Dossier 770 Vadermoord in Oostham, 1911

Rombout Nijssen

Op woensdag 21 juni 1911 komt 9 uur ’s morgens bij het parket in Hasselt een telegram aan van de commandant van de rijkswacht in Leopoldsburg. Hij meldt dat Willem Ooms van Oostham op donderdag 15 juni vermoord werd door zijn zoon Leopold. Het lijk van Ooms werd gevonden in een put op 200 meter van zijn woning.

Op zondag 18 juni meldt Maria Geys uit Oostham aan burgemeester Cuypers dat haar man sinds de namiddag van 15 juni verdwenen is. Op maandag 19 juni komt ook Felix Ooms, de broer van Willem, naar de burgemeester. Hij zegt dat hij vernomen heeft dat zijn broer verdwenen is, en dat hij vreest dat zijn schoonzus Maria Geys, de vrouw van de verdwenen Willem, en haar zonen hun echtgenoot en vader vermoord hebben.

De burgemeester verwittigt de rijkswachtbrigade in Leopoldsburg. Die namiddag, om half 5, ondervragen twee rijkswachters Maria Geys in haar woning:

Donderdag 15 juni, rond half 5, bracht ik mijn koeien naar de weide. Mijn man was toen in huis. Rond 7 uur ben ik weer thuisgekomen met de koeien. Toen was mijn man weg. Ik heb daar niet dadelijk aandacht aan besteed, omdat het vaker gebeurt dat hij verdwijnt en dan twee dagen wegblijft. Hij blijft gewoonlijk bij zijn broer Cornelis in Langven in Oostham slapen.

Doordat hij nu zo lang wegblijft, ben ik ongerust geworden. Daarom heb ik gisteren de burgemeester verwittigd.

Ik heb al geruime tijd geen ruzie meer gehad met mijn man. Mijn kinderen ook niet. Vroeger gebeurde dat wel dikwijls.

Mijn man draagt blokken met riemen aan zijn voeten. Hij draagt een bruine veloeren broek, een zwarte jas, een gilet met vierkante ruiten en een blauw gestreept hemd. Hij draagt ook een pet. Ik weet niet of hij veel geld bij zich draagt. Ik weet ook niet waar hij nu kan zijn.”

Dan ondervragen de rijkswachters Jozef Ooms, de 23-jarige zoon van Willem. Hij verklaart:

“Vrijdag 16 juni vertrok ik rond 6 uur ’s morgens naar Alfons Schulpé, waar ik werk. Voordat ik vertrok heb ik moeder gevraagd waar vader was. Zij heeft mij geantwoord dat hij die nacht niet thuis geweest was, en dat zij hem sinds de dag daarvoor niet meer gezien had.

Deze voormiddag heb ik aan mijn tante, de vrouw van Cornelis, gevraagd of hij bij hun was. Zij heeft mij geantwoord dat hij sinds donderdagnamiddag 15 juni daar niet meer geweest is.

Ik heb geen ruzie met mijn vader. Ik was goed bevriend met hem. Ik ga dagelijks buitenshuis werken, maar iedere nacht slaap ik thuis.”

Felix Ooms is de 40-jarige broer van de verdwenen Willem. Hij vertelt de rijkswachters:

“Mijn broer Willem had de gewoonte iedere zondag bij mij wat komen babbelen, maar gisteren heb ik hem niet gezien. Ik vind dat verwonderlijk. Omdat ik gehoord had dat hij ook niet bij mijn broer Cornelis geweest was, ben ik de burgemeester gaan verwittigen. Hij was nochtans gewoon van zaterdag en zondagnacht bij mijn broer Cornelis te overnachten. Hij deed dat omdat ’s zaterdags en ’s zondags zijn zonen Ferdinand en Leopold dan thuis komen.

Meestal sloegen die jongens hun vader.

Ik denk dat mijn schoonzuster Maria Geys en hun zonen hem vermoord hebben. Mijn broer Willem heeft mij verschillende keren gezegd dat zijn zoon Ferdinand dreigde hem te vermoorden. Ferdinand zou zelfs gezegd hebben dat hij bereid om daarvoor naar de gevangenis te gaan.”

Jozef Ooms is ook een broer van de verdwenen Willem. Hij is 54 jaar en baat in Oostham een herberg uit. Hij is ook van mening dat zijn broer vermoord is door zijn vrouw en zijn zonen.

Maria Binnemans is de 38-jarige echtgenote van Cornelis Ooms. Zij baten een herberg uit in Langven in Oostham:

“Mijn schoonbroer Willem Ooms is op 15 juni in de namiddag hier geweest. Hij is tot tegen de avond hier gebleven. Dan is hij vertrokken terwijl hij zegde dat hij naar huis ging. Hij was gewoon hier zaterdag en zondagnacht te overnachten omdat zijn zonen dan thuis waren en hij slagen kreeg.

Ik weet niet waar hij is. Ik heb dikwijls gezien dat hij bont en blauw geslagen was. Hij zegde dat zijn zonen dat deden.”

Ferdinand Ooms is de 25-jarige zoon van Willem. Hij is dienstknecht bij Jozef Mariën in Geneberg in Oostham.

Hij verklaart aan de rijkswachters:

“Donderdagvoormiddag kwam ik uit de mis. Ik ben toen thuis geweest, maar ’s avonds niet. Vrijdag 16 juni is moeder bij mij geweest in het broek om mij te zeggen dat vader weg was.

Gisteren, zondag, ben ik weer thuis geweest toen ik uit de mis kwam. Moeder zegde mij dat vader nog niet thuis was. Ik heb daar geen aandacht aan besteed. Ik loochen mijn vader ooit geslagen te hebben.”

Jozef Mariën, de baas van Ferdinand, bevestigt dat zijn knecht donderdagavond 15 juni niet het huis uit geweest is. Hij denkt dat Ferdinand rond half 10 in bed lag.

Op 20 juni zetten de rijkswachters hun onderzoek voort. De eerste die zij die dag ondervragen is Anselmus Van Clemen, een boer van Langven die op 15 juni bezoek kreeg van Willem Ooms:

“Donderdag de vijftiende, tegen de avond, is Willem Ooms even in mijn woning geweest. Hij is met mij in de stal naar de kalveren gaan kijken. Dan is hij voortgegaan, zeggend dat hij naar huis ging. Hij was die avond opvallend stil.”

Dan wordt de 20-jarige Leopold Ooms ondervraagd. Leopold is een zoon van Willem en hij is dienstknecht bij Felix Vankrunkelsven in Gerhoeven in Kwaadmechelen:

“Vorige week ben ik niet thuis geweest, tot zondag 18 juni, toen ben ik om 2 uur in de namiddag thuis geweest. Moeder heeft mij toen gezegd dat vader van donderdagnamiddag weg was. Meer heeft zij mij niet gezegd.

Ik heb vader nooit iets misdaan. Ik kwam goed overeen met hem. Hij sprak altijd met mij als ik thuis kwam.”

Felix Vankrunkelsven is de baas van Leopold Ooms. Hij bevestigt dat Leopold de week daarvoor op donderdag, vrijdag en zaterdag niet van huis geweest is. Hij herinnert zich dat Leopold op zondagnamiddag wel naar huis geweest is, en dat hij bij zijn terugkeer zegde dat zijn vader weg was.

Tot slot laten zij Cornelis Ooms aan het woord. Cornelis is 43 jaar oud, hij is een broer van Willem en baat in Langven een herberg uit:

“Ik weet niets van mijn broer Willem. Ik ben heel de vorige week weggeweest. Pas vanmorgen ben ik thuisgekomen. Mijn vrouw heeft mij gezegd dat Willem sinds donderdagnamiddag weg is. Meer inlichtingen kan ik u niet geven.”

De rijkswachters maken een verslag op van de ondervragingen, en vullen dat aan met hun eigen mening over de zaak:

“Het huishouden van Willem Ooms en Maria Geys leeft sinds jaren in twist en tweedracht. De vader werd regelmatig mishandeld door zijn vrouw en zijn zonen. De moeder en de kinderen schijnen niet onder de indruk te zijn van de verdwijning van hun vader. Zij verplaatsen zich zelfs niet om hem te zoeken. Zij zijn ook niet bedroefd.

Wij hebben de toelating van de moeder het huis, de schuur en de stallen doorzocht. Wij hebben daarbij niets verdacht gevonden.”

Op 21 juni komt Jozef Ooms, de 23-jarige zoon van Willem, in de vroege ochtend bij de rijkswacht in Leopoldsburg. Hij doet aangifte van de moord op zijn vader. Hij beschuldigt er zijn broer Leopold van hun vader op donderdag 15 juni vermoord te hebben en zegt dat het lijk van zijn vader in de put bij de woning van Antje Van de Voorde geworpen werd.

Daarop gaan twee rijkswachters met enkele werkmannen van de gemeente ter plaatse en vinden het lijk van Willem Ooms op die plek die Jozef aangeduid heeft. De put was met stukken hout afgedekt en er stond geen water in. Het lijk was bedekt met stenen en stukken van dakpannen. Het huis bij de put is onbewoond.

De rijkswachters gaan dan naar het huis van de familie Ooms en ondervragen daar de weduwe en haar zonen Jozef en Ferdinand. Alle drie verklaren dat de derde broer, Leopold, de moord gepleegd heeft. De rijkswachters zijn echter niet overtuigd van de onschuld van Maria en haar twee zonen, en houden hen aan en brengen hen naar het gemeentehuis van Oostham.

Maria Geys wordt door de rijkswachters ondervraagt en zegt:

“Mijn zoon Leopold heeft vader donderdagavond, rond 9 uur of half 10, in de kamer kapotgeschoten. Mijn man was rond 9 uur gaan slapen en ik ben dadelijk daarna in dezelfde kamer, maar in een ander bed, gaan slapen. Ik had mijn zoontje van 7 jaar bij mij. Ik was pas in bed toen Leopold binnengekomen is. Hij heeft dadelijk geschoten. Ik ben dan met de kleine de kamer uitgevlucht, naar de koer. Daar ben ik een kwartier gebleven, en dan ben ik naar boven gegaan, waar ik weer 20 minuten of een half uur gebleven ben. Dan ben ik weer naar beneden gegaan, naar de slaapkamer. Leopold maakte toen de vloer schoon. Ik heb geen bloed meer gezien op de vloer of op de meubels, maar wel in de emmer.

Toen ik hem vroeg waar vader was, antwoorde hij mij dat hij hem in de put van Antje Vandevoort geworpen had. Hij zegde dat hij hem op zijn nek gedragen had.

Ik heb in de slaapkamer maar 1 keer horen schieten. Terwijl ik vluchtte heb ik nog een schot gehoord. Toen ik vluchtte was mijn man al uit zijn bed, en in de andere kamer. Leopold was daar toen ook. Ik heb mijn man nog horen schreeuwen, en dat was het. Leopold heb ik toen niets horen zeggen.

Leopold heeft toen een ander paar kousen aangetrokken, omdat zijn kousen zo beslijkt waren. Meer klederen heeft hij niet veranderd.

Voordat hij wegging heeft Leopold mij gezegd dat ik moest zwijgen, omdat hij anders zijn leven lang naar de gevangenis moest. Ik heb aan de moord niet geholpen. Gisterenavond heb ik het toch aan Jozef verteld toen die mij vroeg of vader nog niet thuis was.”

Dan ondervragen zij Jozef:

“Ik weet niets van de moord. Ik ben donderdagavond tot rond 11 uur ’s avonds weggebleven. Ik was heel de dag bij Alfons Schulpé geweest, en ’s avonds ben ik nog in verschillende herbergen in Oostham en Kwaadmechelen geweest. Charles Van Loock was bij  mij.

Ik heb mijn broer Leopold die dag niet gezien. Gisterenavond vroeg ik aan moeder of vader nog niet thuis was. Toen heeft zij mij gezegd “Hij zal niet meer thuiskomen. Leopold heeft hem doodgeschoten en hem in de put van Antjè Vandevoorde geworpen.” Ik wilde dat onmiddellijk gaan aangeven, maar om vraag van moeder heb ik tot deze morgen gewacht om het u te komen vertellen.”

Dan gaan de rijkswachters naar Kwaadmechelen om daar Leopold aan te houden. Leopold is daar in dienst bij Felix Vankrunkelsven. Die vertelt de rijkswachters dat zijn knecht al sinds 6 uur die morgen naar het veld is, om er in de aardappelen te werken. Vankrunkelsven vergezelt de rijkswachters naar zijn aardappelveld, maar moet daar vaststellen dat Leopold daar niet is. Terug in de boerderij stellen zij vast dat de beste klederen en de schoenen van Leopold weg zijn, en dat het materiaal om in de aardappelen te werken er nog staat. De vrouw Van Vankrunkelsven stelt vast dat haar kist , waarin ook de geldbeurs van Leopold bewaard wordt, opengebroken is. De rijkswachters stellen vast dat het aardappelloof onder de venster van de slaapkamer van Leopold platgetrapt is. De kist van vrouw Vankrunkelsven staat op de kamer van Leopold. Zij is met geweld open gebroken en het slot is verwrongen. Alleen de geldbeugel van Leopold is uit de kist genomen.

Ondervraagt over het gedrag van Leopold gedurende de voorbije dagen zegt Vankrunkelsven:

“Gisteren 20 juni was ik met Leopold Ooms aan het werk, toen wij hoorden zeggen dat er in Kwaadmechelen een man gestorven was. Ooms zegde mij “Ik zou in zijn plaats willen zijn, want ik ben mijn leven moe.”

Mijn vrouw en ik hebben niet gemerkt dat hij in de nacht van 15 op 16 juni weg geweest is. Wij kunnen niet begrijpen dat wij dat niet gehoord hebben. Hij kan immers niet door het venster de kamer uit, er staan staven voor dat venster. De zestiende lag hij ’s morgens in zijn bed, en de deur was gesloten.

De kleren waarmee hij weg is zijn hem de vijftiende in de voormiddag door zijn moeder gebracht. Toen zij hier vertrok heeft hij haar uitgeleide gedaan. Ik heb gezien dat hij weende toen hij terugkwam, maar ik heb hem niet gevraagd waarom.”

Diezelfde dag is onderzoeksrechter Nossent uit Hasselt op de plaats van het misdrijf. Hij laat het lijk onderzoeken door twee dokters: Hubert Jadoul van Hasselt en Emile Cuypers van Oostham. Zij stellen vast dat Willem Ooms in de borst getroffen is door 2 kogels, kaliber 9 mm. De kogels hebben het slachtoffer gewond, maar niet gedood. De doodsoorzaak is een schedelfractuur, die hij opgelopen heeft toen hij hard op zijn hoofd geslagen werd of, waarschijnlijker nog, toen hij op zijn hoofd op de bodem van de put terechtkwam.

In de woning van de familie Ooms vinden de rijkswachters achter een bed op de zolder een revolver dat nog met 1 patroon geladen is. Het revolver is in een wit en blauw gekleurde zakdoek gewikkeld. De zakdoek is besmeurd met roodgele vlekken die afkomstig lijken te zijn van bloed of een roest.

De onderzoeksrechter laat zich door de 6-jarige Jules Ooms uitleggen waar zijn vader en zijn broer stonden tijdens hun gevecht, en langs waar hij met zijn moeder gevlucht is.

Dan gaat het gezelschap naar de waterput waarin Willem Ooms gevonden werd. De put staat droog en zij is ongeveer 10 meter diep. Zij ligt achter een onbewoond huis, op circa 300 meter van de woning van het slachtoffer. De put is afgedekt met een houten deur, planken en deurstijlen. Langs de put liggen stenen, waaronder een zware ijzersteen van wel 25 kilo, en gebroken dakpannen. De werklieden verklaren dat zij die met het lijk uit de put gehaald hebben.

Onderzoek in de omgeving wijst uit dat de zware ijzersteen opgenomen werd op een plek die circa 70 meter van de put verwijderd ligt.

In het gemeentehuis ondervraagt de onderzoeksrechters de gezinsleden van de dode. Als eerste laat hij de weduwe, Maria Geys, aan het woord:

“Op donderdag 15 juni is mijn man kort na 9 uur gaan slapen. Korte tijd later ben ik ook gaan slapen, met mijn zoontje Jules. Mijn andere zonen waren toen niet thuis.

Mijn man slaapt alleen. Ik slaap in een ander bed. Ik heb gezien dat hij zich ontkleed heeft, zoals hij dat gewoon is voordat hij in bed gaat. Zijn klederen legde hij op de kist langs zijn bed. Ik lag ongeveer 10 minuten in bed toen mijn zoon Leopold de kamer in gekomen is. Hij ging naar het bed van mijn man en schoot 1 keer met een revolver. Mijn man is dan uit bed gesprongen en naar de andere kamer gegaan. Ik ben ook opgestaan en ik ben met Jules naar buiten gegaan, de hof in. Toen ik door de keuken liep heb ik een tweede schot gehoord. Ik ben ongeveer een half uur in de hof gebleven en dan ben ik weer naar binnen gegaan. Ik ben met Jules de zolder op gegaan, zonder nog in de slaapkamer te komen. Na een kwartier ben ik naar beneden gegaan. In de kamer langs de slaapkamer was Pol aan het schoonmaken. Jules had ik ondertussen weer in bed gelegd.

Ik heb aan Pol gezegd dat hij niet schoon gedaan had, en ik heb hem gevraagd wat hij met vader gedaan had. Hij heeft mij geantwoord dat hij hem in de put van Antje Vandevoorde gesmeten had. Hij heeft mij nog gezegd er niets van te zeggen.

Dan is hij weggegaan, naar Kwaadmechelen, waar hij bij Felix Vankrunkelsven woont.

Ik ben dan op mijn bed gaan zitten. Rond 11 uur is mijn zoon Jozef thuisgekomen. Hij is naar boven gegaan, naar zijn bed. Hij is toen niet bij mij geweest en ik heb hem niets gezegd over wat er gebeurd was.

Ik heb de zaak verzwegen tot gisterenavond. Rond 10 uur vroeg Jozef mij weer naar zijn vader, en toen heb ik hem verteld wat er gebeurd was.”

Dan mag Ferdinand vertellen wat er gebeurd is:

“Donderdag 15 juni was ik heel de dag bij Josef Mariën in Geenebeng in Oostham, om te helpen bij het hooien. Rond 7 uur ’s avonds ben ik gaan eten, en dan ben ik met de andere knecht, Vertessen, naar de herberg Dewaver gegaan. Wij zijn daar tot rond 9 uur gebleven, en dan zijn wij in de boerderij van Mariën gaan slapen. Louis Vanhoudt en Frans Vandezande zaten daar toen nog. Vertessen en ik slapen in hetzelfde bed. Ik ben die avond niet bij het huis van mijn ouders geweest.

De volgende dag, vrijdag, ben ik in de namiddag wel thuis geweest. Omdat moeder zelf aan het hooien was, heb ik gevraagd waar vader was. Zij antwoordde dat hij misschien bij zijn broer Cornelis was.

Zaterdag ben ik niet thuis geweest. Zondag wel, om van hemd te veranderen, Er was toen niemand anders thuis.

Maandagavond zijn de gendarmen mij komen vragen of ik niet wist waar vader was. Ik ben thuis aan moeder gaan vragen of zij het wist, en toen is zij gaan wenen. Zij heeft niets  gezegd en ik heb het daar bij gelaten.

Dinsdag ben ik niet meer thuis geweest en vanmorgen zijn de gendarmen mij komen aanhouden.”

Jozef Ooms beweert ook niets te maken te hebben met de moord op zijn vader:

“Ik ben daar onplichtig aan. Donderdag 15 juni heb ik bij Alfons Schulpé gewerkt. Rond 7 uur ’s avonds ben ik daar vertrokken, samen met Karel Vanlook. Wij hebben verschillende herbergen bezocht. Wij zijn samen naar Kwaadmechelen gegaan, en de laatste herberg die wij bezocht hebben is die van de schatter, bij Roels. De bazin en de dochter hebben mij daar gezien.

Wij meenden de trein van kwart voor 10 te nemen, maar die was juist vertrokken, en dan zijn wij te voet terug naar Oostham gekomen. Daar hebben wij nog wat met Henri Verbeek gepraat, op de bomen die aan zijn huis liggen. Het kan toen rond 11 uur geweest zijn.

Ik ben dan recht naar huis gegaan en naar gewoonte ben ik langs achter binnengegaan. Die deur blijft altijd ongesloten. Ik ben recht naar mijn kamer op de zolder gegaan.

De volgende dag heb ik aan moeder gevraagd waar vader was. Zij heeft mij geantwoord dat hij die nacht niet thuis geweest was. Ik heb toen niets buitengewoons aan mijn moeder bemerkt.

Sinds die dag heb ik haar iedere morgen gevraagd of vader thuis was, en zij antwoordde van niet.

Gisterenavond heb ik haar dat weer gevraagd, en toen heeft zij schreeuwend geantwoord dat Pol hem doodgeschoten heeft en hem in de put van Vanvoorde gedragen heeft. Ik heb haar toen gezegd dat ik de gendarmen ging verwittigen, waarop zij mij heeft gevraagd van te wachten tot vanmorgen. Vanmorgen ben ik naar Alfons Schulpé gegaan en met zijn velo ben ik naar Leopoldsburg gereden om de zaak aan te geven.”

De onderzoeksrechter is niet overtuigd dat de drie arrestanten de waarheid zeggen. Hij laat hen aanhouden op verdenking van doodslag op hun man of vader.

Tot slot praat de onderzoeksrechter met de kleine Jules. De jongen zegt weinig, maar wat hij zegt strookt niet met wat de anderen verteld hebben:

“Het is Pol die geschoten heeft. Daarna is Zep (Jozef) en Nant (Ferdinand) uitgegaan. Pol heeft geschoten met iets zo lang als dat (het kind wijst 20-25 centimeters lengte aan).”

Op andere vragen antwoordt de jongen dat hij het niet weet. De volgende dag, 22 juni, herinnert hij zich meer:

“Ik ben die dag met moeder naar de mis geweest. ’s Avonds, toen het al donker was, stond pa recht in de kamer, met zijn klederen aan.

Pol heeft op hem geschoten, maar ik was toen al weg. Ik heb een slag gehoord. Nant en Zep waren daar toen Pol ingekomen is. Zep heeft niets gedaan. Nant heeft met zijn handen geslagen. Zij waren al weg toen Pol geschoten heeft. Ik was toen nog niet in bed geweest, en moeder ook niet.”

De onderzoeksrechter laat ook schoolmeester Vervoort met Jules praten. Dan geeft het jongetje weer een andere versie van de feiten. Nu zegt hij dat Pol die avond eerst binnengekomen is, dan Jef en dan Nant.

De volgende dag, de 22ste, is de onderzoeksrechter om half 8 ’s morgens weer in het gemeentehuis van Oostham. Hij verneemt er dat Leopold Ooms onlangs in Olmen gezien zou zijn. Daarop stuurt hij wachtmeester Sengers van de rijkswachtbrigade in Leopoldsburg met de fiets naar Olmen en Balen om daar uit te zoeken of Leopold daar werkelijk is. Men toont er de onderzoeksrechter ook een slijpsteen die uit de put gehaald werd, en die afkomstig is van een plek achter de vuurmolen, op ongeveer 50 meter van de woning van het gezin Ooms, op een plek waar Leopold voorbij gekomen is toen hij zijn vader naar de put droeg.

Marie Geys, die die nacht vastgehouden werd in Leopoldsburg, is de eerste die de onderzoeksrechter die dag ondervraagt. Zij herhaalt dat het Leopold was die de moord gepleegd heeft en dat hij alleen handelde. Zij houdt ook vol dat haar man zich uitgekleed had toen hij ging slapen. Als de onderzoeksrechter haar confronteert met het feit dat de vest van haar man ook doorschoten is ter hoogte van zijn borst, en dat Jules zegt dat zijn vader rechtstond toen Leopold op hem schoot, blijft zij bij haar versie van de feiten.

Zij zegt dat zij Leopold de dag daarvoor, in alle vroegte nog gezien heeft:

“Ik weet niet juist om wat uur. Dat kan rond 7 uur geweest zijn. Ik heb hem 20 frank meegegeven.

Toen hij vertrok had hij zijn beste klederen aan: een donkerbruin kostuum met strepen en een groenachtige geruite klak. Hij heeft gezegd dat hij op Hechtel aan ging en dat ik niet mocht zeggen waar hij naartoe ging. Ik weet ook niet waar hij naartoe is. Ik weet ook niet waarom hij gisteren thuis geweest is. Ik heb hem gezegd dat zijn broer naar de gendarmen was om alles aan te geven. Daarop is hij vertrokken.”

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter de getuigen die tijdens de verhoren van de vorige dag ter sprake gekomen zijn. Maar eerst laat hij Hendrik Vervoort, de hoofdonderwijzer van Oostham, aan het woord over Jules Ooms:

“De kleine Jules Ooms is in mijn school. Hij is nog geen 7 jaar. Gisterenmorgen heb ik hem voor het eerst gesproken over de zaak van zijn vader. Er zijn twee punten waarop het kind niet van mening verandert: ten eerste dat het met zijn moeder buitengegaan is toen de feiten gebeurden, en ten tweede dat het Leopold is die het gedaan heeft. Hij heeft ook gezegd dat Jozef en Ferdinand ook aanwezig waren, dat Jozef niets gedaan heeft en dat Ferdinand met de hand geslagen heeft. Maar soms ontkent hij dat laatste. Het is mogelijk dat hij verschillende gebeurtenissen verwart. Waarschijnlijk heeft hij verschillende keren ruzies en woordwisselingen meegemaakt.”

Willem Sengers van de rijkswacht van Leopoldsburg bevestigt de verklaring van de onderwijzer.

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter Felix Vankrunkelsven, de baas van Leopold:

“Leopold Ooms woonde sinds 23 mei 1911 bij mij als knecht.  Donderdag 15 juni is hij als naar gewoonte rond 8 uur, half 9, binnengekomen en hij is vóór ons slapen gegaan.

Vrijdagmorgen is hij naar gewoonte opgestaan en ik heb niets bijzonders aan hem gemerkt.

Er staan ijzeren staven voor de venster van zijn slaapkamer, maar men kan gemakkelijk tussen die staven door kruipen. Het venster staat omtrent 3 meter boven de grond. Als Ooms ’s nachts het huis verlaten heeft, moet hij een koord aan die tralies vastgemaakt hebben. Dat is mogelijk, want er hing een ploegkoord op zijn slaapkamer.

Drie of vier dagen geleden heeft hij mij gezegd dat zijn vader verdwenen was. Dinsdag de 20ste is er in de gemeente iemand gestorven. Mijn vrouw kwam mij dat zeggen terwijl ik met Ooms aan het werk was. Toen heeft hij mij gezegd “Ik wilde dat ik in zijn plaats was. Ik ben het leven moe.”

Gisteren is Ooms bij ons vertrokken zonder iets te zeggen. Ik meende zelfs dat hij op het veld aan het werk was.”

Jozef Vertessen werkt met Ferdinand Ooms als knecht op de boerderij van Mariën in Oostham:

“Op 15 juni zijn Ferdinand Ooms en ik rond 9 uur gaan slapen. Wij slapen in hetzelfde bed. Op die kamer slapen ook twee kinderen van Mariën. Die zijn 12 en 7 jaar oud. Men kan van onze kamer niet buiten het huis komen zonder langs de trap te gaan. Er is een venster in het dak van onze kamer, maar ik geloof niet dat iemand daarlangs naar buiten kan. Dat venster staat omtrent 2 meter boven de vloer. Ik heb niet gemerkt dat Ferdinand die nacht uit bed geweest is. In ieder geval lag hij ’s morgens toen ik wakker werd, langs mij.

De volgende dag is zijn moeder bij ons op het hooiland gekomen. Zij heeft tegen Ferdinand gezegd dat zijn vader weg was. Meer is daarover niet gezegd.”

Frans Vandezande was op de avond van 15 juni bij Mariën:

“Donderdag 15 juni heb ik Ferdinand Ooms rond 9 uur ’s avonds bij zijn baas Mariën gezien. Hij is toen met de andere knecht de slaapkamer opgegaan. Ik weet niet of hij later nog naar buiten gegaan is. Loius Vanhout was daar toen ook.”

Louis Vanhout bevestigt de verklaring van Vandezande.

Hendrik Verbeek is schrijnwerker in Oostham. Hij herinnert zich dat Jozef Ooms donderdag de 15de aan zijn huis geweest is:

“Verleden donderdag rond 11 uur ’s avonds heb ik met Jozef Ooms gesproken terwijl hij met Karel Vanlook op de bomen zat die bij mijn huis liggen. Ik ben gaan slapen en zij bleven zitten. Ik weet niet waar zij nog naartoe gegaan zijn.”

De onderzoeksrechter sluit de dag in Oostham af met een tweede ondervraging van Maria Geys. Hij wijst er haar op dat de gilet van haar man door twee kogels doorboord is, en dat dus-in tegenstelling met haar verklaring-gekleed was toen hij beschoten werd. Hoewel zij dit niet kan verklaren, blijft zij bij haar eerdere verklaring. Zij houdt vol dat haar man zich uitgekleed had om te gaan slapen, voordat er geschoten werd.

Zij kan ook niet verklaren hoe het mogelijk is dat haar man zijn pet en klompen nog bij had nadat Leopold hem alleen naar de put gedragen zou hebben. Zij gaat niet in op de suggesties van haar ondervrager als zou haar zoon Leopold niet alleen gehandeld hebben.

Nog op 22 juni ontvangt het parket te Hasselt een telegram van de politiecommissaris van Sint-Nicolas bij Luik, met de mededeling dat Leopold Ooms daar aangehouden is. De volgende dag, vrijdag 23 juni, word Leopold in Hasselt bij de onderzoeksrechter afgeleverd. Die laat hem weten dat hij verdacht wordt van de moord op zijn vader op 15 juni. Leopold geeft daarop zijn versie van de feiten:

“Ik zal u rechtuit de waarheid zeggen. Ik lieg niet. Ik was rond half 8 te bed gegaan bij mijn meester Vankrunkelsven te Kwaadmechelen. Ik had een weinig gegeten alvorens naar mijn kamer te gaan. Ik ben toen niet in bed geweest. Door het venster van mijn slaapkamer ben ik naar buiten gesprongen en ik heb wat rondgewandeld in het veld. Zo kwam ik dicht bij mijn oudershuis in Oostham. Ik ben daar binnen gegaan omdat ik honger en dorst kreeg. Ik heb mij dan een boterham afgesneden. Het brood heb ik in de huiskamer uit het schap gehaald en ik heb daar drie tassen koffie gedronken. Hen kan omtrent half 10, 10 uur geweest zijn toen ik bij mijn ouders aankwam. Ik ben langs de achterdeur binnengegaan. Moeder en de kleine Jules waren naar bed. Ik heb ze toen niet gezien en ik ben niet in de slaapkamer geweest. Ik weet niet of vader ook slapen was. De deur tussen de huiskamer en de slaapkamer was toe. Na 6 of 7 minuten heeft vader die deur opengedaan. Vader was aangekleed, hij had zijn pet op het hoofd en klompen aan zijn voeten. Hij heeft mij dan aangepakt en begon ruzie te maken. Hij heeft de voordeur opengedaan en wilde mij buitensmijten. Ik heb mij verzet en hij is er niet in gelukt. Toen ik in de hoek langs de haard stond, aan de kant van het schap, heeft vader twee keer op mij geschoten. Ik heb mij gebukt en hij heeft mij niet geraakt. Dan heb ik een stokje genomen dat dient om het lijnwaard in de wasketel te stampen, en daarmee heb ik vader twee keer op de hop geslagen, nadat ik hem eerst de revolver afgenomen had. Het revolver heb ik in de zak van mijn broek gestoken. Vader heeft mij dan op de grond geworpen en probeerde mij het revolver af te nemen. Ik ben kunnen rechtstaan, hen het revolver genomen en toen heb ik drie keer op vader geschoten. Al die tijd was er geen licht in huis.

Nadat ik geschoten heb is vader gevallen en niet meer opgestaan. Ik heb het revolver op de tafel in de kamer naast de slaapkamer geworpen.

Daarna heb ik vader opgenomen. Ik weet niet of hij toen al dood was. Hij snurkte nog. Ik hield hem met het lijf voor tegen mij en met zijn hoofd op mijn schouder. Zo heb ik hem langs het voetpad naar de put van het huis Vervoort gedragen. Onderweg snurkte hij, en toen ik hem in de put wierp, snurkte hij nog. Onderweg heb ik niet gerust, en de klompen van vader zijn niet van zijn voeten gevallen. Hij had zijn klompen nog aan en zijn pet nog op toen ik hem in de put geworpen heb.

Ik heb vader eerst neergelegd langs de put. Dan heb ik de stukken hout die op de putopening lagen weggenomen. Ik heb hem langs de boord van de put gelegd en hem dan met het hoofd vooruit in de put geworpen. Ik heb niet gehoord of hij in de put nog snurkte. Ik heb dan stukken van planken en pannen die daar lagen in de put geworpen. Dan ben ik teruggegaan tot aan de vuurmolen tegenover ons huis. Daar heb ik een slijpsteen opgenomen, dan ben ik weer naar de pub gegaan en ik heb de slijpsteen in de put geworpen. Dan ben ik naar het huis van Virginie Scheurs gegaan, waar ik een zware steen heb opgenomen en die steen heb ik ook in de put geworpen. Dan heb ik de kepers en het hout weer op de putopening gelegd.

Daarna ben ik recht naar mijn baas in Kwaadmechelen gegaan. Daar ben ik door het venster mijn kamer weer in gekropen, ik ben in bed gaan liggen en heb geslapen.

Moeder is in het begin lopen gegaan, seffens nadat vader uit de kamer gekomen was, voordat hij op mij geschoten had. Moeder hield de kleine Jules vast. Ik weet niet of zij aangekleed was. Zij heeft geen woord gezegd. Zij heeft niet gezegd van op te houden en zij is niet tussengekomen.

Mijn broers Jozef en Ferdinand waren niet thuis. Zij hebben mij niet geholpen. Pas de volgende zondag heb ik moeder in mijn oudershuis teruggezien. Ik heb maar 10 minuten met haar gesproken. Zij heeft mij gevraagd waar ik vader gelaten had en ik heb geantwoord dat ik hem in de put van Vervoort had geworpen.

Op dinsdag 20 juni heb ik moeder teruggezien. Ik ben toen toen rond 6 uur ’s morgens in mijn oudershuis geweest. Ik was voornemens in Luik in een put te gaan werken. Ik heb moeder gezegd dat ik naar het Kamp ging, en dan verder naar de koolput. Zij heeft mij toen gezegd dat zij zaterdag tevoren met het kuisen van de huiskamer 2 revolverkogels gevonden had.

Ik heb vader vroeger nooit geslagen, en ben nooit handgemeen geweest met hem. Hij was nogal opvliegend van karakter en gauw kwaad. Wij hebben dikwijls woordenwisselingen gehad.”

De volgende dag, op 24 juni, laat de onderzoeksrechter Leopold, Ferdinand en Jozef Ooms en hun moeder naar Oostham brengen. Nadat Leopold hem in het huis van het misdrijf heeft getoond hoe de moord gebeurd is, ondervraagt hij hem in het gemeentehuis opnieuw:

“Donderdag 15 juni ben ik in Kwaadmechelen rond half 8 ’s avonds naar mijn kamer gegaan. Een kwartier later ben ik langs het venster van mijn slaapkamer naar buiten gekropen omdat ik het nog te vroeg vond om te slapen. Ik heb dan enige tijd in de velden rondgedwaald en zo ben ik in Oostham aangekomen. Dan kreeg ik dorst en ik kreeg het gedacht om naar huis te gaan, bij mijn ouders. Ik ben binnengegaan langs de deur van de hof, die nooit gesloten is.

In de huiskamer achter de gang ben ik naar het broodschap langs de schouw gegaan. Ik heb een boterham afgesneden en een tas koffie ingeschonken uit de koffiepot. Die staat altijd tussen de muur en het schap.

Op dat ogenblik werd de deur van de kamer geopend. Mijn vader kwam binnen. Hij was helemaal aangekleed en snauwde mij toe “Wat komt gij hier doen? Gaat bij uwen boer eten!” Ik antwoordde “Wacht dan toch tot ik mijn koffie uitgedronken heb.” Mijn vader riep dan in gramschop “Nee, nee, ga maar rap terug naar de boer, anders smijt ij u aan de deur!” Dan sloeg hij de voordeur open, hij pakte mij bij de borst en trachtte mij met geweld buiten te werpen. Ik bood hevig weerstand en geraakte weer in het midden van de huiskamer. Dan zag ik dat hij in zijn zak tastte en een revolver uithaalde. Ik deinsde terug tot tegen het broodschap en toen hij het revolver op mij richtte vluchtte ik tot tegen de schouw. Dan heeft hij twee keer op mij geschoten zonder mij te raken, omdat ik mij bukte. Dan sprong ik recht, ik duwde vader met de rug tegen de grond en nam hem het revolver af. Ik stak het revolver in mijn broekzak. Toen hij mij aftastte om mij het revolver af te nemen, heb ik het zelf genomen en op hem geschoten. Omdat hij weer op mij toesprong heb ik nog twee keer geschoten. Toen is vader gevallen.

Ik vergat te zeggen dat, nadat mijn vader gezegd had dat hij mij zou buitensmijten als ik niet gauw vertrok, ik langs de schouw de stok genomen heb die ik u aangeduid en overhandigd heb, en er vader twee keer mee op het hoofd geslagen heb. Hij is toen niet gevallen maar hij heeft mij onmiddellijk vastgepakt om mij buiten te werpen.

Toen mijn vader na de revolverschoten gevallen was, heb ik het gedacht gekregen hem ergens heen te dragen.

Ik heb eerst het revolver op de tafel in de kamer geworpen. Dan heb ik vader opgenomen, zijn hoofd op mijn rug en zijn buik ter hoogte van mijn schouder. Hij had zijn pet nog op en zijn klompen nog aan. Hij was niet dood, want hij bewoog en snurkte nog.

Toen ik buiten was en enige tijd met hem voortgelopen had, kreeg ik het gedacht hem in de put van het verlaten huis Vervoort te werpen. Ik heb hem daarheen gedragen langs de weg die ik u deze morgen getoond heb. Terwijl ik hem droeg heeft hij nog bewogen en gesnurkt.

Aan de put heb ik hem neergelegd op de plaats waar ik vanmorgen Louis Ceyssens neergelegd heb, met het hoofd tegen de putopening. Hij bewoog en snurkte toen nog.

Er was een kleine opening aan de put en ik heb maar een stok die er op lag moeten wegnemen. Ik nam vader bij het midden van zijn lijf, en met het hoofd vooruit wierp ik hem in de put. Hij had toen zijn pet nog op en zijn klompen aan. Dan heb ik 5 of 6 pannen die daar lagen in de put gesmeten. Dan ben ik aan de vuurmolen de slijpsteen gaan halen en daarop de andere steen, zoals ik u gisteren verteld heb. Dan heb ik de opening van de put weer toegelegd. Door het dorp ben ik teruggekeerd naar Kwaadmechelen, zonder nog naar het huis van mijn ouders te gaan.

Voor het overige bevestig ik de verklaring welke ik u gisteren gedaan heb.

Ik herhaal stellig dat zondag 18 juni, toen ik voor de eerste keer na de misdaad bij mijn moeder gekomen ben, zij mij gezegd heeft dat zij zaterdag bij het kuisen van het huis twee kogels gevonden heeft.

Zaterdag 21 juni, nadat de gendarmen dinsdag bij mij geweest waren om te vragen of ik wist waar vader gebleven was, kreeg ik schrik en trok naar huis. Ik ben daar rond 6 uur ’s morgens aangekomen. Onder mijn werkklederen had ik mijn goede broek en vest aangetrokken. De frak had ik eerst in de aardappelen onder het venster van mijn slaapkamer geworpen. Ik heb die daar opgehaald. Toen ik thuis aankwam zegde moeder mij dat zij de zaak aan mijn broer Jozef verteld had, en dat hij naar de gendarmerie gegaan was om het aan te geven.

Moeder heeft niet gezegd dat het een lelijke zaak was of dat zij er spijt van had. Zij heeft mij integendeel 20 frank gegeven om te vluchten, zeggende “Trekt er maar vandoor!” Zij voegde er bij dat zij nog maar 1 frank in huis had. Ik heb haar 5 frank willen teruggeven, maar dat heeft zij niet aangenomen.

Ik ben dan naar Leopoldsburg gegaan, en van daar naar Olmen en Tessenderlo. Daar heb ik de nacht doorgebracht in een beemd, in een hoop hooi.

Donderdagmorgen heb ik in velden en bossen gezworven. Rond 9 uur ben ik in Diest aangekomen. Ik heb er op de wal rondgelopen. Rond 12 uur kwam ik Frans Janssen van Oostham tegen, die aan de spoorweg werkt. Hij was in het gezelschap van drie collega’s, waarvan ik de namen niet ken. Wij zijn samen in een herberg tegenover de statie gegaan, en daar heb ik die mannen ieder vier pinten bier betaald. Ik deed dat om mij zat te drinken en ik heb hen ook gezegd dat ik van plan was mij in Kwaadmechelen te gaan verdrinken. Dat verwonderde hen niet, want zij wisten wat ik gedaan had.

Ik heb dan in Diest een reiscoupon genomen heen en weer Luik Paleis. Maar in Liers ben ik van de trein gestapt en daar heb ik de tram genomen. Het waren enkele koolputters aan wie ik in de trein de zaak van mijn vader uitgelegd had, die mij dat aanraadden. Ik was van plan te gaan werken in de koolput in Tilleur, waar ik vroeger ook gewerkt heb. Ik ben van de tram gestapt en heb 3 kwartier te voet gegaan naar Saint-Nicolas. Daar heb ik een logement gezocht, maar ik werd er bijna onmiddellijk aangehouden.

Het revolver is van vader. Ik weet niet waar hij het gehaald heeft of sinds wanneer hij het bezit. Het hing achter het bed op zolder.”

De onderzoeksrechter wijst Leopold op het feit dat het revolver een trommel heeft voor vijf kogels en dat er nog één in het wapen zit. Leopold kon dat niet verklaren en houdt vol dat er vijf schoten afgevuurd werden.

Hij ontkent ook dat zijn moeder niet bij de moord betrokken was. Zodra zij merkte dat Leopold en zijn vader ruzie maakten, is zij met Jules naar buiten gevlucht. Zijn broers Jozef en Ferdinand waren er ook niet bij betrokken. Zij waren die avond niet in huis.

De onderzoeksrechter ondervraagt die 24ste juni in het gemeentehuis ook de moeder van Leopold:

“Ik zal u nu de echte waarheid zeggen. Mijn man was nog niet in zijn bed geweest toen de zaak gebeurd is. Zelf lag ik wel in bed met Jules. Mijn man was nog aangekleed en bevond zich in de kamer naast de slaapkamer. Ik weet niet wat hij daar deed. Ik was rond half 10 naar bed gegaan. Leopold moet rond kwart voor tien binnengekomen zijn. Ik heb hem niet zien of horen binnenkomen.

Hoewel de deur van de slaapkamer half open stond, heb ik niet gehoord wat Leopold en zijn vader zegden. Ik ben opgesprongen, heb Jules opgenomen, en ben de kamer in gelopen. Daar zag ik mijn man staan. Leopold stond dicht bij hem, en in zijn hand hield hij de revolver waarmee hij op zijn vader geschoten had.

Langs de huiskamer en de gang ben ik met Jules naar de achterdeur en naar buiten gelopen. Ik was nog in de huiskamer toen ik een tweede schot hoorde. Ik ben een kwartier in de hof gebleven en dan ben ik het huis weer ingegaan. Terwijl ik buiten was heb ik geen schot meer gehoord. Ik heb in totaal niet meer dan twee schoten gehoord.

Weer in huis ben ik dadelijk naar de zolder gegaan. Daar heb ik Jules in bed gelegd. Ik ben ongeveer een half uur boven gebleven en hoorde hoe Leopold zijn vader opnam. Toen ik uiteindelijk naar beneden ging heb ik mijn man niet meer gezien. Pol was in de kamer bezig met bloed opkuisen. Ik heb hem gevraagd wat hij met mijn man gedaan heeft, en heeft mij geantwoord dat hij hem in de put van Vervoort geworpen had.

Toen hij de kamer gekuisd had is Pol naar Kwaadmechelen gegaan. Hij zegde mij dat hij het revolver meenam. Het was toen 11 uur of iets na 11.

Woensdagmorgen heeft hij thuis het revolver op tafel geworpen, zeggend dat ik het op zijn plaats moest doen. Ferdinand heeft dat revolver ooit meegebracht toen hij in het leger was. Het revolver was gewoonlijk in de blauwe zakdoek gebonden waarin het nu nog zit. Het hing op zolder, achter het bed, aan een nagel, op de plek waar u het woensdag gevonden hebt.

Ik heb niet naar kogels gezocht en er in huis ook geen gevonden. Toen Pol mij de avond van de moord over het gebeurde sprak, zegde hij nog dat hij zijn vader met het keuterijzer geslagen had.”

Dan ondervraagt de onderzoeksrechter in het gemeentehuis van Oostham nog 7 getuigen. De eerste is Maria Roels, die in Kwaadmechelen een herberg uitbaat. Zij bevestigt dat Jozef Ooms en Karel Van look op de avond van de moord rond half 10 in haar café waren.

Jozef Mariën is landbouwer in Oostham. Hij is de baas van Ferdinand. Hij bevestigt dat Ferdinand en de andere knecht, Vertessen, die avond rond 9 uur thuisgekomen zijn en dat zij samen naar bed gegaan zijn. Hij heeft niet gemerkt dat Ferdinand die avond nog buiten geweest zou zijn.

Frans Vandewauer is een 55-jarige landbouwer uit Oostham. Hij bevestigt dat hij op 15 juli tot 9 uur ’s avonds met Ferdinand Ooms en Vertessen met de kegels gespeeld heeft.

Karel Vanlook schetst hoe hij en Jozef Ooms de avond van  15 juni doorgebracht hebben:

“Ik ben donderdag 15 juli rond half 8 ’s avonds in gezelschap van Jozef Ooms naar Kwaadmechelen geweest. Wij zijn daar in verscheidene herbergen geweest, onder andere bij Roels, bij Wijckmans en bij Hancquier. Wij meenden de laatste trein te nemen, maar die hebben wij gemist en wij zijn te voet teruggekomen.

Toen wij in Oostham waren hebben wij nog wat neergezeten op de bomen aan het huis Verbeek. Toen wij opstonden ben ik naar huis gegaan en Jozef Ooms is naar zijn huis gegaan.”

Anna Claessen is de 25-jarige echtgenote van Schulpé, de baas van Jozef Ooms:

“De dag van de feiten is onze knecht Jozef Ooms rond half 8 vertrokken in het gezelschap van Karel Vanlook. Aangezien hij niet bij ons op de boerderij slaapt, weet ik niet waar hij toen naartoe gegaan is. ‘s Anderendaags heeft hij mij verteld dat hij met Vanlook naar Kwaadmechelen geweest was en dat zij de laatste trein gemist hebben.

Vrijdag of zaterdag heeft hij mij gezegd dat zijn vader verdwenen was, maar dat hij waarschijnelijk naar zijn broer Cornelis was.”

Eugeen Voordeckers is 32 jaar oud. Hij baat in Oostham de molen uit in de buurt van het huis van de familie Ooms. Zijn molen draait niet op wind of op waterkracht, maar hij wordt aangedreven door een stoommachine. Daarom wordt hij een vuurmolen genoemd. Hij herkent de slijpsteen die in de put bij het lijk van Ooms gevonden werd:

“Woensdag 14 juni heb ik de slijpsteen nog gebruikt. Donderdag was het Ons-Heer-Hemelvaart, en heb ik hem niet gebruikt. Vrijdag heb ik vastgesteld dat hij weg was. Ik dacht dat iemand hem binnen gezet had.”

De laatste getuige die de onderzoeksrechter op 24 juni ondervraagt, is Alfons Damevage. Hij is een 58-jarige boer van Oostham, en heeft geholpen om het lijk van Willem Ooms uit de put te halen. De onderzoeksrechter wil weten of de pet en de klompen nog op het hoofd en aan de voeten van de dode zaten:

“Het lijk van Willem Ooms had geen klompen aan de voeten toen ik hem in de put gevonden heb. Hij had zijn pet niet op het hoofd. De klompen en de pet lagen langs het lijk.”

Alvorens terug te keren naar Hasselt, stelt de onderzoeksrechter Jozef en Ferdinand Ooms weer in vrijheid.

Op 26 juni is de onderzoeksrechter weer in de woning van de familie Ooms. Hij confronteert er Leopold en zijn moeder en wijst er hen op dat hun verklaringen tegenstrijdig zijn. Ten einde raad vraagt hij de zesjarige Jules hem te vertellen wat hij op de bewuste avond gezien heeft. Het jongetje begint te wenen en zegt alleen dat hij het niet weet.

Dan besluit Leopold zijn versie van de feiten te veranderen:

“Ik zal u de juiste waarheid rechtzinnig bekennen. Gelijk ik de zaken eerst uitgelegd heb, dacht ik dat indien mijn moeder ook zo verklaard had, men mij niet had kunnen straffen. Nu zie ik dat ik er niet meer uit kom. Ik ben uit Kwaadmechelen vertrokken in de omstandigheden die ik u gezegd heb. Ik heb pas het gedacht gekregen toen ik in de nabijheid van het huis Caerts was, van mijn vader een duchtige rammeling te gaan geven, omdat moeder, die mij die morgen in Kwaadmechelen een nieuwe kostuum had gebracht, mij verteld had dat vader de koe ging verkopen, en wij weldra geen cent meer zouden bezitten en zouden moeten gaan bedelen.

Ik ben dan langs achterdeur, die nooit gesloten is, binnengegaan. Dan kreeg ik het gedacht het revolver te gaan halen dat op zolder hangt, en vader van kant te maken. Ik ben dan de huiskamer binnengegaan en daar heb ik in de hoek een stok genomen. Het revolver had ik in mijn zak gestoken. Toen ben ik de kamer ingegaan en dan de slapkamer.

Vader lag in bed. Ik heb hem twee keer op de kop geslagen. Hij sprong recht, en dan heb ik geschoten. Dan liep ik terug de kamer in en vader liep mij achterna. Toen schoot ik voor de tweede keer. Op dat ogenblik is moeder met Jules gaan vluchten. Dan ben ik de huiskamer ingegaan en ik heb daar een tas koffie gedronken.

Vader was na het tweede schot niet gevallen. Hij moet zich toen hebben aangekleed. Ik werd opeens weer zot van woede, liep de kamer weer binnen en schoot een derde keer. Dan is hij neergevallen. Ik heb hem opgenomen en naar de put gedragen. Daarna ben ik terug naar huis gekomen, Ik heb de plaats zuiver gemaakt en het bloed weggedaan.

Het kan 11 uur geweest zijn toen ik terugging naar Kwaadmechelen.

Toen ik het revolver van de zolder haalde, was het in een zakdoek gewikkeld. Ik heb die zakdoek in mijn zakdoek gestoken en later heb ik er het revolver weer ingedraaid. Na de moord heb ik het op tafel gesmeten, maar voordat ik naar Kwaadmechelen vertrok heb ik het weer opgenomen.

Ik heb tegen mijn vader geen woord gesproken. Al wat ik u eerder verteld heb aangaande het toneel dat de feiten zou hebben voorafgegaan, was uitvindsel tot mijner verdediging. Ik alleen heb het revolver in handen gehad en geschoten.”

Op de vraag van de onderzoeksrechter wat hij die avond aan zijn voeten had, antwoordt hij:

“Ik had pantoffels aan, en geen klompen zoals ik het u eerder gezegd heb. Ik ben ook met die sloefen terug naar Kwaadmechelen gegaan.”

Dan vertelt Leopold wat hem stoorde in het gedrag van zijn vader:

“Sinds een jaar was er voortdurend twist en tweedracht tussen vader en moeder.

Vader was een onverdraagelijke mens. Hij verweet moeder “grijze zorg” en meer scheldwoorden. Moeder heeft mij ook gezegd dat hij haar slagen gaf en haar ’s nachts buitenwierp. Sedert enige tijd heeft hij bijna alles verkocht: een paard, een kar, drie koeien, drie kalveren, drie varkens en ook een botermachine. Al het geld dat daar van voortkwam droeg hij naar zijn broer Cornelis. Als wij hem vroegen waar dat geld bleef, antwoordde hij “Dat gaat u niet aan!” De laatste tijd hoorde ik zeggen dat hij voornemens was om, als alles verkocht was, bij zijn broer te gaan wonen en ons te laten zitten. Mij heeft hij nooit geslagen, maar wel al bedreigd met een stoel. Ik ben toen gaan lopen.

Dat alles heeft mij in de kop gespeeld. Dat heeft aanleiding gegeven tot de feiten die ik gepleegd heb.”

Daarop onderbreekt zijn moeder hem:

Ja, het is maar eenen halven kuik. Op zekere dag, ongeveer drie jaar geleden, heb ik hem eens bekeven  en toen wilde hij in onze waterput springen!”

Tot slot verklaart Leopold dat hij alleen gehandeld heeft, zonder medewerking van zijn moeder of van zijn broers.

Plan van de weg die Leopold OOMS nam op de avond van de moord

Op 26 juni ondervraagt de onderzoeksrechter ook de moeder van Leopold nog eens in het gemeentehuis van Oostham:

“Ik lag te bed met kleine Jules toen ik Leopold in onze slaapkamer zag staan. Dadelijk daarna hoorde ik een schot: Pol had geschoten op zijn vader, die nog in bed lag. Ik heb het vuur van dat schot gezien. Ik heb niet gehoord dat Pol voor dat schot op mijn man geslagen zou hebben en ik heb mijn man ook niet tegen Pol horen zeggen “Nu maak ik u  kapot!”

Ik heb mijn man onmiddellijk uit zijn bed zien springen. Ik heb niet opgelet wat hij toen gedaan heeft. Ik ben ook uit bed opgesprongen en ben met Jules weggevlucht. Mijn man en Pol stonden dicht bij elkaar. Toen ik in de huiskamer was, hoorde ik een tweede schot. Als mijn man zich aangekleed heeft, dan moet hij dat gedaan hebben toen ik weg was. Het is niet waar dat ik op zondag 18 juni aan mijn zoon gezegd heb dat ik zaterdag twee kogels gevonden heb in de huiskamer.

Ik heb geen ruzie gehoord tussen Pol en mijn man. Mijn man heeft niets tegen Pol gezegd. Mijn man heeft geen revolver in handen gehad en Pol alleen heeft geschoten. Ik heb Pol niet naar boven horen gaan om het revolver te halen.

Ik heb het revolver weer op zijn plaats gelegd.

Ik heb mijn zoon Jozef horen thuiskomen. Hij is rechtstreeks naar de zolder gegaan. Hij slaapt daar. Dat kan een kwartier of 20 minuten na het vertrek van Pol geweest zijn.

Ik heb er nooit aan gedacht mijn man aan te doen. Ik heb mijn zoon ook niet de minste slechte raad gegeven toen ik hem ’s morgens in Kwaadmechelen zijn kostuum droeg. Ik heb hem toen wel verteld over het gedrag van mijn man, die alles wilde verkopen. Leopold was kwaad maar hij heeft niet gezegd dat hij iets van zin was. Hij heeft alleen geweend.”

Twee dagen later, op 28 juni, ondervraagt de onderzoeksrechter Ferdinand Ooms. Die heeft ondertussen horen zeggen dat Leopold op de trein naar Luik met twee mijnwerkers, Jozef Schulpé en Louis Corvers van Tessenderlo, gesproken heeft.

Op 3 juli ondervraagt de onderzoeksrechter in het gemeentehuis nog 10 getuigen.

De eerste is Alfons Dameroye. Hij is het die op vraag van de burgemeester op woensdag 21 juni de put aan het huis Vervoort onderzocht had en het lijk van Willem Ooms gevonden had. Hij getuigt dat het lijk in de put bedolven was met stenen e, bouwpuin.

Alfons Schulpé is slager in Oostham. Jozef Ooms is zijn knecht:

“Jozef Ooms woont bij mij als knecht. Op 15 juli heeft hij mij tot rond 7 uur ’s avonds helpen slachten. Dan is hij met Vanlook naar Kwaadmechelen gegaan en volgens men mij gezegd heeft is hij rond half 11 teruggekomen. Ik heb hem die avond niet meer gezien want ik was toen al slapen. De volgende dag heeft hij zijn werk verricht als naar gewoonte.

Op maandag de 19de heeft hij gezegd dat het vreemd was dat zijn vader niet terugkwam. Hij zegde dat die soms een paar dagen wegbleef, maar dat het nu wel erg lang duurde.

Woensdag de 21ste is hij ’s morgens rond 5 uur bij mij aangekomen, hoewel ik hem gezegd had dat hij pas om 6 uur moest komen. Hij is beginnen wenen en zegde dat zijn moeder hem verteld had dat Leopold hun vader had doodgeschoten en hem in de put van Vervoort geworpen had. Hij zegde dat hij het ging aangeven in de gendarmerie. Sedertdien heb ik hem niet meer gezien tot gisterenavond.

Ongeveer een maand voor de moord op Willem Ooms heeft hij mij zelf gezegd dat hij slagen gekregen had van zijn zoon Ferdinand. Hij zegde ook dat hij alles ging verkopen en dat zij dan maar moesten zien wat zij deden. Alleen Jozef vertrouwde hij.

Ik heb een koe gekocht van Willem Ooms. Ik heb daar 400 frank voor betaald. Later heeft de vrouw van Ooms mij gezegd dat hij haar daar 300 frank van gegeven had.”

Jozef Schulpé is een 24-jarige mijnwerker uit Tessenderlo. Hij zat op 22 juni met Leopold Ooms op de trien naar Luik:

“De 22ste juni, toen ik met de trein van 2 uur ’s namiddags in Diest aankwam om naar Luik te vertrekken, heb ik aan de statie Leopold Ooms ontmoet. Ik wist dat hij op de vlucht was en dat zijn twee broers aangehouden waren voor vadermoord. Ik heb met hem op het perron in Diest een glas bier gedronken. Dan hebben wij samen de trein naar Hasselt genomen.

Toen wij met de trein uit Hasselt vertrokken begon Ooms aan mij en Corvers te vertellen dat hij zijn vader had doodgeslagen en dat hij drie of vier keer op hem geschoten had. Hij zegde dat zijn moeder wel thuis was, maar dat zij naar buiten gelopen is. Zijn broers waren niet thuis. Hij heeft ook gezegd dat hij zijn vader alleen weggedragen heeft. Hij heeft niet gezegd waarheen hij hem gedragen heeft.

In Liers stapten wij over op de trein naar Ans. Daar is hij met mij meegegaan naar de koolput La Plancke, waar ik werk. Dan heeft hij gezegd dat al zijn geld op was en dat hij zich ging verdrinken. Ik heb hem dan aangeraden naar Sint-Nicolas te gaan, naar Henri Joris die ook van Oostham is. Dat heeft hij gedaan en daarna heb ik hem niet meer gezien.

Dan wordt Louis Corvers, de tweede jonge mijnwerker die op de trein naar Luik zat, ondervraagd. Hij bevestigt wat zijn collega Schulpé al verklaard heeft.

Theophief Vandonck is werkman bij de spoorweg. Hij stond met Jozef Schulpé te praten in het station van Diest toen Leopold Ooms daar ook aankwam. Hij getuigt dat Ooms veel beziens had, en dat blijkbaar iedereen op de hoogte was van het gebeurde. Pas nadat de trein naar Luik vertrokken was, hebben hij en zijn collega’s de onderstationchef ingelicht over de aanwezigheid van de man die door de politie gezocht werd.

Louis Vanbaelen is ook werkman bij de spoorweg. Hij getuigt dat hij en zijn collega’s in een café bij het station van Diest door Leopold Ooms getrakteerd werden.

Frans Verachtert is een 28-jarige buurman van de familie Ooms:

“Ik heb in de nacht van de moord niets gehoord of gezien in het huis Ooms. Ik ben die avond rond half 10 gaan slapen.

Ik heb daar overdag wel al ruzie gehoord, maar ik weet niet wie daar bij betrokken was.

Ik heb horen zeggen dat Willem Ooms de laatste tijd alles verkocht. Ik weet niet wat hij met het geld deed.”

Maria Weerens is een buurvrouw van de familie Ooms:

“Ik woon daar sedert 5 jaren in de gebuurte en ik heb in dat huis nooit ruzie of krekeel gehoord, maar ik ben een groot deel van de dag uit huis. Ook in de nacht van de moord heb ik niet het minste lawaai gehoord. De vrouw Ooms kwam wel eens praten aan mijn huis, maar zij heeft bij mij nooit over haar man geklaagd. Ik heb horen vertellen dat Willem Ooms de laatste tijd alles verkocht en het geld naar zijn familie droeg. Persoonlijk weet ik daar niets van.”

Anselmus Van Clemens is een 38-jarige landbouwer uit Oostham. Hij weet geen kwaad woord over de dode:

“Op de avond van de 15de juni is Willem Ooms bij mij in huis geweest, rond 7 of 8 uur. Wij hebben gepraat en ik heb niets bijzonders aan hem gemerkt. Hij was niet bedronken.

Hij was een werkzame mens. Hij dronk niet en verteerde niets.

Ik weet niet waar hij naartoe gegaan is toen hij bij mij vertrok. Hij ging in de richting van het dorp. Het schijnt dat hij nog bij Veruimp geweest is.”

Sophie Huysmans is 16 jaar oud en dienstmeid in café Le Grand Bac in Leopoldsburg. Leopold Ooms was op woensdag 21 juni korte tijd in dat café:

“Woensdag 21 juni is Leopold Ooms rond 8 uur ’s morgens in ons café geweest. Hij had zijn beste klederen aan en zag er uit als altijd. Hij heeft een glas bier gedronken en 5 frank gewisseld. Hij zegde dat hij nog honderdduizend frank op zak had.

Hij is maar 2 of 3 minuten gebleven. Toen ik “Tot straks” zegde, antwoordde hij dat ik hem niet meer zou zien, dat hij van huis weg was en dat hij er vandoor trok.”

Dan laat de onderzoeksrechter drie broers van Willem Ooms aan het woord. De eerste is de 46-jarige Felix. Hij is boer in Oostham:

“Ik weet dat de zonen van mijn broer Willem zich niet goed verstonden met hun vader. Willem heeft mij ooit gezegd dat Ferdinand gezegd had dat hij zijn leven lang in de gevangenis wilde zitten voor hem. Met Leopold verstond hij zich ook niet goed, maar met Jozef ging het beter. Met zijn vrouw was het ook niet zoals het moest zijn.

De laatste negen maanden klaagde Willem veel over zijn huishouden. Hij zegde dat hij bijna alle weken slagen kreeg van Ferdinand en Leopold.

Mijn broer heeft mij gezegd dat hij alles zou verkopen omdat hij van plan was alleen te gaan wonen met zijn vrouw en de kleine Jules.”

Jozef Ooms is 54 jaar, en baat in Oostham een herberg uit. Hij getuigt in dezelfde lijn als zijn broer:

“Ik weet dat Willem zich niet goed verstond met zijn vrouw en kinderen, in het bijzonder met Ferdinand en Leopold. Er was altijd ruzie in huis. Zijn vrouw werkte met de zonen mee tegen hem.

Een paar maanden geleden zegde Willem mij dat hij hen had afgeluisterd en dat zijn vrouw en zijn zonen spraken van hem van kant te maken. Hij heeft mij gezegd dat hij zo niet meer kon voortleven en dat hij met zijn vrouw en de kleine Jules alleen wilde gaan wonen. De anderen moesten dan maar voor zichzelf zorgen. Hij moest dat doen om zijn leven zeker te zijn.

Mijn broer was zeer vreedzaam en werkte goed. Maar zijn zonen wilden niet meewerken. Hij was zeker geen dronkaard.”

De derde broer is Cornelis. Hij is de jongste. Hij is 43 jaar en heeft een herberg in Oostham. Hij had blijkbaar het meeste contact met Willem:

“Mijn broer Willem kwam nogal dikwijls bij mij, omdat zijn zoon Ferdinand ham dikwijls mishandelde en sloeg. Zijn zoon Leopold heeft ham voor zover ik weet ook al eens geslagen, maar over zijn zoon Jozef heeft hij nooit geklaagd.

Ferdinand kwam zaterdag- en zondagavond gewoonlijk thuis slapen. Hij woont als knecht bij Mariën. Om ruzie te vermijden kwam Willem dan die dagen bij mij slapen. Ik weet dat hij dikwijls ruzie had met Ferdinand en ook met zijn vrouw. Willem heeft de laatste tijd veel verkocht. Het geld heeft grotendeels gediend om een schuld aan mijn broer Jozef terug te betalen. Ik denk dat het om 1.300 frank ging, die Jozef hem geleend had om een stuk grond te kopen.

Mijn vrouw heeft buiten mijn weten 800 frank van Willem geleend. Vijf of zes weken voor de moord heb ik haar dat doen teruggeven, en dat heeft zij gedaan. Ik weet niet wat er van dat geld gekomen is.

Willem heeft mij gezegd dat hij van zin was een huis te bouwen en dat dat geld moest dienen om de stenen te kopen. Jan Theunis is voerman in Oostham. Hij heeft mij gezegd dat Willem hem gesproken had over het vervoer van die brikken.

Willem dronk niet en verteerde geen vijf frank per jaar.”

De laatste die die dag ondervraagd wordt is Maria Binnemans. Zij is de 38-jarige echtgenote van Cornelis:

“Mijn schoonbroer Willem Ooms kwam veel bij ons. De laatste tijd had hij veel moeilijkheden met zijn zoon Ferdinand. Hij kwam dan zaterdagavond en bleef dan slapen tot maandag, uit vrees voor zijn zonen.

Hij heeft mij dikwijls geklaagd over zijn huishouden. Hij is hier al aangekomen, zeggende dat hij op de hooinkelf had moeten vluchten omdat Ferdinand achter hem aan zat en dreigde hem te vermoorden. Hij kwam dikwijls klagen. Hij heeft mij eens gezegd dat Ferdinand met een mes achter hem aan gegaan was. Hij klaagde ook over zijn vrouw, maar niet zoveel. Als de jongens er niet tussen gezeten hadden, zou het wel goed gegaan hebben tussen Willem en zijn vrouw.

De laatste tijd heeft hij veel verkocht. Hij was van plan een huis te bouwen waar hij met zijn vrouw en Jules zou kunnen gaan wonen.

Een deel van het geld bracht hij hier. Hij stak het in een blikken doos die hij in onze kelder verborg.

Anderhalve maand geleden, toen er gestolen is in de kapellen van Oostham en Beverlo, heeft hij zijn geld meegenomen. Ik weet niet wat hij er mee gedaan heeft. Hij zegde dat hij brikken ging kopen om te bouwen.

De avond voor de moord is hij nog bij mij geweest. Hij is toen rond half 8 vertrokken. Hij was niet dronken. Ik heb hem nooit dronken gezien.”

Op 4 juli ondervraagt de onderzoeksrechter Maria Geys, de echtgenote van Willem en de moeder van Leopold:

“Ik was sedert ongeveer 27 jaar getrouwd met Willem Ooms. Vroeger dronk mijn man wel eens, maar dat deed hij sinds lang niet meer.

Wij hebben ons altijd zeer goed verstaan. Er viel wel eens een woord, maar dat gebeurt overal. Acht jaar geleden hadden wij een woordwisseling laten bevallen. Mijn man heeft mij toen 2 stampen op de onderbuik gegeven. Ik heb toen drie dagen in bed gelegen en zweefde tussen leven en dood. Dokter Cuypers van Oostham heeft mij toen verzorgd. Ik heb toen de laatste sacramenten gekregen. Drie weken later is het kind dood geboren.

Ik heb toen zelf over die zaak niet geklaagd, maar enkele dagen later zijn er toch gendarmen bij ons geweest. Ik ben toen zelf bij de procureur in Hasselt gaan vragen om het zo te laten. Dat is ook gebeurd.

Sedertdien leefden mijn man en ik in goede verstandhouding. Tot in september 1910: toen had ik een mijt hooi opgezet, en die stond niet goed naar zijn goesting. Van toen af is hij kwaad geworden en is hij allerhande beginnen te verkopen; een paard, 3 koeien, 3 kalveren, 3 of 4 varkens, een kar, een botermachine, het mest, de ploeg, de eg en het stro. Dan heeft hij nog een grote kar aan zijn broer Cornelis gegeven. Hij zegde daarover “Het is allemaal het mijn. Ik geef er de kloten van. Ik zal wel maken dat de drie oudsten vanzelf vertrekken.”

Mijn man heeft nooit veel van zijn kinderen gehouden. Er was nogal eens twist tussen mijn man en mijn kinderen, maar ik zegde hun altijd dat zij moesten zwijgen. Zij hebben nooit met vader gevochten. Slechts één keer, in september 1910, heeft Jozef hem eens vastgepakt, Dat ging over die hooimijt.

Ik weet niet waarom mijn man van zaterdagavond tot maandag of disdag bij zijn broer bleef. Hij heeft mij dat niet gezegd. Ik denk dat hij dat deed om zijn zonen te mijden.

Ik geloof niet dat mijn man zijn geld bij Cornelis teruggehaald heeft. Ik ben overtuigd dat het geld bij Cornelis gebleven is. Anders zou hij het wel op de spaarkas gedragen hebben.”

Vier dagen later, op 8 juli heeft de onderzoeksrechter nog wat vragen voor Maria Geys:

“Op 15 juni heb ik het kostuum naar mijn zoon in Kwaadmechelen gebracht. Hoewel het Ons-Heer-Hemelvaart was, kwam hij die dag niet thuis, omdat hij moest hooien,

Ik bracht het hem zodat hij het de volgende zondag kon aandoen.

Bij Vankrunkelsven hebben wij gesproken over de verkoop van de koe. De baas was daar ook. Dan heeft mijn zoon mij een stukje begeleid. Wij hebben toen niet meer over mijn man gesproken.”

Zij ontkent dat zij Pol op de avond van de moord heeft binnengelaten of dat zij hem geholpen heeft zijn vader na de moord aan te kleden.

Zij zegt ook nog dat zij zondag de 18de tegen Leopold gezegd had dat zij de moord wilde gewoon aangeven. Omdat Leopold haar vroeg dat niet te doen, heeft zij dat toen niet gedaan.

Twee dagen later vertelde zij alles aan haar zoon Jozef. Op haar vraag is die het niet dezelfde dag gaan aangeven, maar pas op woensdag de 21ste, in alle vroegte.

Op 13 juli krijgt Leopold de gelegenheid om nog wat toe te lichten. De onderzoeksrechter vraagt hem hoe het mogelijk is dat zijn vader zich nog aankleedde nadat Leopold hem twee keer op het hoofd geslagen had en twee keer op hem geschoten. Daarop begint de verdachte te wenen:

“Ik zal u ook de gansche waarheid zeggen op dit punt. Toen mijn vader na het derde schot gevallen was, zag ik dat hij alleen zijn hemd, zijn gilet en zijn kousen aan had. Ik ben dan zijn klederen gaan halen en heb hem zijn jas, zijn broek, zijn pet en zijn klompen aangedaan.”

Hij ontkent dat zijn moeder hem daarbij geholpen heeft.

Op 17 juli gaat de onderzoeksrechter naar Kwaadmechelen en Oostham. In Kwaadmechelen ondervraagt hij Felix Vankrunkelsven, de baas van Leopold, en diens echtgenote Philippina Zels.

Vankrunkelsven weet niet meer te zeggen dan dat Leopold een maand bij hem gewerkt heeft en dat zijn moeder, toen zij hem donderdag 15 juni bezocht heeft, haar zoon gevraagd heeft een stukje let haar mee terug te lopen.

Zijn echtgenote herinnert zich meer:

“Leopold Ooms heeft als knecht bij ons gewoond gedurende een maand, tot de dag dat hij vertrokken is.

Op 15 juni heeft zijn moeder hem rond 12 uur een nieuw kostuum gebracht. Moeder en zoon hebben toen in ons huis, waar wij bij waren, met elkaar gesproken. Ik heb gehoord dat zij aan Leopold zegde dat zijn vader alles ging verkopen. Leopold reageerde heftig: “Dat is toch zeker niet waar!”

In de namiddag is de moeder vertrokken. Zij heeft toen gevraagd of Leopold wat met haar mee te gaan. Hij is dan met zijn moeder meegegaan en hij is ongeveer een half uur weggebleven.

’s Avonds is iedereen rond 8 uur gaan slapen. De buitendeuren waren toen gesloten. Die nacht hebben wij niets gehoord, en de volgende morgen is Leopold zoals gewoonlijk opgestaan.

De volgende vijf dagen was hij bij ons en ik heb niets bijzonders aan hem gemerkt. Hij heeft gewerkt zoals hij dat altijd deed.”

Dan gaat de onderzoeksrechter naar het gemeentehuis van Oostham. Daar ondervraagt hij Leopold en zijn broer Jozef. Leopold moet nog eens vertellen wat er die avond in het huis van zijn ouders gebeurd is:

“Toen ik het huis langs de achterdeur binnenkwam, heb ik in de huiskamer langs de bakoven een stok opgenomen. Tot dan was ik alleen van plan vader een goede rammeling te geven. Maar toen overviel mij het idee om hem dood te schieten. Met de stok in de hand ben ik naar de zolder gegaan.

Daar heb ik het revolver gehaald dat achter het bed hing. Dan ben ik de slaapkamer van vader binnengegaan. De deuren stonden open. Ik had het revolver in mijn zak gestoken, en terwijl vader in bed lag heb ik hem met de stok twee keer op het hoofd geslagen.

Vader is dan opgesprongen en heeft mij de stok uit de handen gerukt. Hij stond langs het bed en ik heb het revolver uit mijn zak gehaald, en een eerste schot op hem gelost. Dan ben ik de kamer naast de slaapkamer ingesprongen. Moeder is toen met Jules langs mij voorbijgelopen. Ik weet niet of zij toen iets gezegd heeft.

Ik heb toen tegen vader gezegd “Gij hebt misdaan!” en hij heeft mij geantwoord “Uw moeder moet maar gaan bedelen!”

Na die woorden heb ik nog twee keer op vader geschoten. Vader stond toen nog recht, en ik ben de huiskamer ingesprongen. In de huiskamer heb ik mij een tas koffie ingeschonken. Toen heb ik in de kamer een geluid gehoord alsof hij viel. Ik heb twee tassen koffie gedronken.

Dan ben ik de kamer weer ingegaan. Vader lag op de grond, in het midden van de kamer. Hij had zijn gilet en zijn kousen aan. Waarschijnlijk hield hij die in bed aan. Ik heb zijn klederen die op de kist lagen opgenomen en ik heb hem alleen aangekleed en hem zijn pet en zijn klompen aangedaan. Dan heb ik hem naar de put gedragen. Hij snurkte toen nog.

Ik heb de moord alleen uit liefde voor moeder gepleegd. Vader heeft zijn vrouw en zijn kinderen nooit bemind. Ik zag dat moeder zou moeten gaan bedelen. Ik had het nooit zo ver laten komen als hij niet gezegd had dat moeder maar moest gaan bedelen.”

Dan moet Jozef over de situatie in het gezin vertellen:

“Vroeger werkten wij altijd samen aan huis. Ongeveer een jaar geleden zegde vader dat hij niet meer voor zijn kinderen wilde werken. Dan is de eene hier en de andere daar gaan werken. Ik ben nog thuis gebleven. Er was overigens thuis geen werk voor ons allen.

Er vielen wel eens woorden tussen vader en moeder, zoals dat in ieder huishouden gebeurt. Maar ik heb nooit gezien dat vader moeder mishandelde, behalve één keer, 7 of 8 jaar geleden, toen zij moest bevallen. Zij is toen berecht geweest. Met mij heeft vader nooit ruzie gehad. Ik weet ook niet dat hij mijn broers zou mishandeld hebben.

Mijn broer Leopold is een halve kwik. Met hem had vader al eens woorden, maar ik heb nooit gezien dat hij door vader mishandeld werd.

Ik weet dat vader de opbrengst van de beesten en het gerief dat hij verkocht bij zijn broer Cornelis droeg. Vader heeft mij zelf gezegd dat Cornelis hem opsteukte om alles te verkopen. Twee of drie weken voor zijn dood heeft vader mij gezegd dat ik 200 frank van hem ging krijgen omdat ik hem altijd geholpen heb bij het werk, maar dat hij dat geld toen niet bij de hand had, omdat hij zijn broer Jozef het laatste deel terugbetaald had van een som die hij daar geleend had. Cornelis zegde dat hij ook geen geld in huis had, omdat hij het geld van vader gebruikt had om orgels te kopen die hij verhuurt.

Toen ik woensdag 21 juni de zaak in Leopoldsburg ging aangeven, ben ik niet in Kwaadmechelen geweest en ik heb mijn broer Leopold niet verwittigd.”

Voor Ferdinand is het zijn oom Cornelis die zijn vader tegen hen opzette:

“Tot voor een drietal jaren ging alles goed tussen vader, moeder en de kinderen. Maar sinds Cornelis, die vroeger in Leopoldsburg woonde, in Oostham is komen wonen, ging vader dikwijls naar Cornelis.

Sedertdien is er thuis onenigheid. Tot dan werkten wij samen. Vader deed de schoenmakerstiel en de drie jongen deden het labeur. Sinds Cornelis hier woont is er altijd ruzie. Vader werkte ons buiten. Volgens mij was vader door Cornelis opgesteukt.

Sinds zeven of 8 maanden verkoopt vader alles en wij denken dat hij al het geld daarvan naar Cornelis brengt.

Vader heeft mij nooit mishandeld, behalve één keer, een tiental jaren geleden.

Met moeder had vader dikwijls ruzie, meestal over de minste kleinigheid.

Ik heb twee keer gezien dat vader moeder mishandelde. Een keer gebeurde dat toen zij moest bevallen. Hij heeft haar toen zo erg mishandeld dat zij berecht moest worden. De tweede keer was zeven of 8 maanden geleden, toen vader voornemens was de beste koe uit de stal te verkopen. Moeder merkte toen op dat dat niet nodig was. De koopman wilde met die ruzie niets te maken hebben en is zonder de koop te sluiten vertrokken.Toen de koopman weg was heeft vader moeder op de grond geworpen. Ik heb hem van haar weggetrokken.

Sinds 1908 was ik weinig thuis. Ik ben soldaat geweest en daarna heb ik in Luik gewerkt. Daarna heb ik bij Mariën gewerkt. Overdag was ik weinig thuis en ik weet niet hoe vader zich met Leopold verstond.

Leopold is een halve kwik. Hij dronk soms een goede pint. Hij heeft mij nooit gezegd dat vader hem mishandeld had.”

Op 27 juli ondervraagt de onderzoeksrechter in Hasselt de gemeentesecretaris van Oostham en twee personen uit de gemeente Sint-Nicolas, waar Leopold werd aangehouden.

De gemeentesecretaris heet Lievin Verbeek. De man is 67 jaar oud:

“Ik heb vroeger nooit gehoord dat er onenigheid was tussen de echtgenoten Ooms-Geys. Ik kwam daar niet in huis en als ik er voorbijkwam hoorde ik er geen ruzie. De vrouw heeft mij wel eens geklaagd omdat haar man de koeien en getuig verkocht. Van onenigheid tussen de zonen is mij ook niets bekend. Vader Ooms heeft bij mij nooit over zijn vrouw geklaagd. Hij was een goede werkman en hij dronk niet.

Leopold ken ik niet goed. Hij heeft in Luik in een mijn gewerkt en later verbleef hij bij zijn neef Vankrunkelsven in Kwaadmachelen.

Sinds het voorval hen ik horen zeggen dat zijn bijnaam “de zat” is, omdat hij vlug en snel is.”

Leon Binet is politiecommissaris in Saint-Nicolas bij Luik. Hij vertelt dat hij Leopold op 22 juni aangehouden heeft, en dat Leopold toen tevergeefs probeerde te vluchten.

Rosalie Wouters is de 28-jarige echtgenote van Henri Wouters. Zij is de bazin van het café in Saint-Nicolas, waar Leopold aangehouden werd:

“De 22ste juni is Leopold Ooms in de namiddag bij ons binnengekomen. Hij vroeg om een nacht te mogen blijven slapen, en ik had dat toegestaan. Ik ken Leopold Ooms omdat hij ooit 14 dagen bij ons gelogeerd heeft.

Hij ging dan ’s zaterdags altijd naar Oostham. Bij ons gedroeg hij zich goed. Ik heb hem nooit dronken gezien en ik weet niet dat hij zich met vrouwen ophield.

Een mijnwerker, hij heet Suske Breesch, had die morgen aan mijn man verteld dat hij in de krant gelezen had dat Leopold Ooms uit Oostham zijn vader zou vermoord hebben. Ik was dus zeer verwonderd toen ik hem bij ons zag binnenkomen. Ik heb hem gevraagd of hij weer kwam werken. Hij zegde dat hij naar Holland wilde gaan, en dat hij zijn vader vermoord had. Hij heeft ook gezegd dat hij het alleen gedaan heeft.

Ik heb dan de schepen Husson, die nabij ons woont, laten verwittigen. Kort daarna zijn twee politieagenten Leopold komen aanhouden.”

Leopold volgde de lagere school van zijn 6de tot zijn 14de. Hij werd 3 jaar uitgesteld voor zijn eerste communie.

Willem Ooms is 56 jaar, Marie Geys is 49, Ferdinand is 24, Jozef 23, Leopold is 20 en Jules is 6 jaar oud.

Op 17 oktober 1911 verwijst de Kamer van Inbeschuldigingstelling in Luik de zaak naar het Hof van Assisen in Limburg.

Op 7 november 1911 verklaart de jury van het assisenhof in Tongeren Leopold Ooms schuldig aan vadermoord. Dezelfde dag veroordeelt het hof hem tot levenslange dwangarbeid.