Dossier 792: kindermoord in Kerniel, 1918

Rombout Nijssen

Op 28 februari 1918 wordt in Kerniel een babylijkje aangetroffen bij het leegpompen van de beerput van de woning van de weduwe Margriet Charlier-Robben. Naast de weduwe verbleven toen ook haar nicht Margriet Guillot en Julie Huyghe en haar twee kinderen in het huis. Julie Huyghe en haar kinderen zijn vluchtelingen uit Bovekerke in West-Vlaanderen. De Duitse militaire overheid heeft Bovekerke in 1917 ontruimd, en zo is Julie met haar kinderen in Kerniel terechtgekomen. Toen in augustus 1914 de oorlog uitbrak, werkte haar man als seizoenarbeider in Frankrijk. In de herfst van 1914, toen de frontlijn vast kwam te liggen, bevonden zij zich ieder aan een andere kant daarvan. Sindsdien hebben Julie en haar man elkaar niet meer gezien. Julie heeft twee kinderen meegebracht, die 4 en 2 jaar oud zijn. Zij zijn niet de enige mensen uit Bovekerke die in Kerniel terechtgekomen zijn. Er zijn in 1917 115 vluchtelingen uit Bovekerke en uit Vladsloo in Kerniel een ondergebracht.

In 1918 heeft de Duitse bezetter het Belgisch gerecht veel bevoegdheden ontnomen. Burgemeester Jan Fastré van Kerniel krijgt van de Duitse overheid de opdracht de zaak te onderzoeken. Op 9 maart ondervraagt hij vijf personen.

De eerste is Margriet Robben, de 62-jarige weduwe van Frans Charlier en eigenares van de woning waarbij het lijkje gevonden is. Zij verklaart dat de stof van het hoofdkussen waarin het lijkje gewikkeld is, dezelfde is als die van het omhulsel van de matras van het bed waarin Julie Huyghe slaapt. Bovendien herinnert zij zich dat Julie op 25 en 26 januari in bed is blijven liggen.

Henri Robben is de man die het lijkje gevonden heeft toen hij op 28 februari de beerput leegmaakte. Hij vertelt hoe hij het dode jongetje vond. Blijkbaar weet hij ook dat de stof van de kussensloop waarin hij het jongetje vond, dezelfde is als die van de matras van Julie Huyghe.

Ook Margriet Guillot, de 23-jarige nicht van Margriet Charlier, verklaart dat de stof waarin het kind gewikkeld was, dezelfde is als die van de matras op het bed van Julie. Zij herinnert zich dat Julie op 25 en 26 januari in bed gebleven is, en dat de moeder van Julie toen is komen schoonmaken.

Dan ondervraagt burgemeester Fastré Romance Dewilde. Zij is de moeder van Julie. Zij verklaart niet te weten dat haar dochter bevallen zou zijn of wie het kinderlijkje bij Robben in de beerput geworpen heeft. De reden waarom zij de kamer van dochter op 26 januari schoongemaakt heeft, is dat haar dochter toen verschrikkelijke hoofdpijn had.

Tot slot ondervraagt de burgemeester ook de 24-jarige Julie. Zij zegt niets te weten van het kind dat in de beerput gevonden is. Zij geeft toe dat zij op 25 en 26 januari in bed gebleven is, maar dat had alleen te maken met de hoofdpijn en rugpijn die haar toen kwelden. Hoewel zij vaststelt dat de stof van het hoofdkussen waarin het kind gewikkeld was, dezelfde is als die van haar matras, zegt zij toch dat hoofdkussen niet eerder gezien te hebben.

De burgemeester heeft geen kaas gegeten van het voeren van een gerechtelijke onderzoek, en laat de zaak voorlopig rusten. Ook de Duitse bezetters hebben dringender zaken aan het hoofd. Het duurt tot na de bevrijding, tot 10 december 1918, voordat de burgemeester het verslag dat hij opmaakte van de ondervragingen van 9 maart aan de procureur des konings in Tongeren bezorgt. Twee dagen later, op 12 december, verzoekt de procureur de onderzoeksrechter om een aanhoudingsbevel uit te vaardigen voor Julie Huyghe.

Door omstandigheden duurt het tot 21 december voordat de onderzoeksrechter Julie laat aanhouden en haar laat opsluiten in de gevangenis in Tongeren.

De volgende dag, op 22 december, ondervraagt onderzoeksrechter Armand Neven haar in zijn kantoor in Tongeren. Zij ontkent alle betrokkenheid bij de dood van het kind en legt uit hoe het komt dat zij, als inwoonster van Bovekerke in West-Vlaanderen, in Kerniel terechtgekomen is:

“ Ik ontken de betichting ten mijne laste gelegd. Rond de maand november 1917 hebben de inwooners van Bovekerke hun dorp moeten verlaten en zijn zij naar Kerniel gevlucht. Ik woonde in Bovekerke alleen met mijne twee kinderen. Rond de maand october 1915 heeft bij ons het gerucht geloopen dat de Duitschers de weerbare mannen naar Duitschland vervoerden. Vele van ons dorp zijn alsdan naar Frankrijk gevlucht. Mijn echtgenoot is daar gebezigd bij eenen landbouwer. Als hij vertrokken is was ik bevrucht van mijn jongste kind, het welk daar in 1915 geboren is. In Kerniel woonde ik bij Margriet Robben.

Ik heb in de maand januari 1918 niet gebaard, en ik was ook niet bevrucht. In Kerniel ben ik nooit ziek geweest en ook nooit bedlegerig.

Ik herinner mij eenen dag hoofdpijn gehad te hebben en aan de kachel gezeten te hebben. Dien dag heb ik mijne moeder gevraagd om de komen te kuischen, maar mijne andere bezigheden heb ik kunnen verrichten. Het hoofdkussen waarin het kind dat men gevonden heeft, gewikkeld was, is niet van mij.”

Tijdens de kerst- en nieuwjaarsdagen laat de onderzoeksrechter de zaak rusten. Op 3 januari ondervraagt hij Henri Robben die het dode kind gevonden heeft, Margriet Robben, de eigenares van de woning waarin Julie verblijft, haar nicht Margriet Guillot die daar ook woont, Romanie Dewilde, de moeder van Julie , en twee ander vluchtelingen uit Bovekerke: Sidonie Serpieters en Désiré Haes.

Henri Robben woont bij zijn tante Margriet. Hij vertelt dat Julie in november als vluchtelinge uit West-Vlaanderen bij hen ingetrokken is, en dat in Kerniel kort daarna al het gerucht de ronde deed dat zij zwanger was. Hij weet ook dat Julie eind januari enkele dagen ziek geweest is en op haar kamer bleef. Wat haar scheelde weet hij niet, hij komt immers niet op haar kamer. Einde februari 1918 had hij de beerput leeggemaakt en daarbij het kinderlijkje gevonden. Toen de veldwachter de zaak onderzocht had die gezien dat het stof van het hoofdkussen waarin het jongetje gewikkeld was, hetzelfde is als dat van de matras op het bed van Julie.

Margriet Robben bevestigt dat Julie en haar twee kinderen rond Allerheiligen als vluchtelingen in haar huis zijn komen wonen. Hoewel het gerucht over de zwangerschap van Julie ook haar ter ore gekomen is, heeft zij daar met Julie niet over gesproken.

Zij herinnert zich dat Julie op 25 en 26 januari in bed gebleven is. Zij klaagde over hoofdpijn en haar moeder is die dagen bij haar geweest. Pas toen haar neef in de beerput het kinderlijkje vond dat in een hoofdkussen gewikkeld was van dezelfde stof als de matras van Julie, heeft zij een verband gelegd.

Margriet Guillot is de nicht van Margriet Robben. Zij is 23 en woonde bij haar tante toen Julie daar in november 1917 als vluchtelinge introk. Ook zij hoorde in het dorp zeggen dat Julie zwanger zou zijn, maar doordat Julie stevig gebouwd is, was er van een zwangerschap eigenlijk niets te merken. In de nacht van 25 op 26 januari was er geluid te horen in de kamer van Julie, en ’s morgens heeft haar zoontje de moeder van Julie verwittigd. Die is onmiddellijk naar hun huis gekomen en heeft de kamer van Julie schoongemaakt. Julie zelf rustte ondertussen bij de kachel. Nadat haar moeder vertrokken was is Julie weer in bed gaan liggen. Zij klaagde van hoofd- en rugpijn. Pas toen het kinderlijkje gevonden was, en in een wit-blauwe kussensloop gewikkeld bleek te zijn van hetzelfde stof als dat van de matras van Julie, is zij Julie gaan verdenken.

Romanie Dewilde is de moeder van Julie en is net als haar dochter als vluchtelinge van Bovekerke naar Kerniel verhuisd:

“ Het is onwaar dat mijne dochter Julie in staat van zwangerschap was als zij te Kerniel aangekomen is. Ik heb niets buitengewoons aan haar bemerkt. Den 25 januari ’s morgens is haar zoontje mij komen verwittigen dat zijne moeder onpasselijk was. Ik heb mij naar het huis Robben begeven, waar mijne dochter woont. Ik heb haar daar naast de kachel zittend aangetroffen. Zij klaagde van hoofdpijn. Ik heb de kamer gekuischt. Zij is niet ziek geweest en ook niet bedlegerig. Ik weet niet van wie het kind is dat men in de beerput van het huis Robben gevonden heeft. De matras op dewelke mijne dochter sliep, hoorde mij toe. Toen mijne dochter te Kerniel aangekomen is, gaf zij nog de borst aan haar jongste kind.”

Sidonie Serpieters is ook een vluchtelinge uit Bovekerke die in Kerniel ondergebracht is:

“ Wanneer ik te Kerniel aangekomen ben met de andere vluchtelingen in de maand november 1917, heb ik niet bemerkt dat Julie Huyghe bevrucht zou geweest zijn, en later ook niet. Nadat men het kind gevonden heeft bij Robben, heb ik er geen geloof aan gehecht. Ik ben nooit in de kamer van Julie Huyghe geweest, en had weinig met haar te maken.”

Désiré Haest is een arbeider die in november 1917 ook als vluchteling uit Bovekerke in Kerniel terechtgekomen is. Hij verklaart dat hij niet gemerkt heeft dat Julie Huyghe zwanger geweest zou zijn. Julie is immers fors van gestalte. Hij is maar één keer in de woning van de familie Robben geweest, en heeft daar toen niets bijzonders opgemerkt.

Op 20 januari ondervraagt de onderzoeksrechter Julie een laatste keer. Zij houdt vol niet zwanger geweest te zijn en geen vruchtafdrijving of kindermoord begaan te hebben.

Zij ontkent ook dat het stof waarin het kind gewikkeld was, van haar zou zijn. Het matrasstof is wel het hare. Dat had zij van haar moeder gekregen.

Op 4 februari 1919 geeft de onderzoeksrechter landmeter François Voets van Tongeren opdracht een plattegrond van de woning van de familie Robben te maken.

Op 27 maart 1919 stuurt procureur Tits van Tongeren het dossier naar de procureur-generaal te Luik. Die stuurt het hem op 1 april terug, met de opmerking dat de zaak zo niet voor het hof van assisen gebracht kan worden. Hij geeft de procureur opdracht om bijkomend onderzoek te verrichten. Hij wil met name weten of de echtgenoot van Julie nog in leven is. In dat geval  moet hij opgespoord en ondervraagd worden. Hij wil ook dat er nagegaan wordt welke reputatie Julie in Bovekerke had. Is er iets geweten over haar gedrag na het vertrek van haar man in 1915? Gingen er geruchten over een zwangerschap? Wie dacht men in Bovekerke dat de vader was? Is de beschuldigde op de hoogte van het feit dat uit medisch onderzoek blijkt dat zij in januari 1918 zwanger was? Hoe reageert zij daar op?

Op 8 april 1919 ondervraagt de onderzoeksrechter Julie Huyghe opnieuw:

“ Mijn man is van Frankrijk teruggekomen in het midden der maand januari 1919. Toen is hij mij komen bezoeken. Ik heb hem in het geheel zes maal gezien sedert mijne aanhouding.

Nu woont hij met mijne kinderen in Bovekerke. Hij is daar werkman. Hij verlangt dat ik naar hem zou terugkomen.

Gij kunt u aan den heer burgemeester van Bovekerke wenden om inlichtingen te vragen over mijn goed gedrag.

Mijne moeder heeft ook Kerniel verlaten en woont nu weer te Bovekerke.

Ik blijf volharden in mijne vorige verklaring dat ik niet bevrucht geweest ben. Het verslag van de deskundigen is onjuist. Zij vergissen zich als zij beweren dat ik gebaard zou hebben.”

Op 22 april ondervraagt de onderzoeksrechter in Veurne, Alidor Staelens en Eduard Pollet. Staelens is de 31-jarige echtgenoot van Julie Huyghe, Pollet is de burgemeester van Bovekerke.

Alidor Staelens kijkt uit naar de dag waarop zijn vrouw vrijgelaten zal worden:

“ Ik heb de gemeente Bovekerke verlaten in september 1914 om te gaan werken in Frankrijk. Tengevolge de oorlogsomstandigheden ben in maar eenige dagen voor nieuwjaar 1919 kunnen terugkomen. Ik weet niet dat mijne vrouw binst mijne afwezigheid een kind zou gebaard hebben dat niet van mij is. Mijne vrouw was bevrucht toen ik de gemeente verlaten heb.

Bij mijne terugkomst te Bovekerke vernomen hebbende dat mijne vrouw verbleef in Kerniel, ben ik er gegaan om ze te halen. Ik heb aldaar vernomen dat zij in het gevang zat. Ik ben haar gaan bezoeken en zij vertelde mij dat zij in het gevang zat wegens een kind dat men in den aalput gevonden had. Ik heb haar gevraagd of zij zwanger geweest was en een kind gebaard had, en zij heeft mij dat ontkend.

Ik geloof niet dat mijne vrouw zich plichtig gemaakt zou hebben aan kindermoord. Ik heb nooit over haar te klagen gehad. Haar gedrag is altijd goed geweest en zij heeft mijn volle vertrouwen. Ik ben bereid haar bij mij terug te nemen.”

Burgemeester Pollet van zijn kant sluit niet uit dat Julie tijdens de jarenlange en uitzichtloze afwezigheid van haar man contact gehad heeft met andere mannen:

“ Voor den oorlog kwamen de echtgenoten Staelens-Huyghe goed overeen, en de vrouw was goed van gedrag en zeden.

Alidoor Staelens heeft de gemeente verlaten in september 1914, om in Frankrijk te gaan werken, en is tengevolge van de oorlogsomstandigheden niet kunnen terugkeeren.

Binst den oorlog heb ik vrouw Staelens weinig of niet gezien. Ik moet opmerken dat de jonge dochters en jonge vrouwen in het algemeen betrekkingen gehad hebben en geleefd hebben met de Duitschers. Dat is bewezen door het groot aantal onwettige kinderen die ter wereld gekomen zijn. Al de bewoners van Bovekerke zijn door de Duitschers in november 1917 uitgedreven geweest tot in de provincie Limburg. Op het laatste van 1917 of begin 1918, terwijl ik in de gemeente Hoepertingen verbleef, heb ik gehoord dat vrouw Staelens bevrucht was en dat dat het werk was van eenen Duitscher.

De betrekkingen van vrouw Staelens met de Duitschers zijn volgens mij maar begonnen op het laatste van haar verblijf in Bovekerke, want ik weet dat zij in het begin veel schrik had van de Duitschers.”

Nadat de procureur te Tongeren het dossier weer naar de procureur-generaal gestuurd heeft, krijgt hij het op 8 mei weer terug. Er ontbreekt immers nog een verklaring van een expert over de kwestie of het stof waarin het dode kind gewikkeld was, inderdaad dezelfde is als die van de matras op het bed van Julie.

De onderzoeksrechter doet daarvoor beroep op Henri Deglas, die in de Maastrichterstraat een stoffenwinkel uitbaat. Hij levert op 14 mei 1919 het verslag van zijn onderzoek in:

” Het stof van het hoofdkussen bestaat uit blauwe katoen met witte strepen.

Een nauwkeurig onderzoek doet mij voorkomen dat het gelijk is aan het stof gediend hebbende voor de matras, de welke ook uit blauwe katoen vervaardigd is, en insgelijks wit gestreept is.

Ik besluit dat de twee stukken die aan mijn onderzoek onderworpen geweest zijn, van dezelfde aard zijn en van hetzelfde stof voortkomen.”

Op 22 mei besluit de raadkamer in Tongeren dat het dossier naar de procureur-generaal in Luik gestuurd moet worden.

Twee dagen later verwijst de kamer van inbeschuldigingstelling in Luik Julie Huyghe naar het hof van assisen in Tongeren.

Het hof van assisen behandelt de zaak op 26 juni 1919. Jozef Slegers, raadsheer bij het hof van beroep te Luik, zit het hof voor. Advocaat Claikens van Tongeren verdedigt de verdachte.

“ Akte van beschuldiging

……

Den 28e februari 1918, terwijl Jan Robben den beerput ledigde van het huis zijner tante Robben Margereta, weduwe Charlier, te Kerniel, trok hij er het lijk uit van een pasgeboren kind van het mannelijk geslacht, in eene sloop van een oorkussen gewikkeld.

Op tijd geboren, goed gevormd, levensvatbaar, had zijn dood een schedelbreuk voor oorzaak.

De verdenkingen vielen onmiddellijk op Huyghe Julia, echtgenote Staelens Alidor, die sedert de maand november 1917 bij de weduwe Charlier woonde.

Zij was afkomstig van Bovekerke, arrondissement Veurne. Haar echtgenoot, landbouwwerkman, was zooals naar gewoonte naar Frankrijk vertrokken in september 1914. Zij was alsdan zwanger van haar tweede kind, dat in 1915 geboren werd.

Gedurende de vijandelijkheden kwam Staelens niet in België terug.

Te Bovekerke hielden eene menigte meisjes en jonge vrouwen zich op met soldaten van het bezettingsleger.

Wanneer in november 1917 de vijand dit dorp had doen ontruimen, en de echtgenoote Staelens met hare twee kinderen te Kerniel aankwamen, liep het gerucht dat zij van een Duitscher bezwangerd was.

Aangehouden, loochende de beschuldigde zwanger te zijn.

Een geneeskundig onderzoek gedaan den 5en maart 1918, stelde vast dat zij ontrent eene maand vroeger gebaard had.

Doch, rond het einde van januari 1918, was zij te bed gebleven, klagende van hoofd- en rugpijn. Zelfs had zij hare moeder doen roepen, evenals zij vluchtelinge te Kerniel, en deze laatste had de kamer welke zij bewoonde, gereinigd.

Eindelijk, bezwarende beschuldiging, de sloop van het oorkussen, waarin men het lichaam van het kind gewikkeld had, was van blauw katoen met witte strepen, gelijk de matras waarop de beschuldigde sliep. Na onderzoek bevestigt een deskundige in stoffen dat zij van hetzelfde stuk voortkomen.

Ingevolge:

Huyghe Julia, dochter van Désiré en van Dewilde Romanie, echtgenoote Staelens Alidore, kantwerkster, geboren te Bovekerke den 22 juni 1893, er woonachtig, in hechtenis, is beschuldigd te Kerniel in den loop van het jaar 1918, vrijwillig en met het inzicht ter dood te brengen, een moord begaan te hebben op den persoon van haar kind op het oogenblik der geboorte of onmiddellijk erna.

Gedaan op het parket van het beroepshof van Luik.

Luik, den 25n mei 1919.

Voor den procureur-generaal,

De advocaat-generaal

L. Pepin”

De jury is niet overtuigd van de schuld van Julie en het hof spreekt haar vrij.