol daglicht neer te slaan. Ik stak de porseleinen stamper in mijn zak en ging de apotheek uit. Rietjens deed toen het voorstel aangaande het kopen van een paard.

Levie nam het voorstel aan en wij verlieten de apotheek. De verklaring van de vluchteling Cyriel Deman, dat hij mij met Levie en Rietjens aan de piscine in de Minderbroedersstraat gezien heeft, is waar. Ik was ook een beetje bedronken.

Op de weg naar de plaats van de moord gebood Rietjens mij 2 of 3 maal Levie neer te slaan. Uiteindelijk gaf ik Levie een slag op het hoofd zodat zijn hoed afviel. “Wat doet gij?” zegde Levie nog. Dan sloeg ook Rietjens en Levie viel op de grond. Ik kon niet meer slaan, omdat mijn stamper bij de eerste slag al gebroken was. Toen Levie op de grond lag nam Rietjens zijn mes om hem de keel af te snijden. “Neem gij het geld!” zegde Rietjens. Toen een hond blafte liep ik weg. Rietjens riep mij na dat Levie nog niet dood was. Toen ik het geld wegnam beet Levie Rietjens in de vinger, zodat hij hevig bloedde. Rietjens gaf mij het mes, opdat ik ook zou proberen Levie de keel af te snijden. Het mes was echter onbruikbaar geworden doordat het lemmet was afgebroken.

Toen wij gerucht meenden te horen van aankomende mensen, liepen wij weg. Het geld had ik aan Rietjens gegeven. Die stak het in zijn overjas.

Wij keerden dan terug naar de apotheek, waar wij ons reinigden. De met bloed bevlekte klederen die moeilijk te reinigen waren, verbrandde Rietjens ’s zaterdags ’s morgens. Dan zijn wij een paar borrels gaan drinken. Ik ging dan naar huis en legde mij in bed. Mijn hemd deed ik de volgende dag verdwijnen. Ik verborg het in het mest. Het geld legde ik, zonder het te tellen, in onze kelder. Ik wist niet wat ik er mee moest aanvangen.

Rietjens heeft mij tot alles aangezet. Zonder zijn voortdurend opstoken zou het zo ver niet gekomen zijn.”

Op 5 juli 1918 laat advocaat Leon Demal van Sint-Truiden aan de keizerlijke arrondissementsrechtbank te Hasselt weten dat hij aangesteld werd als advocaat voor Gaston Vandertaelen, en dat hij diens verdediging op zich neemt.

Een week later, op 12 april, laat advocaat Vrijdags van Sint-Truiden aan de procureur bij de keizerlijke arrondissementsrechtbank in Hasselt weten dat de familie Rietjens hem met de verdediging van Jozef Rietjens belast heeft. Aangezien zowel de moeder als de grootvader van Rietjens voor krankzinnigheid behandeld werden, verzoekt hij de procureur te laten onderzoeken of ook Jozef door krankzinnigheid aangetast kan zijn.

Op 3 augustus 1918 ondervraagt de gerechtsofficier in Sint-Truiden de vaders van de verdachten, de baas van Rietjens, apotheker Alfred Neven, en Martha Clerinx, de verloofde van Rietjens.

Hendrik Rietjens is de vader van Jozef. De man is 67, en woont in de Beekstraat. Hij wordt ondervraagd over het leven en het gedrag van zijn zoon:

“Mijn zoon is 22 jaar oud, en is tot nu toe nog nooit ernstig ziek geweest. Hij heeft altijd in Sint-Truiden verbleven. Van zijn 7de tot 14de jaar heeft hij de school van de broeders in Sint-Truiden bezocht. Hij was geen goede leerling en leerde moeilijk. Over zijn gedrag zijn er nooit klachten geweest. Thuis was hij altijd gehoorzaam aan zijn ouders en verdraagzaam jegens zijn broers en zusters.

Vanaf zijn veertiende ging hij als apothekersleerling naar het hospitaal van Sint-Truiden, en verbleef daar bij de kloosterbroeders. Hij bleef daar inwonen tot januari 1918, toen het hospitaal door Duitse zieken ingenomen werd. In het hospitaal werkte hij onder toezicht van de heer Neven en van twee kloosterbroeders, die altijd tevreden waren over zijn werk en gedrag. In februari 1918 heeft mijnheer Neven zijn apotheek op de Varkensmarkt geopend. Van die tijd af woonde mijn zoon bij mij, en gedurende de dag was hij bij Neven werkzaam. De maaltijden gebruikte hij bij ons.

Zijn verwilderd uitzicht en zijn grote vergeetachtigheid vielen ons op. Zo herinnerde hij zich zekere dag niet meer dat hij mij een dag eerder een pijp gebroken had. Wij schreven deze verandering in zijn gemoedstoestand toe aan het feit dat hij gescheiden was van broeder Petrus, met wie hij de laatste vijf jaar altijd samen geweest was in de apotheek, en van wie hij veel hield. Vroeger was mijn zoon zeer huiselijk, maar vanaf maart ging hij ’s avonds regelmatig uit en bleef dan tot 10 uur weg. Verscheidene keren kwam hij bedronken thuis. Of hij veel geld uitgaf weet ik niet. Vanaf januari van dit jaar verdiende hij 110 frank per maand. Ik geloof echter dat dit bedrag hem maar één keer werd uitbetaald. Hiervan heeft hij mij niets afgegeven, terwijl hij vroeger, toen hij nog in het hospitaal werkte, de 40 frank die hij per maand verdiende regelmatig afgaf.

De moord kunnen wij maar verklaren als wij aannemen dat mijn zoon niet toerekenbaar was. Het is mogelijk dat hij dit overgeërfd heeft. Zijn grootouder van moederszijde is in het krankzinnigengesticht gestorven, en mijn vrouw is vier maanden in het krankzinnigengesticht geweest, van juli tot november 1889. Zij was waanzinnig geworden van schrik, toen een bedronken man haar met een mes bedreigd heeft.”

Rietjens sluit af met drie namen van mensen die kunnen getuigen dat het gedrag van zijn zoon de laatste tijd voor de moord niet normaal was: Celine De Brouwer, Georges Moens en mevrouw Bamps-Stiers.

Emiel Vandertaelen is de vader van Gaston. Hij is 54 en hotelhouder op de Grote Markt in Sint-Truiden.

“Mijn zoon is 22 jaar oud. Van zijn 7de tot zijn 17de heeft hij de school bezocht. Ik was commandant van een rijkswachtbrigade en ik werd in de loop der jaren verscheidene malen verplaatst. Zo komt het dat mijn zoon dikwijls van school veranderde. Hij is in Kortenberg, Tervuren, Diksmuide en  Sint-Truiden geweest. In Sint-Truiden was hij 6 jaar in de gemeenteschool, 1 jaar in het college en drie jaren in het seminarie. Mijn zoon was een goede leerling en ik was van plan hem priester te laten worden, maar hij wilde dat niet. Ik heb mijn zoon dan met mij in huis genomen om hem bij mij te houden.

Thuis was mijn zoon altijd ordelijk, gedwee en ijverig. Ook van vreemden heb ik nooit klachten over hem gehoord. Mijn zoon was altijd nuchter. Ik heb nooit gezien dat hij teveel gedronken had. Ik geloof dat hij door Rietjens verleid werd om de moord te begaan. Pas sinds vier weken voor de moord had mijn zoon veel contact met Rietjens.

Ik heb mij zoon altijd tot spaarzaamheid aangezet, maar ik heb hem toch genoeg zakgeld gegeven, zodat hij geen geld te kort had. Mijn zoon is altijd gezond geweest. Geesteskrankheden zijn in mijn familie nooit voorgekomen.”

Apotheker Alfred Neven was de baas van Rietjens. Hij kan niet begrijpen wat er gebeurd is:

“Jozef Rietjens heeft 6 of 7 jaar onder mijn toezicht gewerkt. Ik ben altijd zeer tevreden over hem geweest en ik vertrouwde hem in alles. Voor mijzelf kan ik de moord niet anders verklaren dan door het feit dat Rietjens zijn zinnen is kwijt geweest. Zelf heb ik nooit enige verandering in zijn gemoedstoestand bemerkt. Ik heb niet opgemerkt dat hij bijzonder vergeetachtig was. Of hij in zijn vrije tijd buitensporig leefde, weet ik niet. Ik heb hem altijd als een ordelijke man gekend.”

Uit de ondervraging van Martha Clerinx blijkt vooral dat zij geloofde dat Rietjens veel verdiende met de smokkel van alcohol:

“Ik was sinds ongeveer een jaar in kennis met Rietjens. Omtrent twee maanden voor de moord heeft hij mij verscheidene keren geld gevraagd om te smokkelen. In totaal heeft hij van mij 1.000 frank gekregen. Op 300 of 400 frank na, heb ik dat geld teruggekregen.

Wat Rietjens gesmokkeld heeft, weet ik niet. Hij sprak hoofzakelijk van alcohol. Wat hij met smokkelen verdiend heeft, weet ik ook niet. Toen wij op de avond van de moord afscheid genomen hadden van Vandertaelen, gaf Rietjens mij op straat eerst 300 of 400 mark. Enkele minuten later gaf hij mij nog meer geld. In totaal had ik zo 1.975 frank. Ik heb het thuis nageteld. Rietjens zegde dat hij dat geld verdiend had met alcohol te smokkelen. Ik heb dat geloofd omdat hij mij altijd zegde dat hij veel geld zou verdienen met alcohol te smokkelen.”

De ondervraging van Celina De Brouwer, Georges Moens en mevrouw Bamps-Stiers levert, anders dan vader Rietjens verwacht had, geen aanwijzingen voor een geestesziekte of een plotse verandering in zijn gedrag op. Wel wisten alle de getuigen dat Rietjens geregeld dronken was.

Eind augustus wordt Rietjens van de gevangenis te Hasselt overgebracht naar de psychiatrische afdeling van het militair hospitaal in de Kroonlaan in Brussel. Op 13 september 1918 stuurt de verantwoordelijke arts een omstandig verslag naar de Duitse gerechtelijke autoriteiten in Hasselt. Hij sluit zijn verslag af met de conclusie dat:

“Rietjens bevond zich bij het plegen der misdaad in kwestie niet in een toestand van kranke of gestoorde geestesvermogens door dewelke hij het gebruik van de vrije wil zou gemist hebben.”

Hij is dus volgens deze arts volledig verantwoordelijk voor zijn daden.

Ondertussen heeft al op 9 april de veekoopman en slager Jules Vandenbergh uit Brussel, via advocaat Demal van Sint-Truiden, het Duitse gerecht benaderd, en uitgelegd dat het geld dat van Levie gestolen werd, of minstens 30.000 frank daarvan, van hem afkomstig is.

Vandenbergh had immers de gewoonte om Levie iedere woensdag 30.000 frank (= 24.000 mark) te geven om daarmee voor hem vee te kopen. Een kwitantie voor dat geld heeft Vanderbergh niet, maar blijkbaar was het bij de veehandelaars algemeen bekend dat Levie voor Vanderbergh werkte.

Anderzijds verklaart Odilie Roest, de weduwe van het slachtoffer, op 14 april voor de Kreischef in Hasselt dat zij haar man op 4 april, toen hij thuis vertrok, 10.000 frank of 8.000 mark ter hand gesteld heeft. Zij erkent voorts dat haar man ook voor Vanderbergh werkte. Die toonde haar op de dag van de begrafenis van haar achtgenoot in Aarschot een door haar echtgenoot ondertekende kwitantie voor 15.000 frank. Om die reden kan zij niet akkoord gaan met het bedrag van 30.000 frank dat Vanderbergh en zijn advocaat noemen.

In januari 1919 herneemt het Belgisch gerecht het onderzoek in deze zaak. Op 17 januari ondervraagt onderzoeksrechter Paul Bamps Jozef Rietjens en Gaston Vandertaelen. Rietjens herhaalt de bekentenis die hij al op 6 april 1918 aflegde tegenover de politiecommissaris van Sint-Truiden. Ook Vandertaelen bekent dat hij meegewerkt heeft aan de roofmoord, maar hij legt de grootste verantwoordelijkheid bij Rietjens:

“Ik beken de feiten gepleegd te hebben. Het is Rietjens die mij aangehitst heeft om het geld van Levie af te nemen. Hij heeft mij zulks gevraagd, maar ik heb altijd geweigerd. Indien ik eindelijk de misdaad heb helpen plegen, dan is het onder invloed van de drank die Rietjens ons heeft doen nemen, en waarin hij iets gegoten had. Rietjens had eerder al zulke drank gereedgemaakt en mij verzocht met Marcel Macheroux en Jozef Peeters iets te komen drinken in de apotheek. Toen zijn wij daar aan het vechten gegaan onder de invloed van die drank.”

Voorts benadrukt hij dat hij Levie niet met een mes bewerkt heeft. Alleen Rietjens heeft de koopman gestoken, zo beweert hij. Zelf heeft hij Levie slechts één keer met de mortierstamper geslagen.

Daarna laat de onderzoeksrechter de zaak rusten tot 13 mei. Die dag ondervraagt hij in Sint-Truiden de voornaamste getuigen in de zaak.

Willem Wolfs herhaalt hoe hij het slachtoffer in de ochtend van 6 april 1918 vond en dat Levie toen nog leefde: “Ik heb goed gezien dat hij een zijner handen hertrokken heeft.” Ook Bonaventure Vangeel bevestigt de verklaring die hij op 6 april 1918 aan de politiecommissaris aflegde.

Camiel Fravaux of broeder Clemens werkt in het gesticht in Ziekeren en werkte samen met Rietjens in de apotheek van het hospitaal. Hij houdt het kort: “Ik weet niets te zeggen tegen Rietjens.”

Bonaventure Grommen is veldwachter in Brustem. Hij vertelt de onderzoeksrechter wat er daar over Rietjens verteld wordt:

“Op verzoek van vader Vandertaelen heb ik een onderzoek gedaan van Rietjens. Ik heb desaangaande niets bijzonders vernomen. Het is mogelijk dat Rietjens al eens een fles wijn gedronken heeft met zijn toekomende familie.

Ik heb ook horen zeggen dat de toekomende van Rietjens veel lijnwaad had en er aan haar zuster gegeven heeft. Van waar dat lijnwaad kwam weet ik niet.

Ik heb ook nog horen zeggen dat Rietjens en zijne toekomende in Gelinden een varken zouden gekocht hebben voor hun trouw. Na de aanhouding van Rietjens is dit afgezegd.”

Jan Usé is de 50-jarige politieagent, die op 6 april als eerste agent op de plaats van het misdrijf was:

“Vroeg in de ochtend, rond 5 uur, ben ik verwittigd geweest door een persoon die naar de markt kwam, dat zich op de Diestersteenweg, nabij het huis van Wolfs, een dode persoon bevond.

Ik heb aanstonds mijn velo genomen en ben er naartoe gereden. Ik heb daar een gekwetste gevonden en ik heb hem dadelijk herkend als zijnde degene die men Louike van Aarschot noemt. Ik heb op hem geroepen “Louis!”, en dan heeft hij zich nog eenmaal hertrokken. Dan is hij weer onbeweeglijk blijven liggen. Ik heb aanstonds de civiére doen halen om de gekwetste naar het hospitaal te brengen. Intussen heb ik een onderzoek gedaan om sporen of voorwerpen te vinden. Ik heb dan de porseleinen koppen van de mortierstampers gevonden, waarmee men het slachtoffer aangevallen heeft.”

Karel Vanderbergh is de 41-jarige adjunct-commissaris van Sint-Truiden, die als tweede agent ter plaatse kwam. Hij bevestigt de juistheid van het verslag dat de commissaris op 6 april 1918 opstelde.

Hubert Peeters is een 40-jarige handelaar uit Sint-Truiden. Hij weet van horen zeggen dat Rietjens en zijn verloofde feestvierders zijn:

“Ik kan u niet veel zeggen over het gedrag van Rietjens. Ik ken die jongen weinig. Ik weet wel dat hij kennis had met de meid van Goffin, en deze meid heb ik verscheidene malen zien ingaan bij de Vlaamse vluchtelingen die naast mij wonen. Ik weet dat men daar een ganse nacht muziek gemaakt heeft met een fonograaf. Ik heb horen zeggen dat Rietjens er bij was. Persoonlijk heb ik dat niet gezien.”

Eduard Hendrickx is een 26-jarige bakker uit Sint-Truiden. Hij weet dat Rietjens al eens iets in andermans glas durfde doen:

“Ik herinner mij dat ik op zekere dag met mijn kameraad Peeters in de herberg van Vandertaelen was. Rietjens was daar ook, en toen Peeters een ogenblik naar buiten was, heeft Rietjens iets in het glas van Peeters willen gieten. Ik heb hem belet dat te doen. Ik weet niet wat er in het flesje zat, maar ik denk dat het alcohol was. Ik geloof dat hij dat deed om de mensen zat te maken. Volgens men vertelt, zou hij dat nog gedaan hebben. Of dat waar is, weet ik niet.

Ik weet dat Vandertaelen en Rietjens twee goede kameraden waren. Sedert vijf maanden waren zij bijna gedurig samen.”

Alfons Tuts is de laatste persoon die de onderzoeksrechter die dag ondervraagt. Tuts is 29 jaar oud, en is herbergier in Sint-Truiden:

“Ik kende Rietjens goed, maar ik kan niet zeggen of hij veel verteerde.

Over drie of vier jaren heb ik hem eens iets in een glas van mijn kameraad zien gieten. Ik weet niet wat het was, maar daarna was mijn kameraad dronken. Toen hij aan zijn glas dronk, maakte hij de opmerking dat het bier zo sterk was.”

De onderzoeksrechter geeft die dag aan architect Lippens uit Hasselt opdracht om een gedetailleerd plan te maken van de plaats van het misdrijf en van de route die de daders en hun slachtoffer gevolgd hadden.

Vijf maanden later heeft onderzoeksrechter Leon Cox de zaak van Bamps overgenomen. Op 17 oktober 1919 ondervraagt hij in zijn kantoor in Hasselt een drietal mensen uit de omgeving van Rietjens en Vandertaelen.

Martin Delbrouck is 61 jaar oud en is nachtwaker in het gesticht van Ziekeren. Hij herinnert zich een vreemd voorval met de moeder van Rietjens:

“In de maand mei 1918, op een namiddag, ging ik een boodschap doen bij de moeder van Rietjens. Ik zegde tegen madame “Dat is nu een affaire met Joseph.”, den moord bedoelende. Zij antwoordde daarop “Nu zullen wij geen schrik en geen angst meer onderstaan.”

Alfons Daenen is 53 en schepen in Brustem. Hij getuigt dat er gezegd wordt dat Rietjens graag grote sier maakte:

“Ik heb door het algemeen gerucht vernomen toen de moord gepleegd was en toen er sprake was van die diefstal, dat Rietjens nogal veel sier maakte. Iets bepaalds heb ik daarover niet vernomen, en persoonlijk kan ik er ook niets over zeggen.”

Jozef Peeters is 24 jaar oud, en soldaat bij het 14de Linieregiment in Leopoldsburg. Hij bevestigt de inhoud van de verklaring die hij op 8 april 1918 aan de Duitse onderzoekers aflegde.

Ook Alfons Grommen is soldaat. Hij dient in Luik bij het 9de regiment artillerie. Hij heeft ook opgevangen dat Rietjens grote sier maakte:

“Rond de maand december van verleden jaar, op een dag in de week, is de vader van Vandertaelen bij ons gekomen. Hij is goed bevriend met mijn vader, en er werd gesproken over de moordzaak. Er werd gezegd dat Rietjens, die alle zondagen in Brustem kwam met zijn lief, nogal veel verteer maakte. Ik heb toen ook gezegd dat ik dat door het algemeen gerucht vernomen had.”

Josephine Cretskens of zuster Maria is 38 jaar. Zij werkte in het hospitaal toen Levie daar zwaargewond werd binnengebracht:

“Ik heb het lijk van het slachtoffer gezien en vastgesteld dat het verscheidene wonden droeg aan het hoofd en aan de keel, en dat de wonden kris-kras waren. Het slachtoffer droeg een wonde aan een hand, die hij waarschijnlijk had opgelopen toen hij zich verweerde.

Rietjens is nooit in de operatiezaal geweest waar ik werkzaam was. Wij zijn daar maar een goede veertien dagen geweest. Daarna hebben de Duitsers ons daar uitgezet.”

Joseph Knaepen in Rukkelingen-op-de-Jeker. Tijdens de oorlog werkte hij voor Vandertaelen:

“Ik was onder de oorlog werkzaam bij de ouders van Vandertaelen. Ik deed daar alle soorten van werk. Ik heb ook ’s nachts in de hof gewaakt met de zoon Gaston. Ik woonde in de buurt van de woning van Dubuisson, die café De Pelikaan houdt.

Paasdagavond had ik op straat horen roepen, en ik dacht dat Vandertaelen daar bij was. Maar dinsdagmorgen heeft de vrouw Dubuisson mij gezegd dat Rietjens en anderen die avond bij haar in de herberg geweest waren.

Zij vertelde mij dat Rietjens Elisa Schoofs de inhoud van een klein flesje had laten uitdrinken, en dat die daarop achterover gevallen is, waardoor zij aan het hoofd gewond geraakte.”

Eduard Struys is rijkswachter in As, maar was ten tijde van de feitenxas hij politieagent in Sint-Truiden. Hij bewaakte Rietjens toen de commissaris hem aangehouden had:

“Daar ik de familie Rietjens als een deftige familie kende en ik Rietjens daar zag zitten alsof hij niets misdaan had, vroeg ik hem of hij geen berouw had over zijn daad. Daarop zegde hij mij dat zijn moeder ’s morgens op zijn kamer kwam om zijn schoenen op te nemen en schoon te maken. Toen zij merkte dat zijn schoenen besmeurd waren met modder en bloed had zij hem gevraagd “Gij hebt toch zeker die moord niet begaan?” “Op dat ogenblik”, zo zegde Rietjens tegen mij, “dacht ik dat ik doodviel”, en toen begon hij te wenen.”

Martha Clerinx uit Brustem is de 22-jarige verloofde van Jozef Rietjens. Zij verklaart over de avond van de moord:

“Toen ik Rietjens en Vandertaelen in de Minderbroedersstraat ontmoette, zijn zij beiden de apotheek binnengegaan. Rietjens zegde tegen mij “Ik kom aanstonds terug” en sloeg de deur met geweld toe. Ik had niet bemerkt dat zij toen al bedronken waren.

Gewoonlijk, als Rietjens ’s avonds nog wat te doen had in de apotheek, liet hij de deur openstaan. Ik bleef dan in de deuropening op hem wachten. Nooit heeft hij de deur dichtgedaan zoals toen. Toen zij buitenkwamen en Rietjens dicht bij mij kwam, heb ik dadelijk bemerkt dat hij fel bedronken was. Vandertaelen was ook bedronken, maar niet zo erg.

Rietjens was zoals gewoonlijk goedgezind en ik heb aan zijn manier van spreken niets bijzonders bemerkt. Het is aan zijn manier van gaan dat in bemerkte dat hij zat was. Hij hing in mijn arm en ik moest hem recht houden.

Nadat wij de herberg van Vandevelde verlaten hebben, is Vandertaelen naar huis gegaan. Omdat Rietjens zegde dat hij nog niet van zin was te gaan slapen, heb ik hem gezegd dat ik hem tot in zijn straat zou brengen. Hij was toen zo bedronken dat hij zich bijna niet meer recht kon houden.

Ik heb hem tot op ongeveer 25 meter van zijn huis begeleid. Ik ben dan dadelijk terug naar huis gegaan. Ik denk dat hij slapen gegaan is.”

Theodoor Meers is meubelmaker, en hij was op de avond van de feiten in het café van Vandertaelen:

“Die vrijdag in de vooravond, het licht was nog niet aangestoken, heb ik Gaston in het café gezien. Ik had een plankje gemaakt om in hun tabaksnijmachine te zetten. De vader heeft het aan zijn zoon gegeven, en die is het gaan beproeven. Dan is hij mij komen zeggen dat het goed was. Later heb ik Gaston niet meer gezien.”

Op 29 oktober 1919 stelt onderzoeksrechter Cox dokter Leo Spaas van het gesticht van geestzieken in Munsterbilzen aan om te onderzoeken of Rietjens ten tijde van de feiten bij zijn verstand was, en dus of hij verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn daden. Op 9 december stuurt de dokter het verslag met zijn bevindingen naar de onderzoeksrechter. De onderzoeksrechter besluit dat dit onderzoek nodig is, omdat de grootvader langs moeders zijde van Rietjens in het gesticht in Ziekeren geplaatst was en daar gestorven is. Zijn moeder is ook zinneloos geweest en werd daarvoor van juli tot november 1889 bij de Witzusters in Sint-Truiden opgenomen. Een nicht langs moederszijde verblijft in een psychiatrische instelling in Evere.

Uit het onderzoek van de dokter blijkt dat Jozef Rietjens zich sinds het begin van de oorlog geregeld bezatte. Hij dronk bier, likeuren, sterke drank en zelfs alcohol van 50 tot 60 graden.

Dokter Spaas concludeert dat Rietjens niet verstandelijk gestoord is. Hij is een drinker, maar niet krankzinnig. Hij heeft de misdaad uit vrije wil begaan, en zonder dat de alcohol hem onbewust zou gemaakt hebben van zijn daden. Hij acht hem ten volle verantwoordelijk voor zijn daden.

Op 21 januari 1919 stuurt Odilia Roest, de weduwe van Louis Levie een brief aan de procureur in Leuven, waarin zij hem meldt dat haar echtgenoot op 4 april 1918, zoals hij wekelijks deed, naar de veemarkt in Sint-Truiden gegaan is, en dat hij daar op de avond van 5 april door Rietjens en Vandertaelen vermoord werd. Destijds had de Duitse Kreischef te Hasselt haar gemeld dat er 35.125 frank gevonden was bij de daders en op het lichaam van de dode. Zij heeft die som tijdens de bezetting niet kunnen recupereren, en roept daarom de hulp van de Leuvense procureur in om te weten te komen waar dat geld zich nu bevindt.

Het assisenhof in Tongeren buigt zich op maandag 10 mei 1920 over deze zaak.

De gezworenen zijn:

– Albert Jules Willems, gemeenteraadslid te Hasselt;

– Jean Georges Boes, veearts te Hasselt;

– Marcel Declairfayt, ingenieur te Overpelt;

– Gaspard Hubert Claessens, kolenhandelaar te Hasselt;

– Jean Martens, brouwer te Bocholt;

– Pierre Jean Stals, gemeentesecretaris te Opitter;

– Alphonse Stassen, landbouwer te Jeuk;

– Marcel Medard Brepoels, brouwer te Eigenbilzen;

– Jos Emile Schoofs, brouwer te Diepenbeek;

– Joseph Jacobs, brouwer te Leopoldsburg;

– Edmond Boes, brouwer te Alken;

– Georges Wagemans, jurist te Borgloon;

– Jules Goetsbloets, jurist te Hasselt;

– Prosper Vandevoort, landbouwer te Gelinden;

– Emile Biddaer, directeur van de administratie van Bruggen en Wegen te Hasselt;

– Antoon Byvoet, handelaar te Hechtel;

– Guillaume Hubert Coennegrachts, landbouwer te Vroenhoven;

– François Thijs, eigenaar te Alken;

– Charles de Creeft, rentenier te  Sint-Truiden;

– Joseph Bamps, gemeentebediende te Sint-Truiden;

– Emile Hayen, gemeenteraadslid te Hasselt;

– Alphons Misotten, schepen te Overpelt (overleden);

– Jean Mathieu Hubrechts, onderwijzer op rust te Eigenbilzen;

– August Massa, apotheker te Sint-Truiden;

– Henri Fagard, veearts te Bilzen;

– Ferdinand Smeets, aannemer te Eksel;

– Liévin Timmermans, rentenier te Borgloon;

– Hubert Goffin, landbouwer te Velm;

– Antoine Lambert Beeken, rentenier te Hasselt;

– Jacques Destexhe, handelaar te Tongeren.

De reserve-gezworenen zijn

– Louis Bremans, slager te Tongeren;

– François Van den Haute, handelaar te Tongeren;

– Winand Fagart, landbouwer te Tongeren;

– Pierre Lysens, pasteibakker te Tongeren.

Jozef Slegers, raadsheer bij het hof van beroep te Luik, zit het assisenhof voor.

Al de personen die in de loop van het onderzoek verhoord werden, de deskundigen en de politieagenten worden opgeroepen als getuigen.

Martha Clerinx woont ondertussen in Nancy in Frankrijk, en wordt met de hulp van de procureur in Nancy opgeroepen. Zij is gehuwd met de Fransman Ené Royer.

Advocaat Joseph Claikens ten Tongeren laat negen getuigen à decharge oproepen voor Vandertaelen.

Advocaat Geraets van Hasselt laat acht getuigen à decharge oproepen van Rietjens.

De volgende gezworenen leveren een attest in waarin hun arts verklaart dat zij niet in staat zijn als jurylid te zetelen:

– Liévin Timmermans;

– Marcel Brepoels

Biddou van Bruggen en Wegen laat weten dat hij onvoldoende Nederlands kent.

De apotheker uit Sint-Truiden laat weten dat hij om beroepsredenen niet weg kan, en krijgt een antwoord dat inhoudt dat hij toch moet verschijnen.

J. Boes, veearts, laat weten dat hij door de minister van landbouw aangesteld is als chef van de dienst die in Montzen moet toezien op het vee dat door Duitsland aan België geleverd moet worden. Hij kan zijn dienst zelfs geen dag verlaten.

Veearts Fagard laat weten dat hij aangesteld is om toezicht te houden op de veemarkten te Bilzen, Munsterbilzen en Gent, en dat hij zich aangezien het feit dat er een ziekte is onder het vee, niet aan zijn dienst kan verzaken.

BLAUW NR. 47 = foto, brief, prentje.

Op het proces wordt Rietjens verdedigd door advocaat Geraert van Hasselt. Vandertaelen wordt verdedigd door advocaat Claikens van Tongeren en Demal van Sint-Truiden.

Op 10 mei 1920 ondertekenen Jules Vandenbergh en zijn vennoot Antoine Boeck en de weduwe Levie een akkoord dat inhoudt dat de twee kooplui recht hebben op 20.000 frank en niet meer, en dat de rest van het geld aan de weduwe toekomt.

Het hof veroordeelt Rietjens op 12 mei 1920 tot levenslange dwangarbeid en Vandertaelen tot 20 jaar dwangarbeid.

Het hof wijst 15.500 frank toe aan de weduwe en 20.000 frank aan Vandenberghe en Boeck.

Beide veroordeelden gaan in cassatie.

Rietjens en Vandertaelen hebben een blanco strafblad .

Gaston Vandertaelen is geboren in Oostende op 3/11/95.

Rietjens is geboren in Sint-Truiden op 1/3/96.

Voor de Duitse rechtbank mag niet in het Nederlands gepleit worden, aangezien de rechters die taal onvoldoende beheersen. De inrichting van de Duitse rechtbanken voor strafzaken is geregeld in een verordering van 6 april 1918.

Het geld van de vermoorde veekoopman werd op verschillend plaatsen teruggevonden:

– 8.950 mark verborgen bij Rietjens

-12.130 mark bij Vandertaelen

-5.000 mark op het lijk van De Levie

-99 mark in de portefeuille van Rietjens

-1.500 mark bij Martha Clerinx

27. 759

Brief aan de koningin

In de loop van april 1919, een jaar na de moord op haar man, schrijft Odile Roest een brief naar koningin Elisabeth waarin zij uiteenzet in wat voor trieste situatie zij terechtgekomen is. Zij vraagt de koningin tussen te komen bij de bevoegde instanties om de afhandeling van haar zaak te bespoedigen. Het secretariaat van de koningin speelt de brief door aan het ministerie van justitie, dat hem op zijn beurt doorspeelt aan de speurders die het onderzoek naar de moord leiden. Zo komt hij in het dossier over het onderzoek terecht.

De weduwe schrijft:

Aan Hare Majesteit de Koningin

Hoog Edele Mevrouw,

Daar ik van vele soldaten over de goedheid van Uwe Majesteit heb hooren spreken, neem ik de Eerbiedige vrijheid tot Uwe Majesteit mijn toevlucht te nemen.

Mijn armen man zaliger werdt verleden jaar den 5 april te St. Truiden vermoord voor het geld, de moordenaars zijn gekend en gevangen genomen, het geld is in beslag genomen, het is nu al meer dan een jaar geleden en ik heb nog niets terug gehad, ik moet daarmee wachten tot na de assisen, zegt men.

Edele Mevrouw, ik leef nu al zoo een jaar in afwachting zonder een centiem onderstand, ik ben gansch uitgeput van geld en moet nu ook nog leven met mijn arm zoontje, zonder iemands hulp, eigendom heb ik niets, ik moet zelf nog altijd mijne huishuur betalen en van iets terug te bekomen is er nog geene spraak, ik heb al mijn best gedaan om wat handel te drijven, maar alles valt mij tegen, het is mij onmogelijk nog te blijven bestaan. Mijn zoontje was zoo kloek manneken als zijn goede vader vermoord werdt, en nu vergaat dat arm kindje bij gebrek aan krachtig voedsel.

Zou Uwe Edele Majesteit de goedheid willen hebben ? bij de bevoegde overheid eens te willen aandringen om wat haast te nemen om mijn geld terug te bezorgen, daar ik reeds in de grootste nood verkeer. Wij zijn hier ook zoo zeer geteisterd geweest met dien ongelukkigen oorlog. Mijn armen man heeft nogal een half jaar in Duitschland moeten lijden in het beginne van den oorlog, en nu wordt hij nog zoo laffelijk vermoord.

Hoog Edele Mevrouw, ik zal het portretje van mijn zoontje bij den brief voegen, om te laten zien hoe kloek het manneke was toen zijn vader zaliger nog leefde, en nu is dat kind zoo mager en bleek geworden, het is nog mijn eenigen troost, Edele Mevrouw, en ik moet het zien vergaan door gebrek aan krachten.

Hoog Edele Mevrouw, ik bidt Uwe Majesteit mijne vraag niet te verstooten ? ik zal den goeden God zijn zegen over Uwe Edele Famillie afsmeeken uit dankbaarheid.

Hopende dat Uwe Majesteit eene arme weduwe en zoontje niet zult verstooten, biedt ik de beleefde groetenissen van de nederige dienares

Uwer Edele Majesteit,

Weduwe de Levie

Boulevard Aerschot

Toen de echtgenote van de vermoorde koopman in april 1919 een brief schreef naar koningin Elisabeth, voegde zij daar een foto van haar zoontje Paul aan toe.

Doodsprentje De Levie

Op donderdag 11 april, zes dagen na de moord, werd Louis Levie in Aarschot begraven. Op het bidprentje dat op de begrafenis werd uitgedeeld lezen wij dat zijn echtgenote Odile Roest heet, en dat hij in Bellingwolde in het Nederlandse Groningen geboren is in 1873.