Dossier 787 De dag dat Maria Houbrechts verdween

Inhoud

Het noorden van Hasselt ten tijde van de Bokrijkmoord

Dossier 787 De dag dat Maria Houbrechts verdween

Rombout Nijssen

Op 20 juni 1917 biedt Louis Houbrechts uit de Kiewitstraat in Hasselt zich aan bij het politiecommissariaat in Hasselt, om er aangifte te doen van de verdwijning van zijn zus, de 18-jarige Maria Houbrechts:

 “Verleden zondag 17 juni 1917, om 3 uur in de namiddag, is mijn zuster Maria Houbrechts naar het lof gegaan. Sedert toen is zij niet meer naar huis teruggekeerd. Mijn zuster was sedert drie maanden zwanger. Volgens het algemeen gerucht heeft zij met haar minnaar, Victor Peters uit de Kiewitstraat, al een poging tot zelfmoord gepleegd door in de Wagemanswijers aan de Zonhovense Steenweg te springen.”

Diezelfde dag wordt de procureur in Hasselt op de hoogte gebracht, en die geeft de Hasseltse politie daarop opdracht Victor Peters te ondervragen. De volgende dag, 21 juni wordt Peters ondervraagd. Die houdt het kort:

“Ik loochen stellig betrekkingen te hebben gehad met Maria Houbrechts. Ik loochen ook van met haar in de Wagemanswijers te hebben gesprongen.”

Drie dagen later, op 24 juni, ondervraagt de politie meer mensen uit de omgeving van de vermiste. Als eerste is haar vader, de 50-jarige Joseph Houbrechts aan de beurt: “Mijn dochter Maria, 21 jaar oud, is sedert zondag 17 juni spoorloos verdwenen. Zij verkeerde in zwangerschap en omdat haar minnaar haar al gedreigd had het leven te ontnemen, door haar in de vijver te werpen, zo vrees ik nu dat Victor Peters, haar verleider, zijn plan ten uitvoer heeft gebracht. Verscheidene getuigen zullen u doen inzien dat mijn vrees niet van alle grond ontbloot is. Victor Peters wilde zich immers van mijn dochter ontdoen;”

Dan wordt de 25-jarige landbouwer en buurman van het gezin Houbrechts, Louis Knapen, ondervraagd:

“Voor een drietal weken heeft Maria Houbrechts mij gezegd dat Victor Peters haar in de vijvers had willen verdrinken. Hij had haar in een vijver gestoten, en op haar hulpgeroep heeft hij haar mond toegestopt. Toen zij bleef worstelen liet Peters haar los. Zij is toen naar het huis van Jan Cox gegaan, en daar heeft zij haar kleren laten drogen.”

Nadat hij zijn verklaring had ondertekend, voegde Knapen nog toe dat Maria hem verteld had dat zij met Peters had afgesproken om samen naar Genk te gaan, waar Peters iemand kende die bij haar een abortus zou uitvoeren.

Carolina Swerts is de echtgenote van Jan Cox. Zij woont ook in de Kiewitstraat en verklaart:

“Maria Houbrechts is voor een viertal weken op een nacht, het was kwart na 2, bij mij komen aankloppen. Zij heeft mij gevraagd of zij haar kleren mocht drogen, en gezegd dat Victor Peters haar had willen verdrinken omdat zij zwanger was van hem.”

Victor Peters wordt ook ondervraagd, en hij ontkent dat Maria Houbrechts zwanger van hem was of dat hij haar had willen vermoorden.

Ondertussen heeft de vader van Maria het gerucht opgevangen dat zijn dochter op het grondgebied van de gemeente Genk verdronken en gevonden zou zijn. Op 22 juni is hij naar veldwachter Willem Truyen van Genk gegaan, om daar te vragen of dat inderdaad het geval is. De veldwachter moet de vader vertellen dat dat slechts een gerucht is, en dat zijn dochter nog niet gevonden is. Zes dagen later is Joseph Houbrechts weer bij de veldwachter in Genk. Hij heeft immers horen zeggen dat zijn dochter vermoord is en dat haar lijk gedumpt is in de beerputten van het landgoed van de Aspergerie in Berenbroek in Genk. De ijverige veldwachter is daarop met vader Houbrechts naar die boerderij gegaan, waar op zijn verzoek twee knechten van de boerderij de beerputten onderzocht hebben. Zij hebben het lijk van Maria niet gevonden, maar in zijn verslag over dit onderzoek merkt de veldwachter op dat de grote en diepe putten moeilijk te onderzoeken zijn. Zij zijn slechts toegankelijk via een gat van 70 bij 70 cm, en zij staan vol beer. Om een ernstig onderzoek mogelijk te maken zouden de putten leeggetrokken moeten worden.

Nadat vader Houbrechts naar huis gegaan is, heeft de veldwachter de zaak verder onderzocht. Guillaume Peeters, die een herberg uitbaat aan de Hasseltweg in Genk, vertelt hem dat op zondag 17 juni een onbekend koppel zijn herberg bezocht heeft:

“De jongen was ongeveer 20 jaar, en het meisje was van dezelfde ouderdom. Zij zijn tegen de avond in mijn herberg geweest. Zij hebben een glas bier gedronken en zijn zonder veel te spreken weer weggegaan. Ik weet niet in welke richting zij vertrokken zijn. Ik kende geen van beide.”

Veldwachter Truyen kent zijn stiel, en hij weet dat hij voor meer details bij Bertha Peetersen, de vrouw van de herbergier moet zijn:

“Die twee hebben hier een kwartier gezeten, en spraken elkaar bijna niet aan. Zij waren alle twee van dezelfde gestalte. Het meisje droeg een zwarte hoed met een rode roos vanvoor, een rode bloes en een zwarte rok. Ik weet niet in welke richting zij weggegaan zijn.”

Op 12 juli ondervraagt hij Bertha Peetersen opnieuw. Dan vertelt zij de veldwachter dat zij de jongen teruggezien heeft:

“Ik blijf bij de verklaring die ik u op 28 juni heb afgelegd. Op vrijdag 29 juni ging ik naar de kerk bij de Broeders, en ik meen dat diezelfde jongen mij toen tegengekomen is. Hij liep in de richting van Genk en zag er bedroefd uit.”

Op 18 juli komt het onderzoek in een stroomversnelling, zonder dat daarvoor in het dossier een concrete oorzaak te vinden is. Die dag ondervraagt onderzoeksrechter Paul Bamps Victor Peters in zijn kantoor in Hasselt. Nadat hij Peters verteld heeft dat hij verdacht wordt van de moord op Maria Houbrechts ontkent die weer alle betrokkenheid:

“Ik ben onschuldig. Ik heb geen betrekking gehad met Maria Houbrechts, en ik heb nooit met haar verkeerd. Ik weet niet of zij zwanger is en ik weet ook niet wat er van haar geworden is.”

De onderzoeksrechter laat zich niet van de wijs brengen, en is blijkbaar overtuigd van de schuld van de verdachte. Hij laat Victor Peters voorlopig aanhouden.

Een week later, op 25 juli, ondervraagt onderzoeksrechter Bamps alle getuigen die tot dan toe al door de politiemensen ondervraagd zijn.

Vader Joseph Houbrechts weet niet meer dan wat hij bij eerdere gelegenheden al verklaard heeft:

“Ik kan geen andere inlichtingen geven als degene welke ik aan de veldwachter te Genk en aan de politie te Hasselt gegeven heb. Ik bevestig deze verklaringen.

Ik heb niets meer vernomen van mijn dochter en weet niet waar zij is, of zij verdwenen, vermoord of verongelukt is. Van Louis Knapen heb ik vernomen dat zij de dag dat zij verdwenen is, zwanger was van Victor Peters. Knapen had dat aan mijn vrouw gezegd.”

Carolina Swerts wordt ondervraagd over de nacht waarin Maria Houbrechts bij haar haar kleren kwam drogen:

“Maria Houbrechts was gans alleen, rond 2 uur ’s nachts, bij ons komen vragen om haar te drogen. Zij was helemaal nat en zegde dat Victor Peters haar in de vijver gestoten had omdat zij zwanger was van hem. Zij heeft mij toen bekend dat zij drie maanden zwanger was. Zij durfde in de toestand waarin zij zich bevond niet naar huis gaan. Ik heb haar kleren gedroogd en haar kousen en klompen gegeven om naar huis te gaan. Sindsdien heb ik haar niet meer gesproken.”

Louis Knapen is een 26 jarige landbouwer die ook in de Kiewitstraat woont:

“Ik ben altijd goed kameraad geweest met Victor Peters. Ik verkeer met Octavie Houbrechts, de zus van Maria. Op die manier heb ik vernomen dat Maria zwanger was van Peters.

Maria Houbrechts heeft mij eind mei verteld dat zij de dag daarvoor met Victor Peters in Hasselt naar het lof geweest was en dat zij rond half 10 terug naar huis was gegaan. Zij was onder de Molenpoort doorgegaan, op het kanaal aan, en zo op de Zonhovense Steenweg aan. Toen zij langs de vijvers van Wagemans liepen, sprak Peters van zich samen te verdrinken omdat zij zwanger was van hem. Toen heeft hij haar plots in de vijver geduwd. Zij was nat tot over haar knieën, zo zegde zij. Zij is toen naar de vrouw Cox gegaan om zich te drogen en de volgende morgen is zij naar huis gegaan.

Toen ik Victor Peters over de zwangerschap van Maria aansprak, heeft hij geglimlacht, en dat niet ontkend.

Sedert die nacht is Maria niet meer bij hem geweest, uit vrees dat hij haar nog zou aanranden.

De dinsdag voor de 17de juni heeft Peters mij gevraagd aan Maria te zeggen dat hij haar zou willen spreken. Ik heb geantwoord dat zij dat niet zou willen, en dat zij schrik voor hem had.

Later heb ik vernomen dat zij toch samen geweest zijn. Maria heeft gezegd dat Peters haar gevraagd had om hem de zondag daarna, de 17de juni, om 2 uur te ontmoeten op de Genkersteenweg, om samen naar Genk te gaan om daar haar vrucht te laten afdrijven.

Die zondagmorgen heeft Maria mij gezegd dat zij Peters ontmoet had toen zij naar de kerk ging, en dat hij haar gevraagd had een kwartier vroeger te komen om naar Genk te gaan. Rond twee uur was ik bij Octavie, en wij hebben Maria zien vertrekken in de richting van de Genkersteenweg. Peters heb ik toen niet gezien.

Ik weet dat Maria op de Genkersteenweg, tegenover de dreef van Mouling rond kwart na 2 gezien is door Elisa Wolfs van de Kwakkelstraat in Hasselt.

Maria zou aan Elisa gezegd hebben dat zij op iemand wachtte, en dat indien hij niet kwam, zij naar het lof in Godsheide zou gaan, en dat zij niet alleen naar Genk ging.”

Als de onderzoeksrechter hem vraagt welke kleren Maria op 17 juni droeg antwoort hij:

Toen ik Maria rond 2 uur heb zien weggaan, droeg zij een rode bloes, een zwarte rok en een zwarte hoed met rode bloemen.”

Dan wordt Bertha Peetersen, de 41-jarige echtgenote van de herbergier Willem Peters uit Genk ondervraagd:

“Het meisje dat ik met de jongen in onze herberg gezien heb, droeg een rode bloes, een zwarte rok en een zwarte hoed met rode bloemen. Zij zijn samen vertrokken rond 6 uur ’s avonds. De jongen die ik op 29 juli, Sint-Pieter-en-Paulusdag, gezien heb, is niet de jongen die ik in mijn herberg met het meisje gezien heb.”

Als de onderzoeksrechter haar met Victor Peters confronteert, zegt zij hem niet te herkennen. Ook Peters zegt dat hij haar niet kent, en hij ontkent in haar herberg geweest te zijn. Ook Willem Peters wordt met de verdachte geconfronteerd, en herkent hem niet.

Op 30 juli wordt het lijk van Maria Houbrechts in Genk gevonden.

De volgende dag, 31 juli, ondervraagt de onderzoeksrechter Victor Peters over zijn tijdsgebruik op 17 juni (in het verslag staat 27 juni):

Den 27 juni ben ik aan mijn huis vertrokken rond kwart voor 2 namiddag, om naar de herberg De Kwakkel te gaan. Dat is omtrent 20 minuten van ons huis af, in de richting van Godsheide. In de dreef van Mouling heb ik Paul Mouling ontmoet, die mij een sigaret gegeven heeft. In de Kwakkel ben ik een kwartier gebleven en in het buitengaan heb ik met Henri Morren gesproken. Ik ben dan in de richting van de Genkersteenweg gegaan. Daar heb ik Josefin Grosemans met een jongen aan haar huis zien staan.

Ik heb dan de Genkersteenweg overgestoken en heb de weg naar de Berkenwijers in de richting van Bokrijk ingeslaan. Aan de Berkenwijers heb ik de vrouw van Emile Jans gezien aan haar woning en haar goedendag gezegd. Dan heb ik Jozef Iven ontmoet, die met de kinderen van zijn zus bosbessen plukte. Dat was op omtrent een kwartier van ons huis.

Rond 5 uur ben ik naar huis gegaan om koffie te drinken en om half 6 ben ik weer naar buiten gegaan. Tot rond half 8 ben ik met de meisjes van Valkeneers blijven praten. Die waren hun koeien aan het hoeden. Toen zijn zij naar huis gegaan, en ik ben naar Schreurs in het wachthuisje gegaan. Daar werd met de kaarten gespeeld, maar ik heb niet gespeeld. Ik ben daar gebleven tot 9 uur en dan ben ik in gezelschap van Jozef Grosemans huiswaarts gegaan. Rond half 10 was ik thuis en om 10 uur ben ik naar de garde van Kiewit gegaan, Vanvinckeroye, om daar mijn nachtdienst te beginnen met Edmond Vanvinckeroye en August Broeders. Tot 4 uur ’s morgens hebben wij nachtdienst gedaan.

Ik beken op 17 juni voor het laatst met Maria Houbrechts gesproken te hebben. Dat was ’s morgens, toen ik terugkwam van de 5-urenmis. Ik zag haar aan het kerkhof in Hasselt, toen zij naar de 6-urenmis ging. Ik heb haar gevraagd of het waar was dat zij gezegd had dat zij zwanger was van mij. Zij heeft mij geantwoord dat zij zoiets niet gezegd had.

Mijn vader is mij in de gevangenis komen zeggen dat het lijk van Maria gevonden is in het bos in Bokrijk. Ik ontken ook dat zij van mij zwanger was. Ik heb met haar geen betrekkingen gehad.”

Catharina Valkeneers is 20 jaar, en woont ook in de Kiewitstraat. Zij bevestigt dat zij en haar zus op 17 juni ’s avonds bij Victor Peters waren:

“Ik heb horen zeggen dat Maria Houbrechts op 17 juni verdwenen is.

Ik herinner mij dat ik en mijn zuster Josefine de koeien aan het hoeden waren in een bos van mijnheer Stellingwerff, achter de stokerij van mijnheer Leynen. Victor Peters is daar rond half 6 ’s avonds bij ons gekomen. Ik kan niet zeggen van welke richting hij kwam. Hij is met ons blijven praten tot rond half 9. Toen heeft hij ons tot aan zijn woning vergezeld toen wij met onze koeien naar huis gingen. Hij is dan in de Kiewitstraat nog met Josefine Schreurs en Jan Claesen blijven praten.”

Paul Mouling is 19 jaar en woont ook in de Kiewitstraat. Hij bevestigt dat hij Victor Peters op 17 juni in de dreef bij hun huis gezien heeft:

“De 17de juni, de dag waarop Maria Houbrechts verdwenen is, heb ik Victor Peters rond kwart na 2 gezien in de dreef die van de Genkersteenweg naar ons huis leidt. Ik kwam terug van de stad, en hij kwam mij tegemoet. Hij kwam uit de richting van zijn huis en ging in de richting van de Genkersteenweg. Hij zegde dat hij naar Henri Morren ging om tabaksplanten te halen. Ik heb hem een sigaret gegeven. Sindsdien heb ik hem niet meer gezien.

Maria Houbrechts heb ik die dag niet gezien.”

Hendrik Morren is een 20-jarige landbouwer. Hij woont in Hasselt op de Kempische Heide. Hij verklaart dat hij Peters op 17 juni niet gezien heeft:

“Ik heb Peters die zondag niet gezien. Ik ben rond 1 uur bij ons vertrokken om naar de cinema te gaan in de Kapelstraat in Hasselt. Ik was daar voor 3 uur, want om 3 uur begint de vertoning.”

Josefine Grosemans is 19 jaar oud, en woont ook in de Kiewitstraat. Zij heeft Maria op de dag van haar verdwijning, rond half 3, gezien:

“Ik heb vernomen dat Maria Houbrechts op zondag 17 juni verdwenen is. Die zondag heb ik haar nog gezien rond half 3 namiddag, op de Genkersteenweg, dicht bij het huis van mijn ouders. Zij ging in de richting van Genk. Het huis van mijn ouders ligt aan de Genkersteenweg, waar de weg van De Kwakkel op de Steenweg uitkomt.

Kort nadat Maria voorbij was, is Victor Peters langs mij doorgekomen. Hij kwam van De Kwakkel en zegde mij goedendag. Hij stak de Steenweg over en is de aarden weg naar de Berkenwijers ingegaan.”

Joseph Iven is een 30-jarige landbouwer en woont bij de Berkenwijers. Hij herinnert zich niet dat hij op 17 juni Victor Peters gezien zou hebben:

“Ik kan mij niet herinneren dat ik die zondag met Peters gesproken zou hebben. Ik heb wel al horen vertellen dat hij met Maria Houbrechts verkeerde. Ik weet dat ik op een zondag, toen ik met de kinderen van mijn zuster aan het wandelen was bij het huis van de garde Cox, eens met Victor Peters gesproken heb, maar ik herinner mij niet welke zondag dat was.

Het was rond 3 uur dat ik met Victor Peters gesproken heb. Hij ging in de richting van zijn woning, en niet op Genk aan. Wij waren op een kwartier gaan van de Genkersteenweg, aan de andere kant van de spoorweg. Peters zegde dat hij zich was gaan wassen in de vijver.”

Jacob Schreurs is 64 jaar oud. Hij is bareelwachter en woont in het wachthuisje waar op 17 juni met de kaarten gespeeld werd:

“Het is mij onmogelijk te zeggen welke zondag of om hoe laat Victor Peters bij ons gekomen is.”

Edmond Vanvinckeroye is 18 jaar en woont ook in de Kiewitstraat:

“Ik ben gelast ’s nachts de wacht te houden in onze omstreken, samen met August Broeders en Victor Peters, en zulks alle zes dagen een nacht.

Die bewaking is begonnen op 22 juni 1917, die dag was Victor Peters er niet bij. Victor is slechts een keer met ons mee gegaan op wacht. Dat was op een zondag, maar ik kan niet zeggen welke zondag. In alle geval was dat na 22 juni.

Ook August Broeders is maar 18 jaar oud. Hij vertelt over de wacht:

“Ik heb op een zondag wacht gehouden met Victor Peters en Edmond Vanvinckeroye, maar het is mij onmogelijk te zeggen welke zondag dat was. Veldwachter Vandevoorde zal dat wel weten, aangezien hij die wacht ingesteld heeft.

Wij waren met zes ploegen van drie man, en iedere ploeg moest om de 6 nachten uitgaan. Victor Peters is slecht een keer meegegaan, enkele dagen voor hij aangehouden werd. De eerste keer had hij zich laten vervangen door zijn broer Antoon.”

 Op vraag van de onderzoeksrechter stelt veldwachter Vandevoorde van Hasselt op 4 augustus een proces verbaal op over de deelname van Victor Peters aan de boerenwacht. Hij ondervraagt daarvoor Guillaume Vanvinckenroye, de boswachter van het kasteel van Kiewit. Hij is de overste van de boerennachtwacht in Kiewit:

“De boerennachtwacht is begonnen op maandag 25 juni 1917. Die nacht moesten Armand Vanvinckenroye, August Broeders en Victor Peters uitgaan. Die laatste heeft zich laten vervangen door zijn broer, Antoon Peters.

Op zondagavond 1 juli zijn Armand Vanvinckenroye, August Broeders en Victor Peters weer uitgegaan. De zondag daarop, 8 juli, zijn Alfons Valkeneers en Victor Peters uitgegaan. Dinsdag 17 juli hebben Victor Peters en Alfons Valkeneers de laatste keer wachtdienst gedaan.” 

Ondertussen is in Genk veldwachter Truyen op eigen initiatief op onderzoek uitgegaan. Als hij het gerucht opvangt dat een zekere Frans Baert van het Statieplein in Genk iets over de zaak zou weten, gaat hij die man op 1 augustus ondervragen:

“Op zaterdag 16 juni zijn mijn vrouw en kinderen naar Hasselt gegaan, om daar een bezoek te brengen aan onze familie. Zij zijn daar tot zondag 17 juni gebleven. Die zondag ben ik hen tegen de avond in Hasselt gaan halen. Rond 6 uur, half 7, was ik iets voorbij het gesticht van de Broeders in Bokrijk. Daar zag ik een jongen en een meisje door de dreef van het goed van graaf de Meeus in Bokrijk gaan. Zij gingen in de richting van de IJzerenweg. Het meisje had blond haar, zij droeg een rode bloes en had een kleine zwarte valies in de hand. De jongen droeg een pet. Zij waren omtrent even groot. Ik kende geen van beiden.

Ik wandelde door tot Godsheide, en daar kwamen mijn vrouw en kinderen mij tegemoet. Wij hebben daar wat staan praten met kennissen en zijn dan naar Genk gewandeld. Met de kleine kinderen konden wij niet snel stappen, en er ging wel een uur voorbij voordat wij weer op de plaats kwamen waar ik de jongen en het meisje gezien had.

Toen kwam dezelfde jongen de dreef weer afgelopen, zeer haastig, omtrent lopend. Hij draaide zich gedurig om en toen hij mij zag liep hij van mij weg. Ik was dicht genoeg bij hem om te zien dat hij dezelfde jongen was die ik een uur eerder met het meisje gezien had.

Omdat ik dat vreemd vond wilde ik eens gaan kijken in het bos, maar mijn vrouw liet mij dat niet toe.”

De echtgenote van Frans Baert heet Josephine Werckx. Zij vertelt:

“Het kan half 8 of 8 uur geweest zijn toen wij aan de dreef kwamen, waar die jongen haastig kwam uitlopen. Mijn man zegde dat hij die jongen eerder met een meisje die dreef had zien ingaan. Hij had een slecht gedacht over de houding van die jongen en hij wilde in het bos gaan kijken. Omdat ik daar niet in toestemde heeft hij dat niet gedaan. De jongen is toen de bossen van de Aspergerie ingelopen.”

De veldwachter heeft zelf vastgesteld dat de afstand van de Hasseltsesteenweg, door de dreef en naar de plaatst waar het lijk gevonden werd, afgelegd kan worden in 25 tot 30 minuten. Het is dus mogelijk dat dezelfde jongen die weg op een uur twee keer heeft afgelegd.

Later hoort de veldwachter zeggen dat het koppel dat Frans Baerts gezien heeft aan de Hasseltsesteenweg, in het café van Maria Brans en haar man geweest is. Op 3 augustus ondervraagt hij Maria Brans. Zij probeert zich het koppel te herinneren:

“Als ik mij goed herinner hebben hier in mijn herberg daar in de hoek een jongen en een meisje gezeten. De jongen was rond de 20 jaar oud, met ros haar en een rossige knevel. Het meisje was blond en zag een beetje scheel. Zij droeg een klein zwart handvaliesje.

Zij spraken weinig met elkaar en zij hebben hier een glas bier gedronken. Zij hebben hier enige minuten gezeten en zijn dan doorgegaan. Dit moet een zestal weken geleden geweest zijn. Ik herinner mij goed dat het op een zondag was.”

De veldwachter noteert in zijn PV nog dat vader Houbrechts bevestigt dat zijn dochter Maria wat scheel keek.

Op 5 augustus zet hij zijn onderzoek voort. Philomena Lambrechts uit Genk was bij het gezin van Frans Baert toen zij de jongen zonder het meisje uit de dreef hadden zien komen. Zij herinnert zich dat de jongen een zwarte slappe hoed droeg en dat hij wegvluchtte toen hij hen zag.

Maria Brans, die hij twee dagen ervoor ondervraagt had, en die het café houdt waar het koppel een glas bier was komen drinken, herinnert zich op 5 augustus met grote stelligheid dat de Victor Peters de jongen was die met zijn meisje in haar café geweest is. Nu beweert zij Victor Peters zeer goed te kennen. Zij herinnert zich ook dat hij een zwarte slappe hoed droeg en dat het rond 5 uur in de namiddag was toen zij in haar café waren.

Op 8 augustus stuurt de veldwachter het verslag van zijn bevindingen naar de onderzoeksrechter in Hasselt, nadat hij eerst het gerecht in Tongeren op de hoogte heeft gebracht van zijn bevindingen.

Diezelfde dag ondervraagt de onderzoeksrechter in Hasselt de personen die in de dagen daarvoor verklaringen aflegden aan de veldwachter in Genk.

Marie Brans, de caféhoudster die tegenover de veldwachter beweerd had dat zij Victor Peters goed kent, wordt met Peters geconfronteerd. Dan is zij blijkbaar minder zeker van haar zaak:

“Ik kan niet zeggen dat het dezen persoon is die met het meisje in mijn herberg geweest is, maar wat zeker is, dat is dat de jongen rosachtig was zoals deze jongen. Ik heb meer op het meisje gelet. Zij had een zwarte rok aan, een rode bloes, een sacoche in de hand en een paraplu. Ik heb ook gezien dat zij wat scheel keek met één oog. De jongen had een zwarte slappe hoed op, zoals deze hier.”

Victor Peters verklaart daarop dat hij Marie Brans niet kent, en dat hij niet in haar café geweest is.

Frans Baert, de man die op 17 juni zijn vrouw en kinderen in Godsheide was gaan ophalen, en in het opgaan naar Godsheide de jongen en het meisje de dreef had zien ingaan, en een uur later de jongen alleen had zien terugkomen, geeft nu meer details:

“Ik houd onder eed de verklaring staande die ik aan de veldwachter van Genk gedaan heb.

Ik moet nog bijvoegen dat toen ik het meisje met de jongen over de Genkersteenweg zag doorgaan, ik op een koets van Grené zat. Een van diens zonen reed met die koets. Hij was zeer bedronken. Toen ik langs dat koppel doorkwam, en zag dat zij in de richting van het bos gingen, heb ik aan Grené luidop gezegd “Die gaan daar fikken.” Zij moeten dat gehoord hebben, want het meisje draaide zich om en glimlachte. Toen heb ik gezien dat zij wat scheel was aan één oog. De jongen bekeek mij ook, maar kwaadaardig, op een valse manier.

Toen ik met mijn vrouw terug op Genk aan kwam, heb ik diezelfde jongen, alleen, op ongeveer 20 meter afstand voor mij zien doorgaan toen hij de Steenweg overstak. Zijn manieren leken mij zo zonderling, dat ik dacht dat er tussen hen iets gebeurd was, en dat hij haar misschien iets misdaan had. Ik wilde het bos in gaan, maar mijn vrouw heeft mij dat belet.”

Als ook hij met Victor Peters geconfronteerd wordt is hij stellig:

“Ik ben gans zeker dat het deze persoon is die ik de 17de juni met het meisje gezien heb. Samen gingen zij het bos in, en hem alleen heb ik het bos uit zien komen. Ik ben er des te zekerder van dat ik hem herken, omdat ik over omtrent twee jaar met hem gewerkt heb aan de koolmijn in Winterslag.”

Peters ontkent Baert die dag gezien te hebben of zelfs maar op die plaats geweest te zijn. Hij herinnert zich wel samen met Baert in Winterslag gewerkt te hebben.

Voor de onderzoeksrechter staat de schuld van de verdachte op dat moment vast. Hij laat het volgende in het PV van de ondervraging opnemen:

“Wij doen de verdachte opmerken dat het klaarblijkelijk bewezen is dat hij de dader is van de moord op Maria Houbrechts, en raden hem aan rechtzinnig de waarheid te bekennen en berouw te tonen over zijn daad.

De verdachte blijft zwijgen en antwoordt niet meer op onze vragen en aanmaningen. Dan begint hij geweldig te wenen. Dit is de eerste keer dat hij enig berouw schijnt te tonen.

Als de verdachte tot bedaren gekomen is, ondervragen wij hem weer. Hij antwoordt eerst niet, zegt dan dat hij onschuldig is.

Zijn houding is voor ons een bekentenis.”

Armand Grené is de 34-jarige verhuurder van rijtuigen uit Hasselt, die de koers bestuurde waarop Frans Baert op 17 juni van Genk naar Hasselt reed. Hij wordt pas op 3 oktober ondervraagd:

“Ik herinner mij dat ik in de maand juni, op een zondag, ik meen de 17de juni volgens mijn boeken die ik nagelezen heb, een persoon die ik niet met naam ken op mijn koets meegenomen heb toen ik van Genk kwam. Hij is met mij meegereden tot Godsheide. Ik weet dat hij onderweg goedendag gezegd heeft aan mensen die mij voorbijreden, maar het is mij onmogelijk nog te zeggen aan wie. Het zou mij ook onmogelijk zijn een van die personen te herkennen als ik hem zag.”

Na de ondervraging van 8 augustus ligt het onderzoek een tijd stil. Op 13 september ondervraagt Paul Bamps een tiental personen in zijn kantoor te Hasselt.

Als eerste ondervraagt hij Toussaint Prijs, de politieagent die Peters bewaakte op 8 augustus:

“Op 8 augustus heb ik de verdachte Victor Peters naar hier gebracht, naar het kantoor van de onderzoeksrechter. Na zijn confrontatie met de getuige Frans Baert, is hij in mijn aanwezigheid beginnen wenen. Ik heb hem dan aangeraden om de waarheid te zeggen en te bekennen dat hij de dader is. Hij heeft mij toen geantwoord “Ja, ik ben het geweest, maar ik beken het nu nog niet, ik moet eerst met mijn advocaat spreken.”

Enkele dagen later, toen ik hem nog eens naar de rechtbank bracht, heeft hij mij gevraagd of ik onder eed zou ondervraagd worden over wat hij mij gezegd had. Ik heb hem gezegd dat ik mijn verklaring zou doen als ik daarover ondervraagd zou worden. Hij heeft daar niet op geantwoord, maar ik heb gemerkt dat de tranen hem in de ogen kwamen.”

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter Clementine Wanten, de moeder van Maria Houbrechts:

“ik wist dat mijn dochter Maria verkeerde met Victor Peters. Hij kwam nogal dikwijls aan huis, maar ik heb nooit iets bijzonders bemerkt. Pas na haar verdwijning heb ik vernomen dat zij zwanger was. Ik had al wel bemerkt dat zij er soms wat bleek uitzag. Ik had niet bemerkt dat zij geen maandstonden kreeg, omdat ik de was niet zelf deed.

Maria ging zelden uit en was stil en zoet van karakter. De dag dat zij verdween droeg zij een zwarte rok, een rode taille en een zwarte hoed met een rode bloem. Zij droeg lage schoenen met veters. Zij had een paraplu en een sacoche.”

De volgende personen die ondervraagd worden, zijn drie leeftijdsgenoten van Maria, uit de Kiewitstraat. Haar zus Octavie is bijna 16 jaar:

“Ik wist dat mijn zuster Maria zwanger was. Op zekere avond had ik gemerkt dat zij vrij lang alleen was met Victor Peters. Later merkte ik dat zij haar regels niet meer kreeg, en toen heeft zij mij bekend dat zij zwanger was van Victor Peters. Zij heeft mij ook eens verteld dat Peters haar had willen verdrinken.

Maria heeft mij ook gezegd dat Peters met haar afgesproken had om samen naar Genk te gaan. Om kwart voor 2 moest zij op de Genkersteenweg zijn en rond 4 uur zouden zij terug zijn. Moeder mocht daar niets van weten. Het was immers hun bedoeling in Genk de vrucht te laten afdrijven.

Maria was op de dag van haar verdwijning gekleed zoals moeder gezegd heeft. Zij droeg zilveren oorbellen met een klein wit steentje. Aan haar linker hand droeg zij een zilveren ring met drie rode steentjes. Ze droeg ook een zilveren halsketting met medaillon.”

Dan worden Josephine en Catherine Valkeneers, buurmeisjes uit de Kiewitstraat, ondervraagd. Josephine is de oudste, zij is 25 jaar oud:

“Ik weet dat Victor Peters met mijn zuster Catherine heeft gevrijd. Peters kwam iedere zondag bij ons als wij de koeien hoedden. Op 17 juni is hij ook bij ons geweest van kwart voor 6 tot omtrent kwart na 8. Hij is toen blijven staan bij Josephine Schreurs en Jan Claes.”

De 20-jarige Catherine Valkeneers ontkent dat zij een relatie had met Peters:

“Het is waar dat Victor Peters mij gevraagd heeft met mij te mogen aanhouden. In de loop van vorige winter heeft hij mij dat verscheidene keren gevraagd. Omdat die jongen mij niet aanstond, heb ik daar niet in toegestemd. Op pinkstermaandag heeft hij mij nog gevraagd om met hem mee te gaan, en dan ben ik met hem uitgegaan. Wij zijn toen nog een paar keer samen geweest, maar op zondag 10 juni heb ik hem gezegd dat ik niet met hem wilde verkeren.”

Dan ondervraagt Paul Bamps de ouders van de verdachte. Zijn vader, Henri Peters, kan geen slecht woord over zijn zoon zeggen:

“Sedert dat die feiten voorgevallen zijn, heb ik niets bijzonders aan mijn zoon bemerkt. Hij is altijd een goede werkman geweest en hij heeft zich altijd goed en godvruchtig gedragen. Ik heb nooit bemerkt dat hij met een meisje te doen had.”

Zijn moeder, Maria Claes, staat ook achter haar zoon:

“Mijn zoon heeft zich altijd goed gedragen en is altijd braaf en eerlijk geweest. Sedert de verdwijning van het meisje Houbrechts, en tot aan zijn aanhouding, heb ik niets bijzonders aan hem bemerkt.

Toen hij voor de eerste keer op het politiebureel in Hasselt is moeten komen, heeft hij mij gezegd dat hij zou terugkomen, dat het over de verdwijning van Maria Houbrechts ging en dat hij daar niets van wist.”

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter voor het eerst Jules Vandermaesen uit Zonhoven. Het is deze 37-jarige landbouwer die het lijk van Maria ontdekt had:

“Op het einde van de maand juli, op een maandag, ik geloof dat het 30 juli was, was ik mijn koeien aan het hoeden in de heide tegen Bokrijk. Ik heb er geslapen, en in die tijd waren mijn koeien in het bos gelopen. Ik ben dan het bos ingegaan om mijn koeien terug te halen. In het bos rook ik een eigenaardige geur. Op een afstand van 3,5 meter van mij zag ik toen het lijk. Vol angst ben ik dan naar Zonhoven gelopen om de veldwachter te verwittigen. Die heeft mij dan terug naar die plaats begeleid.

Daar hebben wij vastgesteld dat het het lijk van een meisje was. Zij lag op haar rug, met het hoofd tegen een den. Haar hoofd hing 30 à 40 centimeter boven de grond. Zij had iets rond de hals gebonden, en dit hing langs haar hoofd tot aan de dennenboom. Ik weet niet of dat rond de den gebonden was of alleen maar in een takje hing. Haar armen lagen langs haar lichaam op de grond. Haar rechterhand lag open, met de handpalm naar boven. Haar sacoche lag langs haar hand. Haar benen lagen gekruist en haar paraplu lag over haar benen. Haar hoed lag links van haar, op een halve meter afstand. Zij droeg een zwarte rok en een rode taille die afgeschoten was door de zon.”

Als laatste ondervraagt Paul Bamps die dag de veldwachter van Zonhoven:

“Ik bevestig de verklaring van Jules Vandermaesen.

Ik ben terug naar de plaats gekomen met de veldwachter van Genk. Toen hebben wij vastgesteld dat het het lijk van Maria Houbrechts was. Haar eenzelvigheidskaart zat in haar sacoche.”

Aangezien het lijk van Maria in Bokrijk in de gemeente Genk gevonden werd, waren het de procureur en de onderzoeksrechter van Tongeren die op 30 juli en de dagen daarna het onderzoek voerden. Op 17 september beslist de raadkamer van de rechtbank te Tongeren dat de procureur zijn dossier aan zijn collega in Hasselt moet overdragen.

Op 31 juli stellen Willem Truyen en Mathijs Crijns, de veldwachters van Genk, voor de procureur in Tongeren een verslag op over het vinden van het lijk:

“Het lijk wat dat van een vrouw. Het was in staat van ontbinding. Daar wij kennis hadden van de verdwijning van Maria Houbrechts, de 17de juni, waren wij in het gedacht dat zij het zou zijn. Haar eenzelvigheidskaart bevestigde dat. De moord zou gepleegd zijn door Victor Peters, haar minnaar.

Volgens onze vaststellingen ter plaatse, werd zij vermoord. Zij lag tegen de grond, en was met een soort doek vastgebonden aan een jonge dennenboom. Er is veel geworsteld. In haar rechterhand had zij haar valies, en langs haar lag haar hoed. Haar paraplu lag op haar benen. Die moet haar moordenaar zo gelegd hebben.

Nog op 31 juli geeft onderzoeksrechter Hubert Lambrichts in Tongeren de Tongerse geneesheren Lucien Quaedvlieg en Fritz Ghinéau opdracht het lijk en de kleding van Maria Houbrechts te onderzoeken.

Op 13 augustus geeft de Tongerse onderzoeksrechter opdracht aan architect Lippens van Hasselt om een schets te maken van de plaats waar het lijk gevonden is, en van de plaatsen waar de verdachte met het slachtoffer gezien werd.

Op 28 augustus stellen de geneesheren hun verslag op. Zij concluderen dat het slachtoffer vermoord werd waarna een zelfmoord geënsceneerd werd.

Op 22 oktober vraagt de Hasseltse procureur aan de raadkamer om de zaak naar de procureur-generaal in Luik te verwijzen. Via zijn advocaat dient Victor Peters die dag bij de raadkamer een “memorie van verwering” in, waarin hij uiteenzet dat

  1. Hij op 17 juni in de buurt van zijn woning in de Kiewitstraat gezien werd, rond kwart na 5 door Jan Reekmans en rond half 9 door Maria Vanroy;
  2. Het vreemd is dat Frans Baert, die hem op 17 juni twee keer gezien zou hebben op de Genkersteenweg, hem toen niet herkend heeft, en hem pas herkent bij een confrontatie bij de onderzoeksrechter.

Bovendien is het zo dat Peters ooit in Genk tussenbeide gekomen is bij een vechtpartij waarbij Baert betrokken was. Sindsdien koestert Baert vijandschap voor Peters. Peters noemt twee getuigen van de vechtpartij;

  • De vader van Maria spreekt in zijn aangifte van haar verdwijning over een zelfmoordpoging van zijn dochter. Zonder grondig onderzoek wordt dat later een moordpoging door verdrinking genoemd;
  • Het niet aannemelijk is dat Peters, indien hij van plan geweest zou zijn Maria Houbrechts te vermoorden, zich die dag op verschillende plaatsen in het openbaar met haar vertoond zou hebben.

Op 12 februari 1918 stelt Jozef Houbrechts zich burgerlijke partij. Hij eist van de beschuldigde de som van 10.000 frank als schadeloosstelling

Het hof wordt voorgezeten door Jozef Slegers, raadsheer in het hof van beroep te Luik.

Advocaat Bellefroid van Hasselt verdedigt de verdachte.

Op 20 december 1917 verwijst de kamer van inbeschuldigingstelling in Luik de zaak naar het hof van assisen in Tongeren.

Advocaat Bellefroid roept 4 getuigen op ten voordele van Peters:

Politieagent Gustaaf Lahon uit Hasselt vertelt dat hij samen met zijn collega’s Prijs en Gutscoven Peters moest bewaken toen die met Frans Baert en anderen geconfronteerd werd:

“De politieagent Prijs gaf ons bevel van hem alleen te laten in de wachtzaal. Alsdan zijn Gutscoven en ik uitgegaan. Maar wij hebben geloerd en geluisterd door de spleet van de deur, en hebben Prijs alle moeite van de wereld zien doen om Peters tot bekentenis aan te zetten, maar wij hebben Peters niets horen zeggen.”

Zijn collega, agent Hubert Gutscoven verklaart:

“Ik heb gebukt door het sleutelgat gekeken terwijl agent Lahon boven mij door de spleet van de deur gekeken heeft. Ik heb gezien dat agent Prijs een Christusbeeld uit zijn geldbeugel gehaald heeft, en daarop zwoer dat, indien Peters hem bekentenis wou doen, hij vrij van straf zou zijn, maar dat hij, indien hij loochende, levenslange straf te verwachten had.

Op het gezegde van Prijs heb ik Peters geen antwoord zien of horen geven. Ik heb enkel gezien en gehoord dat Peters erbarmelijk weende.”

De derde getuige die de verdediging oproept is Willem Kumbruck, die in juni 1917 bareelwachter was aan de statie in Bokrijk. Hij verklaart dat hij die dag een meisje dat aan de beschrijving van Maria Houbrechts voldoet, alleen heeft zien voorbijkomen:

“In de zomer van 1917 deed ik dienst als bareelwachter in de statie van Bokrijk. Op een zondag, waarvan ik de datum niet meer weet, deed ik de bareel toe voor de trein van 2 uur, toen een meisje langs de IJzerenweg afkwam uit de richting van Hasselt. Ik wilde de bareel openen om haar voorbij te laten gaan, waarop zij zegde “Ik heb tijd genoeg, laat de bareel maar toe.” Dan begon zij met mij te praten en zij bleef wel ongeveer een half uur staan.

Zij droeg een zwarte rok, een rode bloes, een zwarte hoed met een rode roos, en had een groen of zwart handzakje in haar hand.

Zij is dan doorgegaan naar de Steenweg van Genk, in de richting van Genk.”

De vierde getuige is Ernestine Evers uit de Kiewitstraat. Haar getuigenis zit niet in het dossier.

Maria Houbrechts