Dossier 732 – Het kleine leven van Jozefien Ramaekers

Inhoud

Belangrijk opsporingsbericht

Omdat hij het gevoel had dat zijn onderzoek niet opschoot, liet de onderzoeksrechter in april en mei 1901 in de Hasseltse kranten een Belangrijk bericht afdrukken, waarin hij iedereen die op zondagavond 14 april op de kanaaldijken tussen Hasselt en Bolderberg geweest was, opriep zich te melden.

Het bericht verscheen in De Demer, in La Campine Limbourgeoise, in De Onafhankelijke der provincie Limburg en in het Aankondigingsblad der provincie Limburg.

Tekening van de crime scene anno 1901

schets van de crime scene

Op basis van de verklaringen van Josephine en van een onderzoek ter plaatse tekent een rijkswachter op verzoek van de onderzoeksrechter een voorlopige schets van de plaats waar Karel Quaedvlieg in het kanaal terechtgekomen zou zijn.

Het kanaal loopt van Beringen in het oosten naar Hasselt in het westen. In de versie van Josephine hebben de feiten zich voorgedaan op een plek circa 500 meter voorbij de brug van de weg die van Kuringen over het kanaal naar de heide leidt. Op die plek duikt een beekje onder het kanaal. Zestien meter ten zuiden van de kanaaldijk loopt een aarden weg parallel met het kanaal. Nog veertig meter verder ligt de woning van Charles Vos. Aan de overkant van het kanaal ligt de hoeve van de familie Vandevelde. Op de plaats waar Quaedvlieg in het water gevallen is ligt een bootje op het water.

Vals alarm

Op 18 april 1901 verscheen in de Gazet van Mechelen een kort artikel over de zaak Quaedvlieg. De verslaggever van de krant vermoedt dat Quaedvlieg vermoord is, maar weet nog niet of Joséphine of de twee Walen waarover zij vertelde de schuldigen zijn.

In Mechelen vroegen die dag twee vreemdelingen in een herberg of zij de krant mochten lezen, waarbij hun aandacht dadelijk getrokken werd door het bericht over de moord in Hasselt. De herbergier las dat er twee onbekende boosdoeners gezocht werden en verwittigde de politie. Na een kort onderzoek bleek dat het vals alarm was en dat de Mechelse herbergbezoekers niets met de zaak te maken hadden.

Dossier 732 Moord in Stokrooi, 1901
Rombout Nijssen

Het is al donker als Jan Corthouts op zondagavond 14 april 1901 rond 9 uur over de kanaaldijk van Stokrooi naar Hasselt stapt. Een kwartiertje eerder heeft hij afscheid genomen van zijn verloofde die in Stokrooi woont. Hij is nog niet ter hoogte van Kuringen als hij een vrouw hoort wenen. Zodra hij dicht genoeg bij haar is, grijpt zij hem vast. Het duurt even voor hij haar herkent. Het is Jozefine Ramaekers uit Bolderberg. Tussen het snikken door vertelt zij hem dat twee Franssprekende vreemdelingen haar verloofde in het kanaal geworpen hebben. Op het kanaal was niets meer te zien van wat zich daar afgespeeld had. Jozefine is ontroostbaar, en Corthouts besluit Jozefine – die samen met haar verloofde op weg was naar haar moeder in Bolderberg, naar huis te vergezellen. Daarvoor moet hij rechtsomkeer maken en langs Stokrooi naar Bolderberg wandelen.

Het is kwart na tien als de twee in Bolderberg aankomen. In plaats van naar het huisje van de moeder van Jozefine te gaan, gaan zij eerst in het café van de weduwe Quetin binnen. Daar zit ook de broer van Jozefine. Wenend doet Jozefine daar weer het verhaal van wat haar overkomen is. Na een half uur neemt haar broer haar mee naar huis. Corthouts vindt dat het te laat geworden is om nog door het donker naar Hasselt te gaan en overnacht in het café.

De volgende morgen gaan Jozefine en Jan Corthouts voor dag en dauw bij de burgemeester van Stokrooi aangifte doen van wat er die nacht gebeurd is. De burgemeester neemt haar mee naar het kanaal en laat zich de plek aanwijzen waar haar verloofde – het blijkt om de Hasseltse apothekersgast Karel Quaedvlieg te gaan – in het water terecht gekomen is. Daar vinden zij aan de boord van het kanaal een medicijnenflesje dat zij meenemen. Terug in het dorp stuurt de burgemeester de veldwachter met het flesje en met Jozefine naar Hasselt, om daar bij de procureur aangifte te gaan doen.

Jozefine Ramaekers is 42 en dienstmeid. Zij woont met haar moeder in Bolderberg in Zolder en werkt in Hasselt. Jozefine heeft een woelig liefdesleven geleid. Zij is niet getrouwd en heeft vier kinderen. Haar oudste dochter is 18, en is de dochter van Henri Ramaekers uit Diepenbeek. Twee van haar kinderen, 10 en 8 jaar oud, zijn de vrucht van een relatie met Petrus Van Noppen uit Kermt. Die kinderen wonen bij haar moeder in Bolderberg. Zowel Henri Ramaekers als Petrus Van Noppen zijn sindsdien getrouwd. Louis Weyers van Herk-de-Stad is de vader van haar vierde kind. Het jongetje is 7 jaar oud en woont in Berbroek, bij Louis Celis, waar Jozefine hem heeft uitbesteed. Zij moet daar maandelijks 5 frank betalen voor zijn onderhoud, maar doet dat in de praktijk niet. Celis beschouwt het jongetje ondertussen bijna als een eigen kind. Sedert vijf jaar heeft zij een relatie met Karel Quaedvlieg.

Van oktober 1898 tot maart 1901 heeft zij als dienstmeid gewerkt voor de familie Hermans, in de Pelicaen in de Kapelstraat in Hasselt. Sindsdien zoekt zij een nieuwe betrekking.

Jan Corthouts is 20 en arbeider. Hij woont in Hasselt. Tot voor 14 dagen werkte hij in een kolenmijn in het Luikse. Sindsdien heeft hij nog drie dagen in het lijmfabriek in Hasselt gewerkt, maar dat heeft hij niet volgehouden omwille van de stank die daar heerst. Voorlopig heeft zijn zoektocht naar een nieuwe job in de mijnen niets opgeleverd.

Karel Quaedvlieg is 52 en apothekersgast. Hij woont bij zijn baas, apotheker Schoofs op de Markt in Hasselt.

Aangekomen in de gebouwen van de rechtbank, doet eerste Jozefine haar verhaal:

“Sedert ongeveer vijf jaren had ik kennis met Karel Quaedvlieg, apothekersgast te Hasselt. Gisteren, zondag, ben ik hier bij hem geweest in Hasselt, bij zijn tante, die op de Boulevard, bij het kanaal woont. Rond half acht uren ’s avonds was ik daar bij hem gekomen.

Hij is met mij meegegaan, langs het kanaal af, op Stockroye aan. Wij gingen aan den kant van het slachthuis. Wij zijn nergens binnen gegaan onderweg, en hebben ons nergens opgehouden.

Gekomen aan de brug van den bassin van Curingen, toen wij die brug omtrent 10 minuten voorbij waren, hebben wij bemerkt dat er twee mannen die ons onbekend waren, kort achter ons nakwamen.

De grootste, die ruim zo groot was als Quaedvlieg, was gekleed met eenen blauwen kiel, zeer lang, komende tot beneden zijne knieën, eenen witten halsband, eene broek van donker stof, en eenen zwarten vilten hoed, mol met een slip in het midden.

Beiden hadden schoenen aan.

De tweede had eenen zwarten ronden bolhoed aan, eenen langen zwarten of donkerblauwen overjas met twee rijen knoppen, en een zwarte broek.

Zij schenen mij beiden goed gekleed. Zij hadden geenen van beiden eenen stok.

De tweede, met den overjas, was wel eenen kop kleiner als den anderen, en was zeer dik van lijf. De grootste, met den kiel aan, scheen mij veel magerder. Ze spraken alletwee Fransch tegen elkander terwijl zij achter ons na kwamen. De eene had eene zwaardere stem als den anderen, doch ik kan niet zeggen welken. De grootste had eene kleine tache, doch ik weet niet welke kleur. De kleinste had noch baard, noch moustache. Zij schenen 30 tot 40 jaren oud te zijn.

Die twee mannen hebben ons omtrent een dik kwartier achterna gekomen, altijd op omtrent drie meters afstand van ons. Daar zij Fransch spraken, verstond ik niet wat zij zegden en ik vroeg aan Quaedvlieg wat zij vertelden. Hij heeft mij geantwoord dat het geen goed was, en dat hij het mij straks wel zou zeggen als wij van de vaart af zouden zijn. Ik heb toen achterdocht gekregen en daardoor heb ik verstaan dat die mannen slechte inzichten hadden.

Op zeker oogenblik, gekomen omtrent aan den Kuilberg onder Stockroye, hebben zij met hun tweën Quaedvlieg vastgepakt. Zij hebben hem iets gezegd in het Fransch en hij heeft hen geantwoord. En toen heeft hij gezegd “Fine, helpt mij toch, ik kan het niet meer uitstaan, zoo pitsen zij mij.” Ik ben bijgekomen en heb Quaedvlieg met den arm genomen om hem uit hunne handen te trekken. Ik heb zelf mijnen parapluie aan stukken geslagen op den kop van die welke eenen kiel droeg. Deze heeft mij tegen den grond gesmeten en ik ben met het gezicht tegen eenen boom gevallen, zoodanig dat ik zeer uit den neus bloedde. Na daar eenige stonden gelegen te hebben buiten kennis, ben ik terug tot mijn zelven gekomen door het geweldig roepen van Quaedvlieg die in het kanaal lag. Hij riep mij toe “Help mij, help mij!”. Hij lag in het midden van de vaart en is tot driemaal toe boven het water gekomen, mij telkens aansprekende. De eerste keer riep hij mij toe om hulp. De tweede maal zegde hij mij, terwijl hij trachtte boven het water te blijven, “Fine, wij hebben nu reeds vijf jaren kennis gehad, gij weet dat ik van zin was u alles te maken, hoe het nu zal gaan dat weet ik niet.” Daarop is hij onder water gegaan en is een derden maal boven gekomen. Toen heeft hij met veel moeite deze enkele woorden gezegd: “Nu is het gedaan met mij!’ en is verdwenen.

Zoolang als dat geduurd heeft, zijn die twee mannen op den boord blijven staan. Zij hebben tegen elkander nog iets in het Fransch gezegd. Maar geene van de twee heeft eene beweging gemaakt om hun slachtoffer te verlossen, terwijl ik op mijne knieën lag langs het water en hem tevergeefs de handen toereikte. Op mijn geweldig geschreeuw is er eenen jongen van Stockroye, Jan Corthouts, afgekomen en toen zijn de twee mannen van den dijk af gegaan en in het houtgewas verdwenen.

Het kan toen omtrent kwartier na negen uren geweest zijn. Het was niet donker.

De jongen Corthouts heeft mij naar mijn huis in Bolderberg vergezeld.

De plaats waar wij die twee onbekenden het eerste bespeurd hebben, is gelijk ik u gezegd heb, omtrent 10 minuten voorbij de Kleine herberg die aan de brug van den bassin van Curingen staat. En de plaats waar zij hem in het water geworpen hebben is omtrent aan de sluis van Kuilberg, van deze zijde van de winning van Olmen.

Quaedvlieg had eene horlogie met zilveren ketting, meen ik.

Toen wij dezen morgen de misdaad gaan aanbrengen zijn bij den burgemeester te Stockroye, is deze met mij en met Jan Corthouts, die uit schrik bij ons is blijven vernachten, mede gegaan tot op de plaats waar Quaedvlieg in het water geworpen was. De brugwachter heeft toen een medecijnenfleschje aan den boord boven het water zwemmende, gevonden.”

Procureur Leunen brengt de onderzoeksrechter op de hoogte, en verzoekt hem een onderzoek in te stellen. Aangezien de onderzoeksrechter afwezig is, duidt de voorzitter van de rechtbank rechter Désiré Nossent aan om het onderzoek te voeren.

Nossent laat de 20-jarige Jan Corthouts, die in de Boomkensstraat in Hasselt woont, ophalen en ondervraagt hem in zijn kantoor:

“Ik kwam gisterenavond rond negen uren van Bolderberg langs het kanaal afgegaan, en ging op Hasselt aan.

Gekomen omtrent aan den Kuilberg, heb ik geweldig hooren schreeuwen. Daar het zeer donker was, zag ik niemand. Het was eene vrouwenstem die ik hoorde. Een weinig verder hoorde ik nog schreeuwen. Ik zag rond, en opeens bevond ik mij tegen Jozefine Ramaekers, die mij met den arm greep. Ik heb haar gevraagd wat dat beteekende. Ik kende ze eerst niet. Ik vroeg wie zij was, en zij zegde dat zij de dochter van Louis Ramaekers was. Toen herkende ik haar. Zij zegde mij dan dat men haren jongen in het kanaal gesmeten had. Ik heb niemand in het kanaal zien liggen, en niets in de omstreken bemerkt. Zij heeft mij dan verteld dat twee mannen die Fransch klapten, Quaedvlieg in het water geworpen hadden. Daar zij zoo vreemd ronddraaide, en dat ik zelf ook bang had van verder door te gaan, heb ik haar gezegd dat ik zou mede met haar terug gaan naar Bolderberg. Ik heb zulks gedaan en ben te Bolderberg blijven vernachten bij den genaamden Quettin.

Deze morgen ben ik met Jozefine Ramaekers de zaak gaan aangeven bij den burgemeester te Stockroye.”

De onderzoeksrechter ondervraagt ook de veldwachter van Stokrooi. Die vertelt dat de burgemeester en Jozefine Ramaekers hem die morgen om 8 uur een medicijnenflesje gebracht hebben, dat zij aan de boord van het kanaal gevonden hadden, en dat hij dat flesje aan de procureur wilde geven. Voorts heeft hij in Stokrooi niets bijzonders bemerkt en hij heeft er ook geen onbekende personen gezien.

Om twee uur in de namiddag zijn de onderzoeksrechter en de procureur in Stokrooi aan het kanaal. De commandant van de rijkswachtbrigade van Hasselt is daar dan al met een vijftal manschappen en ook de veldwachter van Stokrooi is daar. Kort voor de aankomst van de onderzoeksrechter hebben de rijkswachters het lijk van Karel Quaedvlieg uit het kanaal opgevist. Het lijk dreef een drietal meter van de kant in het water. Met een haak hebben de rijkswachters het op de kant getrokken. Quaedvlieg wordt geïdentificeerd door zijn oom Leo Quaedvlieg en door Pierre Vliegen, een handelaar en vriend van de overledene, die ook in Hasselt woont.

Het lijk wordt naar het dodenhuisje op het kerkhof in Stokrooi gebracht, waar de veldwachter en vier rijkswachters op aanwijzen van de onderzoeksrechter het lijk en de kleding onderzoeken. Zij stellen vast dat het lijk geen uiterlijke sporen van geweld vertoont, dat de kleren niet gescheurd zijn en dat de jas van het slachtoffer nog helemaal dichtgeknoopt is. In de zakken van het slachtoffer zitten enkele dingen van geringe waarde: drie pijpen, tabak, een doosje lucifers, twee doosjes met zalf, een potje met poeder, drie haarspelden, een kleine potlood, een klein flesje, een bril, een stop van een fles, enkele brieven en twee sleutels. Geld, een zakhorloge of een ketting zijn op het slachtoffer niet te vinden. Het gemeentebestuur van Stokrooi krijgt opdracht het lijk te bewaken, zodat het de volgende dag naar het lijkenhuis in Hasselt gebracht kan worden om daar door de wetsdokter onderzocht te worden.

Dan gaat het gezelschap naar Bolderberg, waar de onderzoeksrechter Jozefine Ramaekers ondervraagt. Anders dan verwacht vertoont Jozefine geen verwonding of kwetsuur in haar gezicht of op haar handen. Zij kan de onderzoeksrechter wel een bebloede zakdoek tonen, waarin zij uit haar neus gebloed heeft. Haar zwarte paraplu is gescheurd en de steel ervan is aan stukken geslagen. Dat gebeurde toen zij op een van de aanvallers van Quaedvlieg sloeg, zegt zij.

In Bolderberg ondervraagt de onderzoeksrechter ook de weduwe Quetin, Catherina Haeven:

“Gisterenavond rond kwartier na 10 uren meen ik, zat ik hier nog in mijn huis, met mijne kinderen en den broer van Jozefine Ramaekers, toen deze ingekomen is met Jan Corthouts.

Fine Ramakers weende en schreeuwde afgrijselijk. Zij vertelde mij dat men haren jongen in het kanaal geworpen had, en dat het twee vreemde en haar onbekende mannen geweest waren die zulks gedaan hadden. Zij kan omtrent een halve uur in mijn huis gebleven zijn en toen is zij met haren broeder naar huis gegaan. Hij heeft ze in zijn armen genomen, want zij kon nauwelijks gaan, zoodanig was zij aangedaan.

Ik wist dat dit meisje met Karel Quaedvlieg verkeerde. Zij had het mij zelf verteld over een paar maanden.

Jan Corthouts, die ik goed ken en die van ons dorp is, heb ik hier in mijn huis doen blijven vernachten, daar hij ook bevreesd was en dat het te laat was om naar Hasselt te gaan.”

Tot slot geeft de onderzoeksrechter de rijkswachters opdracht met de bewoners van de huizen in de buurt van de plaats waar het lijk gevonden is, te gaan spreken, en om in de herbergen bij het kanaal in Kuringen en Stokrooi navraag te doen naar de vermoedelijke daders van de moord. De naaste buren van de plaats van het voorval zijn Karel Vos en Joseph Maris. Vos woont op een veertigtal meter van de plaats waar Quaedvlieg in het kanaal terechtgekomen is. Maris woont aan de overkant van het kanaal. De rijkswachters krijgen ook de opdracht een schets te maken van de omgeving.

De ondervraging van een vijftiental herbergiers in Stokrooi en Kuringen levert geen aanwijzingen op. Een onderzoek in Bolderberg en Viversel door rijkswachters van de brigade van Beringen, levert evenmin iets op. Ook Joseph Maris heeft geen onbekenden gezien. Karel Vos woont op 40 meter van de plaats waar de misdaad gepleegd is. Hij verklaart “Op zondag, noch in den dag, noch in den avond, heb ik geene vreemdelingen langs de vaart gezien. Noch ik, noch iemand van mijn familie heeft rond 9 uren de minste schreeuw gehoord. Zelfs den hond heeft niet geblaft.

Op woensdag 17 april verrichten twee Hasseltse artsen de lijkschouwing van Karel Quaedvlieg. Diezelfde dag bezoekt de onderzoeksrechter apotheker Schoofs in Hasselt, bij wie Quaedvlieg inwoonde. Noch daar, noch in de kamer die Quaedvlieg in gebruik had bij zijn tante Dorothea aan de Vaartlaan in Hasselt, vindt hij een aanwijzing die de moord zou kunnen helpen oplossen.

Later die dag neemt onderzoeksrechter Felix Bovy de zaak over van Nossent. Hij draagt de commandant van de rijkswacht te Beringen op om, samen met de burgemeester van Zolder een huiszoeking te verrichten ten huize van Jozefine Ramaekers in Bolderberg, om daar te zoeken naar brieven of andere aanwijzingen die een licht kunnen werpen op de aard van haar relatie met Quaedvlieg.

De rijkswachters nemen tien brieven van Quaedvlieg in beslag. Voorts vinden zij een geldbeugel met 150 frank, waarvan zij zegt dat dat haar spaargeld is. In een andere geldbeugel, die zij op zich draagt, heeft zij nog 23,47 frank. Zij ondervragen er de moeder van Jozefine, de 71-jarige weduwe Regine Jorens. Zij verklaart dat Jozefine in Hasselt werkt, als dienstmeid. Zij staat in voor het onderhoud van haar moeder, die geen eigen inkomen heeft, en van haar kinderen. Sedert jaren verkeert Jozefine met Karel Quaedvlieg, en haar moeder zegt niet te weten dat haar dochter met andere mannen te doen zou hebben.

Ook Jozefine wordt ondervraagd over haar liefdesleven:

“Vroeger heb ik nog twee lieven gehad. Den eersten was Ramaekers Henri van Diepenbeek, waarvan ik een kind gehad heb. Het meisje is nu 18 jaar oud. Den tweeden was Van Noppen Petrus van Kermt. Daar heb ik twee kinderen van gehad. Die nu 10 en 8 jaar oud zijn. Deze twee mannen zijn reeds getrouwd. Het vierde kind is van Weyers Louis van Herk-de-Stad. Ik weet niet of dezen getrouwd is. Het kind is 7 jaar oud en is te Berbroek bij Celis Louis, waarvoor ik 5 franken per maand moet betalen. De andere kinderen van 10 en 8 jaar zijn bij mijne moeder thuis, en voor deze moet ik al hunne kleeren kopen. Anders heb ik met geene andere personen kennis gehad, als nu sedert 5 jaar met Quaedvlieg.

Deze wist dat hij mij zondag laatst 14 april op den Boulevard te Hasselt moest vinden. Anders kwam ik niet veel naar huis den tijd dat ik te Hasselt in den Pelekaan diende. Ik heb nooit geld van Quaedvlieg gekregen, als eens eene broche. En sedert den tijd dat ik met hem kennis had, heb ik met andere personen niet meer gegaan.”

Ondertussen zoekt adjunct-commissaris Nicolas Thil die 17de april in Hasselt bij de weduwe Quaedvlieg aan het Dormaalpad en in het hotel van Leon Quaedvlieg aan de Statiestraat naar brieven van de dode, maar vindt er geen. Wel komt hij te weten dat Jozefine 6 of 7 jaar eerder gedurende een zestal weken als dienstmeid werkte in het hotel van Quaedvlieg. De familie Quaedvlieg beschouwt Jozefine als een braaf meisje. Van oktober 1898 tot maart 1901 werkte zij als dienstmeid bij de familie Hermans, in de Pelicaen in de Kapelstraat.

Op vrijdag 18 april toont adjunct-commissaris Thil de geldbeugel van Jozefine aan de familie Quaedvlieg en aan apotheker Schoofs. Geen van hen herkent hem als iets dat aan de dode zou toebehoord hebben.

Leon Quaedvlieg vertelt de adjunct-commissaris dat apotheker Schoofs hem een gouden horloge met ketting en een stortingsbewijs van 10.000 frank bij notaris Goetsbloets, op naam van zijn neef Karel Quaedvlieg heeft gegeven. Diezelfde dag leidt Thil een huiszoeking bij Jan Corthouts in de Boomkensstraat, die niets bruikbaars oplevert. Op ondervraging verklaart Corthouts dat hij verkeert met de dochter Vanderstraeten in Bolderberg.

Nog die dag ondervraagt onderzoeksrechter Bovy in zijn kantoor in Hasselt Jozefine, Hendrik Corthouts en Henri Claes.

Jozefine herhaalt in grote lijnen haar verhaal over de wandeling met Quaedvlieg, de aanval door de twee onbekenden en de verdrinking van haar verloofde. Op verzoek van haar ondervrager herhaalt zij wat Quaedvlieg zegde toen hij de tweede keer boven water kwam:

“Hij zeide “Fien, nu weet ik niet of het zal zijn zooals ik het u beloofd heb!” En toen hoorde ik nog dat hij zegde in het ondergaan “dat wij vijf jaren met malkander gegaan hebben.”

Op de opmerking van de onderzoeksrechter dat het volstrekt ongeloofwaardig is dat iemand die verdrinkt tijd zou nemen om zijn twijfel uit de drukken over de uitvoering van een belofte, in plaats van zich trachten te redden, houdt Jozefine vol dat het gegaan is zoals zij zegt. Zij kan niet uitleggen waarom zij de avond van de verdrinking naar Quetin in Bolderberg gegaan is, in plaats van de feiten onmiddellijk te melden bij de burgemeester van Stokrooi.

Na de ondervraging houdt de onderzoeksrechter haar aan en laat haar overbrengen naar de gevangenis in Hasselt.

Dan wordt Hendrik Corthouts ondervraagd. Hij is de 22-jarige broer van Jan Corthouts:

“Sedert omtrent zeven maanden werk ik in den koolput nummer 2 van Gosson, en ik vertrek ’s namiddags om 3 uur 20 van Hasselt om den nachtdienst te doen.

Verleden zondag ben ik om 2 uren namiddag naar Kermpt gegaan, waar ik verkeer met Blondine Mangels. Ik ben met den trein van 7 uur 20 ’s avonds terug naar Hasselt gekomen, en naar huis gegaan. Ik ben niet meer uit geweest. Ik verblijf bij mijne ouders. Mijn oudste broer Josef en zijne vrouw die in hetzelfde huis wonen, waren ook thuis. Mijn tweede broeder Jan was toen afwezig en is slechts ’s anderdaags om 2 uren namiddag thuis gekomen, toen hij van de rechtbank afgekomen is. Hij heeft mij verteld dat men eenen mensch in het kanaal geworpen had, doch dat hij er niets van gezien had, dat hij van Bolderberg afgekomen was en op den dijk van het kanaal, nabij het huis van Karel Vos, de dochter van Ramaekers ontmoet had. Hij heeft ook gezeid dat er twee jongens van het meisje afgesprongen waren, volgens zij hem verteld had. Doch hij had die jongens niet gezien. Zij waren loopen gegaan toen zij hem hoorden aankomen, zegde zij. Het meisje had hem vastgepakt en hij was met haar mede terug naar Bolderberg gegaan. Mijn broer is bij de weduwe Quetin blijven vernachten, daar hij niet meer durfde thuiskomen. ’s Anderdaags had hij de zaak komen aangeven met het meisje, alvorens terug thuis te komen.

Ik weet dat mijn broer Jan te Bolderberg verkeert met de dochter van Vanderstraeten. Hij was nog thuis toen ik zondag naar Kermpt vertrokken was. Mijn broer had mij gezegd dat het den knecht van Schoofs was die bij Josefine Ramaekers was.

’s Maandags namiddag ben ik met mijn broer naar Bolderberg gegaan uit nieuwsgierigheid, en aan de plaats gekomen waar dien jongen in het kanaal geworpen was, heb ik daar volk zien staan. Ik ben daar gebleven tot als men hem uitgehaald heeft. Op dien oogenblik stond Fin Ramaekers aan het huis van Karel Vos en zij is toen bijgekomen al weenende. Ik ben met mijn broer op Bolderberg aan gegaan langs den dijk van het kanaal af. Ik ben bij Quetin geweest, waar mijn broer gebleven is. Hij is met een rijtuig naar Hasselt gekomen, en ik ben te voet terug gekomen.

Mijn broer heeft laatst te Montegnée aan den put “Le Solitaire” gewerkt tot over omtrent veertien dagen. Toen had hij geen werk niet meer. Hij heeft dan van verleden woensdag acht dagen, drie dagen in het lijmfabriek te Hasselt gewerkt. Ik geloof niet dat hij zaterdags gewerkt heeft. ’s Maandags om 7 uren ’s avonds is hij zijn geld gaan optrekken in het fabriek en dijnsdag laatstleden heeft hij niet gewerkt, ik weet niet voor welke reden. Gisteren woensdag is hij met mij medegegaan naar Luik om werk te zoeken in eenen koolput nabij de statie van Ans, doch heeft er geen werk gevonden.”

De derde persoon die op 18 april ondervraagd wordt is Henri Claes, een 29-jarige bakker in Hasselt. Hij wandelde op de bewuste zondagavond met zijn zus langs het kanaal van Stokrooi naar Hasselt:

“Verleden zondag kwam ik, rond kwartier na 9 uren ’s avonds, van mijn ouders die te Stockroye wonen. Gekomen aan den siphon die onder het kanaal door loopt, tegenover het huis waar Karel Vos woont, aan de plaats waar die klene boot in het water gezonken is, heb ik twee personen ontmoet, eenen jongen en een meisje, van middelmatige of eerder kleine gestalte, doch ik heb ze niet herkend. Ik heb “goedenavond” gezegd, en zij hebben “goedenavond” geantwoord. Mijne zuster die bij mij was, heeft gezeid dat zij geloofde dat het mijn neef was, die ook van dezelfde gestalte is, en wiens moeder te Stockroye woont.

Ik heb niet hooren schreeuwen, en die persoon ook niet hooren weenen. Het was zeer donker dien avond. Ik heb niemand anders op de kanaaldijk ontmoet, tot Hasselt toe, en ik was om kwart na tien uren reeds aan mijn huis.”

Dan confronteert de onderzoeksrechter Claes met Jan Corthouts. Hij herkent in hem niet de man die hij die avond gezien heeft. Corthouts van zijn kant zegt zeker te zijn dat hij Claes en zijn zuster die avond niet tegengekomen is. Hij is immers niemand tegengekomen.

De volgende dag, 19 april, ondervraagt de onderzoeksrechter in zijn kantoor in Hasselt drie personen uit de omgeving van Quaedvlieg en van Jozefine Ramaekers. De eerste is de 72-jarige tante van de dode, Dora Quaedvlieg, die aan de Boulevard in Hasselt woont.

Dora vertelt de onderzoeksrechter dat haar neef Karel in haar huis een kamer gebruikte als lees- en schrijfkamer. Zondagavond rond zeven uur soupeerde zij thuis, samen met haar neef. Rond acht uur verliet hij haar huis om een half uur later weer voor de deur te staan. Hij had een half opgerookte sigaar laten liggen, en kwam die ophalen. “Tante, tot donderdag!” zei hij toen hij vertrok.

Dat haar neef een relatie had, wist zij niet. Zij had hem al een paar keren gezegd dat het tijd werd dat hij naar een goede vrouw ging uitkijken. Of hij geld bij zich droeg weet zij niet. Wel vertelt zij de speurder dat haar neef spaarzaam en zelfs gierig was. Dat hij medicijnflesjes bij zich droeg heeft zij nooit gemerkt.

Karel Quaedvlieg had weinig contact met zijn naaste familie, zegt zijn tante. Toen hij een half jaar oud was, stierf zijn moeder. Zij heeft hem toen in huis genomen, en tot aan zijn dood bezocht hij haar iedere zondag en donderdag. Sinds hij bij apotheker Schoofs werkte, woonde hij daar ook. Zijn vader zag hij nog zelden, maar met zijn zussen die in Antwerpen en in Brussel wonen, had hij meer contact.

De volgende dag ondervraagt de onderzoeksrechter apotheker Schoofs en Marie Lambrechts, die samen met Jozefine Ramaekers in herberg de Pelikaan gewerkt heeft.

Hippolyte Schoofs is 57. Zondagavond is Quaedvlieg rond half negen in en uit gelopen. Waar hij dan naartoe gegaan is, kan de apotheker niet zeggen. Wel vertelt hij nog dat Quaedvlieg al 27 jaar bij hem in dienst was, dat hij als een gierigaard bekend stond en dat het bekend was dat hij een mooi vermogen had opgebouwd. Quaedvlieg was niet vies van de vrouwen, zo weet zijn baas:

“Over eenige jaren, 8 of 10 jaren zeker, is hij eens thuis gekomen met het aangezicht kapot gekrabd. Hij heeft mij toen gezegd dat hij door vrouwspersonen aangevallen was geweest. Doch mijnen hovenier Govaerts heeft het mij anders verteld, en gezegd dat hij die vrouwen niet betaald had, en dat zij hem betaald hadden.”

Quaedvlieg ontkende zijn relatie met Jozefine Ramaekers:

“Ik heb Quaedvlieg al over die betrekkingen aangesproken, en dan zeide hij dat er niets van waar was, dat het kwade tongen waren die dat zegden.”

Marie Lambrechts is 21 jaar, en heeft twee jaren in de Pelikaan gewerkt, in de periode dat Jozefine Ramaekers daar ook aan de slag was. Zij herinnert zich dat Jozefine om de twee of drie weken ’s avonds uitging met Karel Quaedvlieg. Tenminste, dat beweerde Jozefine, want Marie heeft hen nooit samen gezien. Waar die twee de avond doorbrachten kan zij niet zeggen.

Op 21 april ondervraagt de onderzoeksrechter vijf personen: Marie Jamar, de meid van apotheker Schoofs, Hubert Govaerts, zijn hovenier, Leo Quaedvlieg, de oom van Karel, Jan Corthouts en Jozefine Ramaekers.

De 19-jarige Marie Jamar vertelt dat zij sinds twee jaren bij Schoofs in dienst is, en dat zij zoals Quaedvlieg bij haar baas inwoont. Zij weet dat Quaedvlieg een relatie had met Jozefine Ramaekers, hoewel hij dat ontkende. Jozefine, die vier onwettige kinderen heeft, heeft niet de beste reputatie. Zij liep met den eersten den besten, zegt Marie. Marie weet ook dat Quaedvlieg zondagavond, rond half negen, kort in de woning van zijn baas geweest is. Hij heeft zich toen omgekleed en heeft zijn zondags kostuum verwisseld voor zijn werkkleren. Hoewel het regende is hij zonder paraplu naar buiten gegaan.

Hubert Govaerts is 50 jaar en werkt sinds 20 jaar als hovenier voor apotheker Schoofs. Hij kende Quaedvlieg daardoor heel goed. Een jaar eerder had een vriend hem eens gevraagd of hij dat meisje kende dat in de Pelikaan werkte en dat een relatie had met Quaedvlieg. Zijn vriend had hem gezegd dat hij Quaedvlieg moest waarschuwen:

“Dat is eene afschuwelijke hoer, want zij heeft al drie kinderen. Gij moet er eens op letten, het is eene leelijke. Ik weet niet hoe zulken mensch daar wilt mee loopen, maar zij zal misschien op zijne centen uit zijn.”

Govaerts van zijn kant is niet verwonderd over dat koppel: “Quaedvlieg klapte gaarne van vrouwen, en was wat hoerachtig. Ik plaagde hem daar soms mee.” Hij herhaalt de historie van die keer toen Quaedvlieg door vrouwen aangevallen was omdat hij bij hen nog rekeningen open staan had. De hovenier weet ook dat Quaedvlieg wel eens Den glazen kruiwagen bezocht, een café dat er om bekend staat dat alleenstaande mannen daar hun gading kunnen vinden. Govaerts heeft horen zeggen dat Quaedvlieg onbetaalde rekeningen had uitstaan in Den glazen kruiwagen.

Leo Quaedvlieg is de 68-jarige oom van Karel. Hij bevestigt dat zijn neef de gewoonte had hem zondag en donderdagnamiddag te bezoeken, en dan enkele uurtjes bleef babbelen. Jozefine Ramaekers heeft een tweetal jaren eerder gedurende vier maanden voor hem gewerkt. Hij is er zeker van dat Karel haar kende, maar hij wist niet dat er meer was tussen die twee. Ook Leo Quaedvlieg kent zijn neef als een gierig man, die een mooi bedrag opzij had staan.

Leo Quaedvlieg was er bij toen zijn neef uit het kanaal gevist werd. Tussen de toeschouwers herkende hij Jozefine Ramaekers, die hem vertelde dat zijn neef zondagavond door twee Franssprekende onbekenden in het water gekieperd was. Hij vertelt ook dat de herbergier Veldhuis hem die week gezegd had dat een van zijn klanten verteld had dat hij die zondagavond ook op de kanaaldijk wandelde, en daar behalve een koppel – vermoedelijk Karel Quaedvlieg en Jozefine Ramaekers – niemand tegengekomen was.

Jan Corthouts vertelt nog eens hoe hij zondagavond de huilende Jozefine aantrof op de dijk van het kanaal, en haar relaas over de ontmoeting met twee onbekenden die Quaedvlieg in het water wierpen. Hij zegt nu dat Jozefine zowel op hun terugweg naar Bolderberg als in de herberg van Quetin benadrukte dat Quaedvlieg haar in zijn laatste momenten alles nagelaten had. Zelfs haar paraplu zou hij hebben willen vergoeden:

“Zij had Quaedvlieg in het kanaal zien liggen en hij was driemaal boven gekomen. Iedere keer had hij iets gezegd, dat den al voor haar was. Ik heb het u zoo dikwijls gezegd, dat als mij iets overkomt, den al voor u is. Quaedvlieg had haar ook gezegd dat zij maar moest slaan met haren paraplu. Dat als hij kapot was, zij van hem eenen anderen kreeg.”

Over zichzelf zegt hij nog dat hij sinds kort werkloos is:

“Sedert den zesden april had ik den koolput verlaten, De Planck in Montegnée. Ik dacht hier te Hasselt werk te vinden in het lijmfabriek, maar daar ben ik niet gebleven omdat mijne moeder den stank niet kon uitstaan om mijne kleederen te wasschen.”

Tot slot ondervraagt de onderzoeksrechter Jozefine. Eerst vraagt hij haar wat zij die zondag in Hasselt gedaan heeft:

“Ik was verleden zondag rond kwart voor tien uren ’s morgends uit Bolderberg weggegaan en ben te Hasselt naar de half twaalf mis geweest. Ik ben daarna naar de besteedster geweest, in de Cellebroedersstraat, om eenen dienst te zoeken, en ben daar gebleven tot rond 3 uren. Dan ben ik met haar medegegaan naar den bloemist Jonckers op den Sint-Truidensche Steenweg, doch heb mij daar niet kunnen verhuren. Toen wij terugkwamen heeft eenen bakker die op den Steenweg woont ons aangesproken. Hij vroeg of ik bij zijne moeder wilde gaan wonen te Cortessem. Maar ik vroeg 15 franken per maand, het geen hem te veel was. Daarna ben ik terug naar het huis van de besteedster gegaan en daar nog tot half zes verbleven. Dan ben ik in eenen kleinen winkel gegaan, waar men klompen verkoopt, tegenover den apotheker Vreven in de Kapelstraat. Daar ben ik gebleven tot half acht uren, en ben dan langs de Curingerpoort den Boulevard afgegaan, op het kanaal aan.

Toen ik aan het huis van de tante van Quaedvlieg gekomen ben, op den Boulevard van het kanaal, stond hij aan de deur. Hij heeft mij gezegd dat ik zou wachten totdat hij den sleutel gehaald had bij mijnheer Schoofs.”

Het was de bedoeling dat hij een stuk met haar mee zou wandelen. Meestal wandelde hij met haar mee tot Bolderberg, tot aan de brug van de Kiezelweg naar Kuringen, en keerde dan terug naar Hasselt. Die zondagavond heeft zij ruim een kwartier gewacht tot Quaedvlieg terug was van bij Schoofs. Dan zijn zij langs het kanaal in de richting van Bolderberg gegaan, en buiten hun twee overvallers hebben zij onderweg niemand gezien.

Of zij onderweg ruzie gekregen hebben, wil de onderzoeksrechter weten. Over geld? Of over trouwen?

“Terwijl ik met Quaedvlieg langs den dijk afgegaan was, is er geene kwestie tusschen ons geweest over trouwen, noch over geldzaken. Het is vroeger, een jaar geleden, dat hij mij gesproken heeft van eene kamer voor mij te huren te Brussel, hetgeen ik geweigerd heb. Hij heeft mij dan ook gezegd dat wij in augustus zouden trouwen, ofschoon zijne familie er geweldig kwaad over was, zegde hij, dat hij met eene dienstmeid verkeerde.”

Op 19 april ondervragen twee rijkswachters van de brigade te Hasselt in Kermt de stationschef, de bareelwachter, de halteoverste van de tram en al de herbergiers. Geen van hen heeft de vreemdelingen waarover Jozefine spreekt gezien. Een onderzoek door de politie van Hasselt in het station en in de tramhaltes in Hasselt, in de hotels en in de herbergen in de buurt van het kanaal levert evenmin iets op. Niemand heeft die dag twee Franssprekende mannen gezien die aan de beschrijving van Jozefine beantwoorden.

Op 4 mei ondervraagt de onderzoeksrechter Jozefine in de gevangenis in Hasselt. Hij heeft ondertussen een aantal mensen gesproken die die bewuste zondagavond langs het kanaal gewandeld hebben, maar de twee Franssprekende mannen niet gezien hebben. Hij confronteert haar met de onwaarschijnlijke elementen in haar verhaal:

“Hetgeen gij vertelt aangaande de wijze op dewelke Quaedvlieg zou verdronken zijn is niet aan te nemen, want er zijn getuigen die zich om die uur op den dijk van het kanaal bevonden hebben, en die u ontmoet hebben, en die aldus ook de vreemde personen die gij beweert u gevolgd te hebben, zouden moeten gezien hebben. Gij zoudt beter de waarheid bekennen aangaande den moord van Quaedvlieg. Men heeft ons ook gezegd dat er tusschen u en Quaedvlieg dikwijls kwestie geweest was, wegens uw huwelijk met hem, hetgeen altijd uitgesteld of verschoven geweest is. Het is waarschijnlijk dat er des aangaande tusschen u beiden kwestie geweest is op den dijk van het kanaal. Is het daarbij niet dat hij in het water gestooten of gevallen is?”

Jozefine ziet in dat de onderzoeksrechter haar niet gelooft, en zij besluit haar verhaal te veranderen. Geloofwaardiger wordt zij echter niet:

“Wij hebben geene de minste kwestie gehad. Ik zal u nu de geheele waarheid zeggen.

Toen wij hier aan den bassin van het kanaal kwamen, stond daar eenen persoon, aan den kareelenhoop die tegen den bassin ligt, die vloekte en die ons gevolgd heeft. Het zag er eenen boerenmensch uit, met eenen langen kiel aan en met eenen donkeren platten hoed. Hij is ons voorbij gegaan aan de sluis. Hij deed niets als vloeken. Quaedvlieg heeft dan gezegd dat wij de sluis zouden over gaan. Wij zijn dan aan de tweede poort van de sluis over gegaan. Die persoon is dan terug gekomen en is ook aan dezelfde poort over gekomen. Quaedvlieg zeide toen “Wij zullen terug op Hasselt aan gaan, dan zullen wij hem kwijt zijn!” Dan zijn wij de voorste poort terug over gekomen en alzoo wederom op de Curinger brug aangegaan.”

Dan beschrijft zij hoe zij niet meer over de kanaaldijk, maar langs binnenwegen in de richting van Kuringen gegaan zijn. Daarbij zijn zij verdwaald. Hoewel Quaedvlieg onderweg aan een afgelegen huis nog de weg gevraagd heeft, hebben zij de weg naar Kuringen niet meer gevonden. Het was donker en het regende, en op zeker moment zijn zij bij een beekje aanbeland:

“Dan is Quaedvlieg een klein wegsken op gegaan, zonder te weten dat wij aan het kanaal waren. Ik bleef vanonder staan en opeens hoorde ik dat hij ergens in viel. Ik ging ook het wegsken op en zag dat hij in het kanaal gelopen was. Hij was ondergegaan. Dan kwam hij boven en riep “Fin, helpt mij!” Hij is weer ondergegaan, spuwde water uit den mond en riep nog om hulp. Dan is hij nog eens effekens boven gekomen, maar heeft niets meer gezegd.

Toen Quaedvlieg in het water gevallen is, heb ik beginnen hulp te roepen, maar niemand hoorde mij toen.

Mijnen paraplu heb ik tegen de dijk van het kanaal kapot geslagen, terwijl ik op mijne knieën lag en om hulp riep. Quaedvlieg had mijnen paraplu eerst kapot gestooten in eene zouw, met naar den weg te zoeken.”

De onderzoeksrechter confronteert haar met het feit dat het erg onwaarschijnlijk is dat Quaedvlieg niet zou gemerkt hebben dat hij bij het kanaal was en er zelf zou in gelopen zijn. Bovendien kan Jozefine niet uitleggen waarom zij geen hulp ging zoeken in het huis van Karel Vos dat niet ver van de plaats van het ongeval staat.

Op 2 mei draagt de onderzoeksrechter aan architect Gabriël Modest op om een plan van de omgeving te maken.

Op 6 mei laat de onderzoeksrechter het lijk van Karel Quaedvlieg ontgraven om het in het dodenhuis op het kerkhof te laten onderzoeken door twee artsen, Jan Van Cronenburg en Karel Berrewaerts. Gustaaf Bruylants van de universiteit te Leuven is ook bij de lijkschouwing aanwezig.

Op 6 mei ondervraagt de onderzoeksrechter in zijn kantoor in Hasselt Mathilde Celis. Mathilde werkt als dienstmeid in Hasselt, maar zij kent Jozefine Ramaekers vooral als de moeder van het jongetje dat hij haar ouders thuis is. Volgens haar is Jozefine niet echt een zorgzame moeder:

“Ik ken Josefine Ramaekers omdat een harer kinderen bij mijne ouders besteed is. Mijne moeder heeft mij verteld over eenige jaren toen dat kind thuis is gebracht, dat Josefine Ramaekers thuis gekomen was, en haar kind bij haar had en een glas water gevraagd had, dat zij haar zelfs eene tas koffie gegeven had. Zij heeft dan gevraagd of wij haar kind niet konden houden, dat zij alle maanden ervoor zou betalen. Wij hebben het kind aangenomen uit medelijden. Zij heeft in het begin er voor betaald, dan weer eens niet. En nu, over een paar maanden heeft mijn vader mij gezegd dat zij niets meer betaalde. Hij heeft gezeid dat hij niet wilde dat zij nog in huis kwam, daar zij zich van het jongsken niets aantrok.

Ik weet dat Josefine Ramaekers met Quaedvlieg verkeerde sedert dat zij bij Quaedvlieg aan de statie gewoond had, waar hij met haar kennis gekregen had.

Zij heeft bij mijne ouders verteld dat zij ringen van hem aan had, doch ik heb niet hooren spreken van trouwen tusschen hen. Persoonlijk weet ik niets over hunne betrekkingen, maar ik heb slechts thuis hooren vertellen dat zij met Karel Quaedvlieg verkeerde.

De meid van apotheker Schoofs heeft mij wel als eens gezegd dat zij Quaedvlieg plaagde over die kennis met Fine Ramaekers.”

Op 7 mei ondervraagt de onderzoeksrechter Pieter Vanoppen van Kermt. Jozefine heeft hem eerder genoemd als de vader van haar tweede kind. Pieter houdt het kort:

“Ik heb Josefine Ramaekers van Bolderberg gekend toen zij in mijne gebuurte woonde te Berbroek, sedert ongeveer twaalf jaren. Ik heb anderhalf jaar met haar verkeerd, maar ik had geene goesting om er mede te trouwen. Over haar gedrag heb ik nooit iets gehoord. Ik heb nooit kwestie met haar gehad. Zij heeft nog met andere jongens verkeerd, maar ik weet daar niets over te zeggen.”

Ondertussen verzamelt de onderzoeksrechter getuigenissen over het gedrag van Jozefine.

Op 8 mei spreekt hij in zijn kantoor met Louis Weyers. Weyers is 42 jaar en knecht in de molen in Herk-de-Stad:

“Ik heb Josefine Ramaekers gekend toen zij op de molen woonde, over vijf of zes jaren. Ik ben daar nog knecht. Zij heeft daar een jaar of anderhalf gewoond.

Ik beken tusschen dien tijd, zoowel als andere knechten, met haar te doen gehad te hebben en ze gebruikt te hebben. Zij vroeg niet beter als met jongens te doen te hebben en ze moesten er allemaal door passeeren, al was zij zoo leelijk als den nacht.

Terwijl zij daar woonde heeft zij in zwangeren staat verkeerd. Van wie zij groot ging, weet ik niet. Ik heb haar nooit gesproken over trouwen.”

Op 9 mei ondervragen twee rijkswachters de bewoners van 17 woningen tussen Hasselt en Kuringen. Niemand kan bevestigen dat er de avond van zondag 14 april iemand de weg is komen vragen.

Op 15 mei verhoort de onderzoeksrechter in zijn kantoor meer mensen die Jozefine kennen.

De eerste is de 33-jarige Désiré Vanwing van Herk-de-Stad. Deze boerenzoon verklaart dat zij er op uit was met hem te trouwen:

“Jozefine Ramaekers heeft huis gewoond over omtrent zes jaren, gedurende vier maanden. Toen zij eenigen tijd thuis was heeft zij mij nageloopen als mijn vader niet thuis was. Zij pakte mij dan vast, wierp mij op den grond, greep mij met mijne schaamdeelen en speelde ermee. Dan zegde zij “Doet nu maar eens.” Ik gebruikte haar dan. Dat is nogal dikwijls gebeurd, ten minste tien keeren. Zij had het geerne en was er fel op. Zij is ook dikwijls in mijn bed komen vernachten en ik ben ook al in het hare geweest.

Zij viel mij gedurig lastig om met haar te trouwen. Ik wist nog niet dat zij groot ging. Toen zij een paar maanden thuis was, heeft zij het mij gezegd. Daarna heb ik ze niet meer gebruikt. Dan is zij kwaad geworden omdat ik niet wilde trouwen. Zij heeft mij toen eens gezegd dat zij het mes zou slijpen indien ik niet trouwde met haar.”

Op 17 mei stuurt de onderzoeksrechter de burgemeesters van Kuringen, van Stokrooi en van Zolder het verzoek om hun veldwachters de eerstkomende zondag na elke mis een oproep te laten doen dat ieder die iets weet over de dood van Quaedvlieg of die die zondagavond in de buurt van het kanaal geweest is, zich bekend moet maken. Dezelfde oproep was eerder gepubliceerd in de Hasseltse kranten La Campine Limbourgeoise (woensdag 24/4), De Demer (zaterdag 27/4), het Aankondigingsblad der provincie Limburg (zaterdag 18/5) en De Onafhankelijke der provincie Limburg (zondag 19/5).

Jozefine Ramaekers heeft een blanco strafblad.

Op 26 juli 1901 verwijst de raadkamer te Hasselt het dossier naar de procureur-generaal te Luik. Op 31 juli 1901 verwijst de kamer van inbeschuldigingstelling te Luik Jozefine naar het hof van assisen te Tongeren.

Op 29 oktober 1901 ondervraagt de voorzitter van het hof van assisen Jozefine in de gevangenis te Tongeren. Zij volhardt in haar laatste verklaringen aan de onderzoeksrechter. Haar advocaten zijn Michel Geraets en Stellingwerff.

In de akte van beschuldiging, die op 9 augustus 1901 wordt opgesteld door advocaat-generaal Beltjens, wordt Jozefine er van beschuldigd te Stockroye op 14 april 1901, vrijwillig en met het inzicht van ter dood te brengen, manslag te hebben gepleegd op den persoon van Karel Quaedvlieg.

De procureur roept 50 getuigen op om zijn pleidooi tegen Jozefine te ondersteunen.

Het dossier bevat wel de lijst van de gezworen, maar niet de samenstelling van de jury.

Het proces heeft plaats op 15 november 1901. De jury verklaart Jozefine onschuldig, en het hof spreekt haar vrij.